Columns geschreven door

Pim Fortuyn


Columns geschreven door Pim Fortuyn

Inhoudsopgave:

Columns geschreven door 1

De OV-Studentenkaart een blijvertje?. 6

House. 8

Op jezelf wonen. 10

Gebrek aan nieuwsgierigheid. 12

LSVb idealistisch en niet representatief clubje. 14

Studenten als eeuwige consument 17

Gaan tevredenheid en creativiteit samen?. 19

Geen titel 21

Studenten en zaken doen. 23

De nieuwe jeugd. 27

Prins Andrew. 29

Het student is a-politiek vandaag aan de dag. 31

OV Studentenkaart ten prooi aan milieuterreur 33

De verweesde samenleving. 36

Intellectuelenhaat 38

Studenten en politiek: stemadvies! 40

Verveling. 42

Disco. 44

Herstructurering hoger onderwijs. 46

Het vehikel van Kok. 48

Nieuwe financieringsvormen infrastructuur bittere noodzaak. 50

Schaf de OV-Studentenkaart en Ritzen maar af! 53

Verveling is des duivels oorkussen. 55

Student wordt definitief consument 56

Blij dat ik rij 58

Jong zijn in Nederland. 61

Nieuwe werkvormen. 63

Gabbers. 65

De opmars van de cabriolet 67

Mobiliteit en aantal autokilometers groeien. 70

De jacht 72

Het ontbrekende milieudebat 76

De eeuw van de vrouw en de homoseksuelen. 79

De files van Annemarie. 82

Grote infrastructurele werken. 85

Wankele rechtsstaat 88

Locale verkiezingen. 91

‘Blij dat ik rij’ moet terug! 94

De hardheid van de auto-industrie. 96

Tien Geboden met Pim Fortuyn. 99

De Betuwelijn en verder 107

De moderne schandpaal 110

De geweigerde column. 113

Bram II 117

Zwijgplicht 120

Havana mon amour 123

Peper en Havana. 126

E-commerce. 129

Hoofddoekjes en tulbanden. 132

Haider 134

EU immigratiegebied?. 137

Ad Melkert 139

Opstand der werkers. 142

Politieke malheur 145

Internet en Nina Brink. 148

Miljardendans. 150

Peper exit 153

Wachtlijsten. 155

Ons Nina. 158

De Majesteit en verder 161

Global Economy. 164

De shit van de nieuwe economie. 166

De toekomst van het Boek. 169

Als het kalf verdronken is, dempt men de put 171

Gezond verstand. 174

Moed. 177

Justitie en DNA. 180

Microsoft 183

Nederland is vol 185

Suriname. 188

Mensenhandel 192

Daderprofiel 194

Ethische buitenlandse politiek. 197

Italiaanse mores. 200

Corrupte Nederlandse Antillen. 202

Gebed zonder einde. 205

Schandelijk slachtofferschap. 207

De Berlijnse Muur 209

Koude Oorlog. 212

Rotterdamse taximaffia. 215

Linkse terreur 217

Bonnefantenmuseum Maastricht 220

Oma Borst 222

Het kwartje van Kok. 225

Het Goede Leven. 227

Crisis in de politiek. 230

Israël 233

Chantage. 236

Een scenario voor een recessie ligt op tafel 239

Hoofddoekjes. 242

Kolere Regentenland. 244

Hersenloze Saaie Politiek. 247

Retoriek en Leegte. 251

De Klaagmuur 254

Koude Oorlog met Islam.. 257

Kies voor verandering. 260

Ad Melkert 263

Als één man achter de Amerikanen. 266

De dreiging van de Islam.. 268

De brede coalitie. 272

25 dilemma’s voor Pim Fortuyn. 276

Kok (PvdA) en De Hoop Scheffer (CDA) 278

De Aanval 282

Paladijn Kok. 285

Onze Koningin Maxima. 288

Corruptie in de Polder 291

Bevries de overheidsuitgaven! 294

Vergrijzing. 297

Israël 300

Recessie. 304

Begrotingsdiscipline Melkert, sic! 308

UWV en WAO.. 311

Landgenoten, 314

Sabotage NS. 317

Struikelende Justitie-minister 320

NS Revisited. 323

WAO.. 327

Administratiekosten. 330

Extreem Links. 333

Visumplicht Antillen. 336

Paars is uitgeregeerd! 339

Premier Kok waarschuwt land voor Fortuyn. 342

Kok herschrijft Staatsrecht 345

Fileleed en inflatie. 348

Extreem Links. 352

De Kleren van de Keizer 355

Srebrenica. 359

Zakelijk met een Hart 363

Politiek en militairen. 366

Kies voor verandering. 370


De OV-Studentenkaart een blijvertje?


Toen ik in september 1988 aan het project voorde invoering van een openbaarvervoerskaart voor studenten begon, had ik enige aarzeling moeten overwinnen. Ik had net de deur van de universiteit achter me dicht gezwaaid en was de adviesmarkt op gegaan. Betekende het vrije ondernemerschap voor mij dat ik me met zoiets mallotigs als een OV-kaart voor studenten bezig zou moeten gaan houden? En bovendien, zaten studenten daar nu wel op te wachten? Hieruit blijkt maar weer eens hoe je je kunt vergissen in je eerste indrukken. De OV-kaart is een groot succes geworden en studenten zaten daar inderdaad op te wachten. Sterker nog: als de kaart vandaag wordt afgeschaft zullen veel studenten dat buitengewoon vervelend vinden. En toch, ja staat dit verworven recht momenteel op de tocht!

De invoering van de OV-kaart voor studenten is beslist niet van een leien dakje gegaan. De politiek wilde haar – ja de kaart is een vrouw – dan weer wel en dan weer eigenlijk niet. De NS waren aanvankelijk met haar in hun nopjes, maar toen er een lucratiever aanbod van reizigers kwam – beter betalend en zich naar NS-verwachting beter gedragend – wisten ze niet hoe snel zij deze winkeldochter moesten lozen. De Informatiseringsbank ten slotte had genoeg problemen aan haar hoofd om rechttoe rechtaan studiefinanciering te regelen. Het scheelde niet veel of de bank was in het studiejaar 1988-1989 gekapseisd.

