Nederland is deels altijd een natie van agrariërs geweest, beroemd om zijn lanbouwgronden en kassen, om zijn tulpen, om zijn bloemen, om zijn gewassen en om zijn vee.
We hadden een wereldnaam op het gebied van melkkoeien, welke de hoogste productie cijfers per koe gaven, met een perfect vet gehalte en dus was onze zuivelproductie een voorbeeld voor geheel de wereld.
Van heinde en ver kwamen er studiegroepen kijken en leren hoe je een perfect
ras met uitstekende kwaliteiten kon fokken door kruisen en hoe je je zuivel
kon beheren en produceren tot een enorme variëteit aan producten, allemaal
dankzij en door de coöperatieve melkfabrieken waarin de boeren ooit hun stem en
aandeel hadden.
Nederland produceerde perfecte gewassen en een diversiteit en kwaliteit die zijn weerga in de wereld niet had, ook daar kwam men van heinde en ver de technieken en productie processen bestuderen, want van de Hollandse boer kon men wat leren.
Het Nederlandse landschap, doorkruist met zijn rechte sloten, door keer op keer ruilverkaveling, maakte ons land zelfs herkenbaar vanuit de ruimte, want alleen Nederland kent dat patroon en alleen wij waren intens bezig met landschap beheersing en productie.
Deze tijd is voorgoed voorbij, de boer kan niet meer bestaan, dankzij waanzinnige wetten, administratieve handelingen, het willens en weten opofferen van de boerenstand aan de verstedelijking en het weg met ons beleid.
De ene na de andere landbouwminister verkwanselde onze nationale en internationale trots aan Brussel en aan het eigen gewin, want waar mooie Feniks locaties worden gebouwd is de boer uitgeboerd, want zijn scherpe geuren en zijn vroege arbeid worden met milieuwetten en beperkende maatregelen zo beperkt, dat hij zijn vak niet meer kan uitvoeren.
We gunden de boer geen inkomen, alles moest gereguleerd worden, zoveel van dit en niet meer dan dat, we creëerden een boterberg, een graanoverschot, een vleesmuur en alles dankzij en vanwege dure subsidie systemen, uitgedacht en netjes gereguleerd door ambtenaren die denken dat de knakworsten van Unox aan een boompje groeien, die de geur van verse stalmest afdeden als milieuvervuiling en het een emissie noemden.
Van oudsher waren de boeren bezig ons land te vormen, zij zorgden voor de eerste landaanwinst door dijken, zij temden de rivieren en bewerkten de uiterwaarden en lieten deze bij grote aanwas weer door de rivieren overstromen om zo gebruik te maken van het rijke slik het rivierlandschap zorgde voor haar aanwonende.
Nu is dat landschap volgebouwd met woningen en industriële projecten en opnieuw zal de boer moeten wijken en zijn laatste restanten land prijsgeven, want door de verstedelijking is het waterabsorptie vermogen van het omliggende land te klein geworden en de afvoer van regen water aan de rivierenstroom enorm, dus gaat men waterbekkens bouwen en daarvoor zal men landbouwgrond aan de boeren onttrekken.
De intensieve veeteelt, een verhaal apart, eerst begint het met wat kistkalveren en wat loopeenden, de zogenaamde pekingeenden, vanwege de vraag en het commerciële belang groeide de pluimvee handel en de slachtvee handel uit tot een ware industrie, waarbij steeds meer de nadruk op het voerbeleid werd gelegd en niet meer het dierenwelzijn en het boerenverstand, met als gevolg immense kwetsbare vleesproductie bedrijven.
Meer en meer productie bedrijven werden er toegelaten, want de staat zag haar kans om via deze enorme productie aantallen vette subsidies voor haar veeteelt binnen te halen, niet het inkomen van de boer, niet het binnenlandse consumptiebelang telde, maar de exportcijfers en de te realiseren subsidies en dus kregen de grote voerbedrijven carte blanche bij het oprichten en instaleren van steeds grotere stallen op kleinere kavels grond.
De zelfstandige boer kon allang niet meer voor eigen rekening deze productiebedrijven meer realiseren en werd afhankelijk van de industrie, welke met mooie beloftes contracten afsloot en daarmee het particuliere fokken en produceren letterlijk en figuurlijk vermoorde en dood.
Want zonder voercontract kreeg je als zelfstandige boer niet of nauwelijks de kwaliteit van de contractanten en bovendien aan het eind van de rit, had je geen afzetgarantie, zoals de contract "boeren" wel, veel boerenzonen van kleine bedrijven liepen in deze wurgval en zagen uiteindelijk het boerenbedrijf veranderen in een contractbedrijf met vaste opbrengsten.
De grote geïndustrialiseerde voerbedrijven streken de vette winsten en subsidies op, zij bepaalden de marktprijzen en zij regelden het boereninkomen en zij maakten het de zelfstandige boer nagenoeg onmogelijk nog zonder hen te produceren.
Ook de akkerbouwer kwam met dezelfde omstandigheden in aanraking, hij kan alleen nog maar gemanipuleerde gewassen verbouwen met hoge subsidie opbrengsten, want alleen resistente gewassen kunnen zonder verboden bestrijdingsmiddelen worden verbouwd en de lijst met verboden middelen is groot en lang, maar de zelfstandige boer kan niet meer met het standaard gewas nog een fatsoenlijke productie bereiken en is als vanzelf aangewezen op de industriële aanbieders, die zo hun gepatenteerde gemanipuleerde gewassen kunnen slijten.
De consument krijgt de rekening gepresenteerd, want de boeren verdwijnen één voor één uit ons landschap, meer en meer rukt de verstedelijking op, de landbouwer met wisselende gewassen voor de consumptie is verdwenen, heeft plaatst gemaakt voor gesubsidieerde gemanipuleerde en gepatenteerde gewas productie.
De veehouder met melk en slachtvee, het erf met wat scharrelkippen en de landbouwer die met het wisselen van de seizoenen zijn gewassen verbouwde voor de binnenlandse consumptie en export zullen allen uit ons landschap verdwijnen om plaats te maken voor VVV boeren, die als een soort openlucht museum onze vergane glorie zullen beheren.
Het westland met zijn kassencultuur, die grond is voor de boer veel te duur, zij zal moeten wijken voor het oprukkende staal en beton, let op mijn woorden ook voor hen is geen pardon.
En als straks er ergens een grote misoogst komt en wij ons eigen land en mensen niet meer kunnen voeden, dan zal menigeen nog wel eens terugdenken aan die tijd, van stinkende vlaaien, giermest en paardenmest, aan het lawaai van de combines, de dors- en rooimachines.
Nederland dient steeds voller te worden volgebouwd, er kan nog wel een wijkje bij, er kan nog wel een dorp worden geannexeerd, want we hebben niets, maar dan ook niets van de boeren geleerd, we hebben hen als dom en achterlijk afgedaan, maar zij vormden eens de kurk van ons bestaan en ooit gaven zij ons land zijn unieke gezicht.