Deetman, toen nog minister van Onderwijs, was op zijn politieke intuïtie afgegaan en had de gelukkige idee om voor de invoering van de OV-kaart voor studenten een aparte BV op te richten. Daarmee hoopte hij de kaart veilig te stellen. Immers met veel olifanten – O & W, NS overige vervoersbedrijven – in een te klein hokje wil zo’n kaart wel eens een snelle dood sterven. Achteraf gezien een gouden greep van die Deetman. Het was uiteindelijk de BV die het project door haar vasthoudendheid – ja, ook de vennootschap is een vrouw – overeind wist te houden. Alle politieke, technische en logistieke problemen werden werkende weg overwonnen. Meer dan eens hing de BV en daarmee de OV-kaart voor studenten aan een zijden draadje, maar zij is er gekomen. En hoe!

Vlak voor de introductie van de kaart hebben we een sociologisch onderzoek laten doen naar de acceptatie van de kaart onder studenten. Met een beetje goede wil konden we daaruit afleiden dat sommige studenten er blij mee zouden zijn, een aanzienlijk aantal er helemaal niet op zat te wachten en dat het een nog groter deel betrekkelijk onverschillig liet. Na de invoering begon de kaart aan haar niet helemaal verwachte triomfmars. De weerstanden verdwenen als sneeuw voor de zon, een enkele hardnekkige autofanaat niet te na gesproken. Heden is de OV-kaart niet meer uit het studentenleven weg te denken. Vele reizen worden ondernomen. Het is een va-et-vient bij evenementen. Of men gaat zomaar op pad.

Toch staat de kaart op de tocht. De openbaarvervoersbedrijven willen er veel, veel meer geld voor zien. O & W zegt dat niet te hebben noch te willen geven. Zoals dat gaat in het goede vaderland bewegen varianten zich tussen de afschaffing van de kaart en beperken van de kaart tot de reis van huis naar onderwijsinstelling en weer terug. Een kaart van niks dus. En alsof dat nog niet genoeg is: de OV-Studentenkaart BV dient plaats te maken voor de Informatiseringsbank. Die gaat vanaf 1994 de kaart zèlf verstrekken . Dat gebeurt dus even goed als het verstrekken van jullie studie-uitkering. Het lijkt me tijd worden dat studenten zich gaan bemoeien met hun eigen kaart. Voor dat je het weet is je kaart weer verdwenen of gereduceerd tot een onbetekende trajectkaart.

Deze column is verschenen in Sum augustus 1992

House


Een dagje lekker zeilen op het IJsselmeer. ’s Avonds na het eten stappen. Na wat cafés terecht komen in een goede disco met keiharde muziek. House naar bleek. Mijn ogen uitgekeken. Het lawaai dat house voortbrengt is a-tonaal en sterk ritmisch. Het werkt, als je er maar lang genoeg naar luistert, hallucinerend. Je raakt in hogere sferen. Op die muziek wordt gedanst. En hoe! Voor sommigen is house op zichzelf nog niet genoeg om in de juiste stemming te geraken. Zij gebruiken XTC of als ze dat niet kunnen betalen dan zoeken ze paddestoelen in het bos die ongeveer hetzelfde effect hebben. Toen ik nog jong was werd je daar altijd voor gewaarschuwd. Paddestoelen zouden hoogst giftig zijn en de kans was groot dat je de consumptie ervan niet zou overleven. Wij keken dus wel uit!

De jonge mensen van nu laten zich dit soort wijsheden iets minder makkelijk op de mouw spelden en gaan op onderzoek uit. En ziet, je sterft er niet van, je wordt er slechts high van. Ik ben geen medicus dus ik wil geen uitspraken doen over het gevolg van het gebruik van paddestoelen, maar toch. Onmiddellijk dood ga je er kennelijk niet van. Weer een jeugd-mythe ontrafeld. Als men, al dan niet met behulp van andere middelen dan house alleen, in de stemming is geraakt dan begint waar het allemaal om te doen is: de house dans. Een dans die je helemaal alleen en in jezelf gekeerd uitvoert. Je hebt contact met niemand, ogen dicht en je gaat helemaal in jezelf op. Dit kan twintig minuten duren, maar er zijn er die dat uren achtereen volhouden. Er wordt flink gezweet, haren staan alle kanten op en sommigen maken het nog mooier door te stuiteren, dat wil zeggen voortdurend ritmisch op en neer te springen. Zeker niet goed voor je knieën en je hoofd, maar dat is melige dokterspraat.

In mijn tijd was de opperste vorm van dansen het slijpen. Dicht tegen elkaar aangedrukt, al dan niet stijve pik tegen kut. Een vorm van protest tegen hetgeen we geleerd hadden op onze dansscholen. Al naar gelang de geloofsrichting werd de ruimte tussen de partners bepaald. Bij de gereformeerden bij voorbeeld moest er ten minste een bijbel tussen kunnen en het al te nadrukkelijk betasten van de ontblote bovenarm van je danspartner werd in katholieke kring al snel gezien als een onzedelijke handeling. Dat slijpen was dus een grote vooruitgang en daarna ging de beer helemaal los. Eind jaren zestig was het in bepaalde kringen in de hoofdstad gebruikelijk een feest te geven, waar men zich bij voorkeur van de kleren ontdeed. Daarna was het graaien wat je graaien kunt. Volkomen terecht werden deze party’s dan ook aangeduid met groepsseksparty’s.

Nu in het AIDS-tijdperk haalt niemand dat meer, in deze onbekommerde vorm, in zijn hoofd. We zijn sadder and wiser geworden. Maar ik denk wel eens, we zijn ook eenzamer geworden. Meer alleen dan tien, twintig jaar geleden. Als ik al die alleen dansende jonge mensen zie, die zich in zichzelf terugtrekken met house en eventueel XTC, dan bekruipt mij een gevoel van intens medelijden; net zoals wanneer ik die voor een spiegel met zichzelf dansende homoseksuelen zie in d hoofdstedelijke IT. Zou het nu echt zo lekker zijn om zo heel alleen door de wereld te gaan? En waar is die hooghartige afwijzing van de buitenwereld, van de ander, op gebaseerd? Of is het de angst voor die buitenwereld, voor die ander, die hen drijft naar dit zelfgekozen isolement? Of zijn het de vragen van een oude zak die de nieuwe tijd niet begrijpt, net zoals mijn ouders dat geslijp niet begrepen?

Deze column is verschenen in Sum september 1992

Op jezelf wonen


Er zijn dit jaar weer duizenden jonge mensen toegestroomd naar de grote en wat kleinere steden. Allemaal net begonnen aan het eerste jaar van de studie aan de universiteit of de HEAO, de HTS, het conservatorium of de kunstacademie. Een enkeling heeft zich ingeschreven bij de Hogere Zeevaartschool, bij de Marine of de Land- of Luchtmacht. Zij zitten nu in een internaat. Dat zal best even wennen zijn, zo dicht opeen gepakt met een groep jonge mannen en vrouwen met wie je van nu af vrijwel alles samen moet doen, van de studie tot de afwas. De eerstejaars aan de universiteit en het HBO zijn voor het overgrote deel op zichzelf gaan wonen. Hebben al dan niet met een beetje mazzel een kamer gevonden of behelpen zich nog eventjes met een tent of een caravan. Allemaal natuurlijk hartstikke spannend. Voor het eerst zelf je dag indelen zonder aan iemand verantwoording te hoeven afleggen. In principe kun je doen waar je zin in hebt. Zelfs thuis komen op die tijdstippen die je goeddunkt, of helemaal niet thuis komen en dat alles zonder dat er lastige of bezorgde vragen worden gesteld. De hele wereld ligt voor je open. Er valt een hoop te ontdekken. Er zijn verenigingen die je met de eerste schreden op deze spiksplinternieuwe weg terzijde kunnen staan. Ze maken het gemakkelijker voor je om nieuwe contacten te leggen, vriendschappen aan te gaan soms zelfs voor het leven en om die zee van tijd in te delen die nu voor je ligt. Daarnaast moet er natuurlijk ook worden gewerkt. De studie zal spoedig een deel van die overvloedige tijd opslokken. En je zult in het begin dikwijls moe zijn van al die nieuwe indrukken die je opdoet, van al die nieuwe gezichten waar je kennis mee moet maken. Maar dat went snel en dat betekent dat je je aandacht en energie kunt gebruiken om een beetje dieper te graven.

Als je het goed uitkient kun je een hoop plezier en verstrooiing hebben de komende maanden. Er is immers van alles te doen. Maar tussen al dat nieuwe en al die leuke dingen die op je afkomen zit wel eens een slecht moment. Dan zou je gewoon weer bij je moeder aan tafel willen zitten. Je voelt je eenzaam, onbegrepen en alles zit tegen. En die nieuwe vrienden en vriendinnen? Eigenlijk een beetje oppervlakkig, veel geschreeuw en wat heb je aan ze. Het is dan niet erg om je OV-Kaart te pakken en een dagje of avondje naar je moeder te gaan. Die vindt dat altijd leuk en voor haar hoef je je niet groot te houden. Als het je gebeurt, denk je dat het jou alleen gebeurt. Maar zo is het niet. Het is zelfs heel normaal dat je na al die opwinding over je nieuwe leven een terugslag krijgt. En dat is ook nuttig. Neem je weer even wat afstand en kun je opnieuw je koers bepalen.

Veel mensen en vooral ook docenten denken dat het belangrijkste dat je de komende jaren kunt doen bestaat uit het opzuigen van de kennis die je wordt aangeboden. Niets is echter minder waar. Als het goed is gaat dat opnemen van de aangeboden kennis op een gegeven moment vanzelf. Gewoon omdat je er plezier in hebt. Heb je dat niet dan is het de hoogste tijd om eens na te denken waarom je op die universiteit of HBO-instelling zit. Je leven is te kort, al lijkt dat nu zo eindeloos lang, om je tijd te gaan zitten verdoen met een opleiding waaraan je geen plezier beleeft. Naast die overdracht van kennis gaat het om iets veel belangrijkers: vorming, vorming en nog eens vorming. In deze periode groei je naar volwassenheid. Doe veel ervaring op, vooral met mensen. Geef je ogen en je hart de kost. En doe vooral de dingen met plezier. Studeer wat je studeren kunt, maar studeer met name zaken die je interessant vindt, die je boeien. Het kan een mooie tijd zijn, het studentenbestaan. Het komt nooit meer terug en is maar kort. Sla je slag, want het leven is een loterij met vele nieten!

Deze column is verschenen in Sum oktober 1992

Gebrek aan nieuwsgierigheid


Zo, we hebben dat protest van jullie over de tempobeurs weer achter de rug. Een uitstekend idee overigens van die minister Ritzen. Een betrekkelijk slappe en kleurloze minister van Onderwijs en Wetenschappen, maar op dit punt heeft hij gewoon gelijk. Wie niet op tijd studeert ziet maar uit naar een andere manier om in zijn of haar levensonderhoud te voorzien. Al te goed is tenslotte buurmans gek! Wij betalen belastingsgeld, waar onder meer studenten van worden onderhouden, een uitstekende zaak, maar daar dient dan tegenover te staan dat men op zijn tijd studeert. En die studie valt in de meeste gevallen echt wel mee, want jullie worden door ons bepaald niet overvraagd.

Er is echter iets anders wat me al langer dwars zit dan dat gejeremieer over jullie inkomen en dat is dat ontstellende gebrek aan nieuwsgierigheid. Jullie lezen niets meer, vragen niets meer en lijken jullie behalve over House en XTC nergens meer over op te winden. Wat zijn dat voor jonge mensen die niet intens nieuwsgierig zijn en geen boek of tijdschrift meer aanraken? Zijn jullie van plan om een leven te leiden van nooit geleefd? Van huisje boompje beestje, van verzorging en vermaak van de wieg tot het graf? Het is maar een betrekkelijk kort stukje van je geboorte totdat je tussen die zes planken ligt, waar we tenslotte allemaal eindigen. In die tussentijd moet je er wat van maken. Je moet plezier hebben, leuke reizen maken, maar er is echt meer dan dat.

Als je mag studeren is dat een groot voorrecht. Het is een periode waarin je je tijd helemaal zelf in kunt richten. Je kunt besluiten om van je studie ècht iets te maken. Dat betekent zelf ideeën ontwikkelen, in plaats van de hapklare brokken te slikken die je docenten je voorschotelen. Dat betekent met die docenten in discussie gaan en zlefs diepgaand met hen van mening verschillen. Je kunt je zorgen maken om de wereld om je heen. Genoeg te doen zou ik zeggen. Naast het milieu, veel conflicten in de wereld blijft ook ons werelddeel daar niet bepaald van verschoond. Denk alleen maar eens aan Joegoslavië en de voormalige Sovjetunie. Heb je de situatie daar als eens in ogenschouw genomen? Wellicht een aardig idee om in plaats van op wintersport te gaan een reisje te maken naar een van de landen in Oost-Europa of de voormalige USSR om de situatie daar in ogenschouw te nemen. Misschien ook een aardig idee voor een stage en/of een scriptie. En wie weet wordt het nog iets en ga je er straks een tijdje heen om daar iets te ondernemen, want naast een berg problemen tref je daar natuurlijk een heel scala aan mogelijkheden waar je hier slechts van kunt dromen.

Om dat allemaal goed te doen moet je wel op de hoogte zijn en je vak beheersen en dat betekent lezen, lezen en nog eens lezen. Er verschijnen elke maand weer karrevrachten aan interessante boeken, artikelen en tijdschriften. Het is nauwelijks te behappen. Maar jij hebt de tijd, alle tijd om je eraan te overeten. Die gelegenheid krijg je na je studie naar alle waarschijnlijkheid niet meer in die mate. En je kunt het gratis en voor niemandal doen op onze kosten. Die universiteitsbibliotheek en die openbare bibliotheek staan tot jullie dienst. Dikwijls toegerust met uiterst vriendelijk en behulpzaam personeel dat je helpt bij het uitzoeken van hetgeen van je gading is. Dat je adviseert als je iets wil weten. En ze hebben ook allemaal van die heerlijke leestafels, waarop heel veel kranten en tijdschriften liggen uit Nederland maar ook ver daarbuiten. Waar wachten jullie eigenlijk nog op, oenen? Pak je kans want morgen is ie er niet meer!

Deze column is verschenen in Sum november 1992

LSVb idealistisch en niet representatief clubje


Nederland is een overgeorganiseerd en overgeïnstitutionaliseerd land. Voor ieder belang en belangetje richten we een belangenbehartigingsclubje op. Dat clubje zorgt er binnen de kortste keren voor dat het een subsidie krijgt. Door het verwerven van subsidie is het clubje niet langer meer afhankelijk van de klanten wier belangen zij behartigt. Pas dan kan het echte grote werk beginnen. Dan kun je professionaliseren, d.w.z. allerhande deskundigen aantrekken die de belangen van je leden gaan behartigen op een manier waar de leden bij de oprichting van het clubje in de verste verte niet van konden dromen. Het mooiste wordt het indien het clubje naast subsidie ook nog een officiële erkenning van de overheid krijgt en door de overheid wordt belast met taken die door de wetgever worden afgedekt. Het private clubje mag dan, afgedekt door de wet, ook niet-leden te dwingen zich te houden aan de regels die het clubje opstelt. Overigens regels die helemaal niet democratisch tot stand zijn gekomen, omdat het clubje door de subsidie of bij de wet geregelde verplichte contributie helemaal niet meer afhankelijk is van de leden.

Voorbeelden van dit soort clubjes zijn de Kamers van Koophandel of de CAO.

Ondernemers zijn verplicht om een deel van hun winst af te dragen aan de Kamers van Koophandel. In ruil daarvoor worden hen diensten aangeboden, waarom ze nimmer hebben gevraagd en waarop ze ook geen enkele invloed hebben. Van directe zeggenschap is in het geheel geen sprake. Het bestuur van de Kamer van Koophandel wordt immers weer samengesteld en benoemd door andere, door de wetgever erkende clubjes, zoals de erkende verenigingen van werkgevers en werknemers. Indien je géén lid bent van zo’n clubje moet je wèl contributie betalen, maar heb je geen enkele zeggenschap, zelfs niet om je stem uit te brengen. Het tweede voorbeeld, de CAO, is een kwestie van contract tussen twee partijen. Meestal een contract tussen de werkgeversorganisatie en een of meer erkende vakbonden. Het resultaat van hun onderhandelingen wordt meestal door de minister van Sociale Zaken algemeen verbindend verklaard. Dat wil zeggen dat de door de erkende organisaties afgesloten cao dwingend wordt opgelegd aan alle bedrijven en werknemers in de desbetreffende branche. Dus ook aan al die bedrijven en werknemers die op geen enkele manier betrokken zijn geweest bij de onderhandelingen over de cao. Dit zijn twee voorbeelden uit zeer, zeer velen. Het hele land is vergeven van dit soort clubjes dat van alles en nog wat regelt onder het motto: voor u, zonder u en van uw geld!

De LSVb, de vertegenwoordiging van studenten van het WO en het Hoger onderwijs, is ook zo’n clubje dat werkt volgens hetzelfde motto. De Landelijke Studenten Vakbond, de naam alleen al, vertegenwoordigt alle studenten tegenover de media en uiteraard tegenover de minister van Onderwijs en Wetenschappen, ons aller Ritzen. Op plaatselijk niveau doen ze hun best studenten te vertegenwoordigen tegenover de Colleges van Bestuur en de bestuurderen van scholen en faculteiten. Dit is natuurlijk allemaal prachtig maar met vertegenwoordiging, laat staan democratische vertegenwoordiging, heeft het allemaal niets te maken. De LSVb vertegenwoordigt een heel klein groepje studenten. De grote massa van de studenten heeft geen interesse voor de LSVb. Deze studentenbond hoeft daar ook helemaal niet zijn best voor te doen. Want deze fopspeen der belangenbehartiging wordt door de bestuurderen weer ruimhartig direct en indirect gesubsidieerd, bij voorbeeld in de vorm van logistieke ondersteuning. Voor hen is dat ook wel gemakkelijk. Voor een paar grijpstuivers hebben ze immers een gesprekspartner die de pretentie heeft studenten te vertegenwoordigen en dat is een tijd van formele democratie mooi meegenomen. Voor het oog van de wereld klopt het en kun je je bestuurlijke gang gaan.

De LSVb leent zich hiervoor ten volle. Het meest ridicuul gebeurt dat in het overleg met de minister van Onderwijs en Wetenschappen. Een handjevol studenten bespreekt daar met de minister de belangen van het student. Het wordt tijd dat de LSVb ervoor zorgt dat het echt een representatieve organisatie wordt. Dat betekent massaal leden werven. Dat betekent van de contributie van de leden een bescheiden belangenbehartigingsapparaat opbouwen. Dat betekent afschaffing van alle directe en indirecte subsidies aan de LSVb, opdat het een krachtige van de leden afhankelijke organisatie wordt. Pas dan gaat een minister van Onderwijs en Wetenschappen terdege rekening houden met de LSVb. Tot het zover is doet Ritzen er verstandig aan met de LSVb-vertegenwoordigers slechts een kopje thee te drinken. Dat zou de duidelijkheid over de positie van de LSVb zeer ten goede komen.

Deze column is verschenen in Sum december 1992

Studenten als eeuwige consument


Studenten stellen zich tegenwoordig heel zakelijk op tegenover het onderwijsaanbod van universiteiten en scholen voor hoger beroepsonderwijs. In de tijd dat ik de universiteit bezocht, eind zestiger begin zeventiger jaren, was dat nog heel anders. Wij zaten in de periode van de grote discussies. Debatten die werden gevoerd over niets minder dan de inrichting van de maatschappij en daarmee verbonden het doel en de manier van wetenschappelijk onderzoek en onderwijs. En passent werd er ook nog heftig van mening verschild over de manier waarop de ideale instelling van wetenschappelijk en hoger beroepsonderwijs bestuurd diende te worden.

Er is ondertussen veel bereikt. De maatschappij is een stuk minder autoritair geworden. De vader in de letterlijke en overdrachtelijke zin, een blanke man wel te verstaan, is wat zijn macht betreft letterlijk onttroond. Niemand pikt het meer om met behulp van machtsargumenten de wet voorgeschreven te krijgen. Het ‘omdat ik het zeg’ volstaat niet meer om iets in gezin, onderwijsinstelling of bedrijf voor elkaar te krijgen. Leidinggevenden moeten vandaag de dag hun best doen om mensen te overtuigen. Doen ze dat niet, dan wordt er ja gezegd en nee gedaan.

De vakinhoud van menige tak van wetenschap is drastische veranderd. Afwijkende opvattingen worden niet alleen geduld, maar zelfs gestimuleerd omdat zij bijdragen tot een verdieping van kennis en inzicht. De instellingen van beroeps- en wetenschappelijk onderwijs zijn ten slotte wat de bestuursvorm betreft radicaal gedemocratiseerd. En toch wringt er iets en bij nader inzien iets buitengewoons essentieels.

Ondanks al die verworvenheden is de betrokkenheid bij wetenschap en onderzoek van studenten er niet op vooruit gegaan. Integendeel! Vaak waan ik mij in een soort zelfbedieningswinkel of fabriek als ik te maken heb met universiteiten en instellingen voor hoger beroepsonderwijs. Dat gevoel wordt verstrekt door de manier waarop deze instellingen worden gemanaged en door de houding van de studenten. De meeste studenten vertonen weinig of geen betrokkenheid met de instelling waar zij studeren. Het is een houding van ‘het zal mijn tijd wel duren’. Ik pik eruit wat van mijn gading is en voor de rest zoeken ze het maar uit.

Deze houding betreft niet alleen de instelling van onderwijs, maar ook de vakken die ze bestuderen. Over de inhoud van het vak, de problemen die het vak stelt en vooral ook niet stelt, de wijze van onderzoek, het zijn allemaal invalshoeken waarvoor de huidige student niet of nauwelijks warmloopt. Hij of zij pikt er datgene uit wat van zijn of haar gading is en dat is het dan. Terwijl een kritische houding ten opzichte van het vak, in de zin van de onderwerpen die wel en niet in het vizier komen en de methoden van onderzoek die worden gehanteerd, uiterst vitaal is voor de dynamiek van het vak. Als die dynamiek verdwijnt, dan is het vak op den duur ten dode opgeschreven.

Daarover maak ik mij grote zorgen, want de studenten van nu zijn de wetenschappers, de beroepskrachten, de directeuren en de politici van morgen. Ik kan mij niet voorstellen dat zij die functies goed kunnen uitoefenen vanuit de consumentenhouding die zij thans als studenten aannemen. Dat is èn te passief èn te onbetrokken bij het wel en wee van iets dat je zou kunnen duiden als het geheel. Het zal ons nog opbreken, al die onderwijs- en onderzoeksfabrieken. Zij kweken onbetrokken consumenten, de leiders van morgen. Ons soort samenlevingen zullen in dat geval ten onder gaan aan onbetrokkenheid. Een somber perspectief zo aan het begin van het nieuwe jaar: 1993!

Deze column is verschenen in Sum maart 1993

Gaan tevredenheid en creativiteit samen?


Er is een cliché dat zegt dat een ongelukkige jeugd een goudmijn is voor een schrijver. Zoals met veel clichés een waarheid als een koe! Maar laten we het eens omdraaien. Is het mogelijk scheppend bezig te zijn vanuit een situatie van volmaakt geluk? Ik denk het niet en vind daar met gemak de voorbeelden bij. Wolkers, een van de hele grote schrijvers uit mijn middelbare schooltijd, schreef de prachtigste boeken toen hij nog leefde als een beest en toen hij de peilloze beklemming voelde van het gereformeerde milieu waarin hij als puber opgroeide. Nadien is Wolkers gelukkig geworden. Hij maakt ons te pas en te onpas deelgenoot van dat geluk. Twee fantastische zonen, een zo mogelijk nog geweldiger vrouw en dat alles gesitueerd in de paradijselijke omgeving van het eiland Texel. Ik vind Jan Wolkers een oninteressant mens geworden, zijn boeken blijven achterwege en de beeldende kunst die hij baart is een gladde Ons-Soort-Mensen-kunst geworden. Een verontwaardigde Wolkers op zijn in puin geslagen Auschwitz-monument. Fel het racistische van deze daad veroordelend, daarin gesteund door de larmoyante burgemeester van Amsterdam Ed van Thijn. Helaas voor Wolkers en al die anderen, werd zijn monument niet vernield door een racist maar door een gemankeerde glaskunstenaar. Of neem Willem Frederik Hermans, een weergaloos schrijver in de jaren vijftig en zestig. Nu een op zijn roem terende mopperkont te Brussel.

Alleen Gerard Reve is nog even depressief en ongelukkig als aan het begin van zijn schrijverscarrière. Hij is moe geworden van zijn eigen ongeluk en delft daarom slechts de schatten op uit de eerste vijfentwintig jaar van zijn schrijversloopbaan. En dat levert nog steeds prachtige kunst op in de vorm van brievenboeken, die alleen een Reve weet te vervaardigen. Harry Mulisch is een hoofdstuk apart. Harry is niet zozeer gelukkig, alswel uiterst gelijkmatig. Ik houd niet van Harry, maar ben wel onder de indruk van zijn prachtige roman Het stenen bruidsbed waarin de sfeer van naoorlogse ontreddering zo krachtig wordt neergezet. Dit vluchtige onderzoekje - verre van representatief, laat staan wetenschappelijk verantwoord - leidt tot de conclusie dat uit geluk en tevredenheid niet veel goeds kan voortkomen. Dat levert een merkwaardige paradox op. Enerzijds doet onze cultuur niets anders dan ons een jong, gelukkig, harmonieus en tevreden leven aanprijzen, anderzijds blijkt de realisatie van dit ideaal weinig anders op te leveren dan saaiheid, inertie, en blijven de mooie kunstwerken of de grote wetenschappelijke produkten achterwege. Geluk en ongeluk zijn echter moeilijk te regisseren. Het overkomt je, in beide gevallen. Zeker, er is sprake van predestinatie als het aankomt op ongelukkig of gelukkig worden. Freud, maar ook heel veel andere wijsgeren, heeft daar een boekenkast over vol geschreven. Al die kennis over de oorzaken van geluk en ongeluk stelt ons evenwel niet in staat om beide een handje te helpen. Het komt en verdwijnt dikwijls zomaar, zonder dat we er iets aan kunnen doen. Het enige dat we wel in eigen hand hebben is het beleven van geluk en ongeluk. We kunnen die gevoelens onder het tapijt werken dan wel ze ten volle beleven. Dat laatste lijkt me een voorwaarde om überhaupt scheppend bezig te kunnen zijn.

Veel van die oninteressante kunst en wetenschap wordt geproduceerd door saaie, tevreden en op het oog gelukkige mensen. Schud je eigen kussens regelmatig op, dan heb je ten minste een kans dat er iets uit je handen komt dat de moeite waard is. Kortom, ik wens je naast een portie geluk een flinke dosis ongeluk toe, opdat die cultuur van ons nog een paar mooie kunstwerken en een aantal goede wetenschappelijke studies zal opleveren!

Deze column is verschenen in Sum april 1993

Geen titel

Over ons land doet het bekende cliché de ronde van de koopman en de dominee. Let wel, in die volgorde. Hollanders staan in het buitenland bekend als uitermate gewiekste zakenlieden die zeer op de penning zijn, bij het gierige af. We worden ervaren als uitermate betrouwbaar, een afspraak is een afspraak, maar ook als erg materialistisch en benepen. We hebben de naam te denken dat alles in geld uit te drukken valt. De calculerende burger, de calculerende overheid en het calculerende bedrijf zijn ons dan ook op het lijf geschreven. Dit alles neemt niet weg dat we bij tijd en wijle, zolang het ons niet al teveel kost, graag de dominee spelen in de zin van zedenmeester.

Psychoanalytisch beschouwd zou dat zedenmeesterschap wel eens de broodnodige compensatie kunnen zijn voor onze materialistische zucht naar geld. Wij ervaren deze twee volkseigenschappen zèlf allerminst als tegenstrijdig, laat staan dat we een spanningsverhouding constateren waar we moeten leren omgaan. Integendeel, we moraliseren er met verve op los en vergeten tegelijkertijd de eigen portemonaie niet. De moraal geldt immer anderen, zelden ons zelf.

De minister van justitie en in zijn kielzog onze minister-president vinden het tijd worden voor hernieuwde moralisering van onze samenleving zonder de hand ook maar een moment in eigen boezem te steken. Burgers horen niet te calculeren, burgers horen zich aan de door de politiek gestelde regels te houden, bijstand trekkers mogen niet zwart of grijs bijverdienen of bijelkaar in te kruipen zonder de overheid daarvan te verwittigen, studenten moeten hun bijverdiensten opgeven opdat deze verrekend kunnen worden met hun beurs etc. Nimmer wordt de vraag gesteld, laat staan beantwoord, of het niet eens tijd wordt om de regels zodanig te veranderen dat al die controle niet meer nodig is. Kortom, pas de regels aan aan de maatschappelijke werkelijkheid en probeer niet steeds de maatschappij te dwingen in het procrustusbed van oneigenlijke en te krappe regelgeving.

Het gemoraliseer grijpt op het ogenblik als een epidemie om zich heen. Het vervelende van gemoraliseer, hetgeen iets anders is dan het formuleren en het handhaven van morele standaarden, is dat het het zicht op de werkelijkheid zo in de weg staat. Het belemmert een goede analyse en wat wellicht nog belangrijker is het staat oplossingen voor problemen ontzettend in de weg. Een goede aanpak van het probleem van ontsporende jongeren, in de zin van het leren van een vak en het verwerven van een baan is niet gediend met moralistische discussies over kampementen. Een kampement kàn in bepaalde situaties een nuttig middel zijn, niet meer en niet minder. Gemoraliseer leidt de aandacht af van goede analyses en oplossingen. De slotfase van zo'n hoos aan gemoraliseer is immers de nierenproeverij. Deze nierenproeverij is gericht op personen. Bepaalde door zichzelf benoemde keurmeesters stellen dan vast of je opvattingen deugen en of je ze in de juiste fora naar voren brengt. In de Verenigde Staten van Noord Amerika zijn ze daar heel sterk in. We hebben daar de heksenjacht gekend op mensen met afwijkende opvattingen in de vijftiger jaren door McCarthy en heden ten dage zijn het de family values die bepalend zijn voor het mogen aanvaarden van een publiek ambt.

Ons land is inmiddels ook aardig op weg. Op zijn eigen manier. Daar mag een openlijke homosexueel niet optreden bij de Evangelische Omroep omdat die omroep tegen homosexualiteit zou zijn. Of mogen Christelijke scholen homosexuele leerkrachten niet mijden omdat een dergelijke norm van staatswege niet wordt geaccepteerd. Ik zou zeggen leven en laten leven. Daar hebben we allemaal belang bij. Pas als een dergelijk adagium individuen en groepen echt in de verdrukking brengt is overheidsingrijpen op zijn plaats. En voor wat het gesproken en geschreven woord betreft geldt: alles mag binnen de grenzen van de wet en het oordeel daarover is aan de onafhankelijke rechter. Zelfbenoemde openbare scheidsrechters kunnen we in dezen missen als kiespijn!

Deze column is verschenen in Sum juni 1993

Studenten en zaken doen


Wat ik het leuke vind aan de huidige generatie studenten is dat er zulke ondernemende types onder zitten. Ik moet er wel direct bij vertellen dat het naar mijn waarneming vrijwel altijd om mannelijke studenten gaat. Onder de vrouwelijke studenten ken ik veel hardwerkende, intelligente types, maar onderneemsters, neen, ik kan er geen enkele noemen. Ik zal een paar voorbeelden geven.

Zelf word ik nu alweer zes jaar in het land rondgereden door de Rotterdamse corpsstudenten die het chauffeurbedrijf ‘James’ exploiteren. Ik ben erbij geweest vanaf het prille begin. Zes jongens die gewoon een bedrijfje beginnen. In de krant hadden ze gelezen dat ik mijn universitaire werk in Groningen had neergelegd en in Rotterdam voor mezelf was begonnen. Een moeilijk begin. Ik had geen nagel om aan mijn kont te krabben. Gaat de bel in mijn flatje aan de Mariniersweg. Twee keurige jongemannen, een beetje verlegen lachend. Of ze binnen mochten komen. Daarna een uiteenzetting over hun bedrijf en of meneer Fortuyn maar even klant bij hen wilde worden. Ik schiet in de schaterlach en leg hun mijn situatie uit. Ik kan nauwelijks rondkomen en een auto kan er al helemaal niet af. Ik word schalks aangekeken en hun reactie is: wij schatten u anders in, dat komt wel goed met u.

Inderdaad, nog geen drie maanden later zitten de heren van James achter het stuur van mijn eerste, voor het doel van rustig en chique vervoer wat te snelle bolide. Het bedrijf telt inmiddels ruim veertig chauffeurs die professionele diensten op een studentikoze wijze verlenen aan tout Rotterdam dat zich bij tijd en wijle wil laten verwennen. De jongens zijn er altijd, 24 per dag, nooit ziek, nooit baaldagen, tegen een redelijke prijs. Ook in de studentensteden Groningen, Utrecht en Leiden zijn dergelijke bedrijven aanwezig. Naar ik mij heb laten vertellen tegen iets minder billijke tarieven.

Ik had de OV-studentenkaart nog niet op de plank liggen of er schoten een tweetal koeriersbedrijven als paddestoelen uit de grond. Een in Leiden en een in Groningen. De idee achter de koeriersbedijven is even intelligent als eenvoudig. Gebruik je OV-kaart voor het vervoer van pakjes waaraan persoonlijke zorg moet worden besteed. Het bedrijf in Leiden heb ik als directeur van de OV-Studentenkaart B.V. mogen inwijden. In Groningen was dat niet nodig, want daar beschikten ze over een ondernemende prins van Oranje-Nassau die de nodige publiciteit vanzelf naar zich toetrok.

En in jullie tenslotte was ik eregast op een boekpresentatie. Martijn van den Heuvel heeft gedurende anderhalf jaar alle studentensteden bezocht op zoek naar cafés en eethuizen waar je als student of jong-werkende, goedkoop en lekker kunt eten. Het resultaat is het boekwerk ‘Goedkoop en lekker eten in studentensteden’, uitgegeven door Bruna. Bij de presentatie merkte Martijn zelf op dat het een uitstekend geschreven boek is. En ik moet bekennen, hij heeft gelijk. Het leest lekker weg, is af en toe zelfs geestig en staat boordevol informatie over de goede en goedkope eetgelegenheden in jouw studentenstad. De leperd heeft er nog studiepunten voor los weten te peuteren. Ik heb hem bij het in ontvangst nemen van het eerste exemplaar wel gezegd dat hij die studiepunten van deze prof niet gekregen zou hebben, maar hem wel uitvoerig geprezen om zijn ondernemerschap.

Kortom een leuke generatie studenten met zakelijk ingestelde, ondernemende studenten. Daar mag je de komende jaren wel iets van verwachten. Als ze nu ook nog wat meer geïnteresseerd raken in de grote vraagstukken waar onze maatschappij mee worstelt, dan komt het wel goed met onze jongens van Jan de Wit. Nu de meisjes nog, zet haar op dames!

Deze column is verschenen in Sum augustus 1993

Geen titel

Als ik in 1967 in Amsterdam sociologie ga studeren is een ontgroening nog een ontgroening. Preciezer gezegd: het is het laatste jaar waarin de Nederlandse corpora nog een vooraanstaande positie innemen. En dat zal ik weten. De meeste corpora scheren de 'foeten' nog kaal. Vernedering van de 'foeten' is standaard en de bekende corpsgrappen ontbreken niet. Immer worden je opdrachten gegeven en vragen gesteld waarop je aIleen maar verkeerd kan reageren. Maar het is niet alles kommer en kwel. Het gemeenschappelijk afknijpen brengt al snel een sfeer van onderlinge solidariteit. En het biergevecht op het Museumplein dat wij Thomaten van het katholieke corps hebben met het gereformeerde corps van de VU is een waar hoogtepunt. Dagenlang hebben we ons erop voorbereid, compleet met liederen van een uitermate beledigende strekking voor het gereformeerde volksdeel, zoals wij katholieken door de gereformeerde corpskloten niet worden ontzien. De verliezende vereniging is, zo wil de traditie, na het gevecht verplicht de winnende vereniging te onthalen op onbeperkt en gratis bier drinken op de eigen societeit. Onze maatschappij heet Amstelbier; die van de VU-ballen Heineken. Heineken hangt dus in 1967.

Daarnaast wordt er gekampeerd, toneel- en cabaret gespeeld en ook de kunst der retorica mag zich in een grote belangstelling verheugen. Na afloop van de groentijd begint het fleuren van de disputen. Onze disputen zijn verticaal georganiseerd, hetgeen wil zeggen dat de leden afkomstig zijn uit alle jaren die de studentenpopulatie kent. Dat is erg leuk, want op die manier zit je als achttienjarige samen in een dispuut met bij voorbeeld vijfentwintigjarigen. De gemiddelde studieduur is in die tijd nog zo'n acht jaar. Die ouderejaars vinden wij jongerejaars natuurlijk reuze spannend. Dat zijn reeds ervaren heren die soms al uitkijken naar een verloofde. De ouderejaars rijn over het algemeen leuke jongemannen, de tweedejaars echter ware etterbakken. De meesten van hen nemen wraak op de eerstejaars om hetgeen hun het jaar daarvoor tijdens de ontgroening is aangedaan. De ergste slachtoffers van toen ontpoppen zich op die momenten als de grootste beulen.

In 1968 belanden de corpora over het hele land in een crisis. De studentenbeweging is inmiddels een echte beweging geworden, waaraan duizenden studenten deelnemen. De corpora hebben zich steeds tegen hen afgezet met ouderwets gebral over gezag en orde en de noodzaak om de hoogleraar te laten verblijven in zijn toenmalige ivoren toren. Iedereen die wat wil, voelt zich in een dergelijk conservatief milieu al snel niet meer thuis. De meeste corpora lopen dan ook leeg als een lekke band, en de andere maken moeilijke tijden door. De studentenbeweging is veel spannender. Daar gebeurt tenminste iets, en je ontmoet er de leuke mensen en hebt er gezellige feesten waar vrijelijk met hasj, weed en seks werd geëxperimenteerd. En dat is heel wat voor al die middenklasse jongetjes die van thuis vrijwel niets mogen. Inmiddels zijn we twintig jaar verder en hebben we de wonderbaarlijke wederopstanding van de studentencorpora al weer achter de rug. Het zijn nu dikwijls levendige moderne verenigingen waar de klassieke bal nog wel rondhangt, zij het door de verkorte studieduur veel minder lang dan toen, maar waar ook jonge mannen en vrouwen hun vertier zoeken, die van hun studie en hun leven daarna echt iets willen maken. Dat heeft de sfeer in de corpora ingrijpend veranderd. Ik zou haast zeggen dat het allemaal wat volwassener en minder autoritair en ballerig is geworden. Een hele vooruitgang. Tenslotte geeft zo'n corps met name in je eerste studiejaren een prettig houvast. Je ontmoet er je vrienden en vriendinnen en op zijn tijd kun je er lekker doorzakken. Kortom, corpora voorzien in een behoefte en ik hoop dat velen van jullie de weg naar het corps weten te vinden en er een leuke tijd zullen hebben die je je later met veel plezier zult herinneren.

Deze column is verschenen in Sum september 1993

De nieuwe jeugd


De resultaten van het onderzoek Jeugd 1993 zijn net van de persen gerold en dat is dus smullen geblazen. Er zijn tal van instanties en bedrijven die zeer geïnteresseerd zijn in de ontwikkeling van de jeugd. Ze zijn immers de beleidsbepalers en trendsetters van morgen. Er wordt in jeugd ’93 een uitermate sympathiek beeld geschetst van de aanstormende generatie. De huidige student is volgens soortgelijk onderzoek erg gesteld op comfort en materiële zaken. Het maken van carrière staat bij jullie in hoog aanzien en jullie houden daar bij het maken van jullie studiekeuze al terdege rekening mee. Zo zeer zelfs dat jullie ongeveer allemaal hetzelfde doen. Veel, erg veel studenten kiezen voor economie, rechten en bedrijfskunde. De wetten van de markt zullen tegen de tijd dat jullie zijn afgestudeerd meedogenloos toeslaan. Nu al weten marktonderzoekers te melden dat er juist in die vakken een enorm overschot op de arbeidsmarkt zal ontstaan. Het wordt straks dringen geblazen en dat zal zeker ook aan de aanvangssalarissen te merken zijn. Maak jullie borst maar nat. Het wordt straks knokken om een baantje en het salaris zal, zeker in het begin, dik tegen vallen.

Maar dan degenen die na jullie komen. Die blijken een stuk weerbaarder te zijn. Ze zijn minder in materiële zaken geïnteresseerd en het is hen meer te doen om individuele ontplooiing dan om carrière. Dat maakt de zaak direct eenvoudiger. Voor het maken van carrière ben je sterk afhankelijk van je omgeving. Zelfontplooiing heb je echter meer in je eigen hand. Daarnaast zijn ze betrokken bij maatschappelijke zaken en scoort ook de zorg voor het milieu hoog. Het moet echter wel overzichtelijk blijven. Grote anonieme verbanden zijn niet in trek en men moet zelf een actieve rol kunnen spelen. Samenvattend: jullie concurrenten zijn zakelijk, maatschappelijk betrokken, praktisch en minder materialistisch. Als je dit beeld afzet tegen hetgeen je om je heen ziet dan denk je, dit is een generatie van aanstormende heiligen. Ze willen het goede, maar met mate. Mijn generatie, de babyboomers (1948), wilde ook het goede maar dan zonder maat te houden. Het motto van mijn generatie zou met gemak kunnen zijn: alles of niets!

Alles of niets en wat is daar nu van terecht gekomen? Ik behoor tot de weinigen die het motto trouw is gebleven en of dat verstandig is moet nog blijken. De meesten van mijn generatie zitten nu op pluche banken en delen de lakens uit. Ze zitten jullie danig in de weg op de universiteiten en de arbeidsmarkt. Het zijne echte gevestigden geworden, ‘houden wat je hebt’ ligt hen voor in de mond bestorven. Weliswaar zijn de praatjes dikwijls anders, maar het handelen laat niets aan duidelijkheid te wensen over. Als er ingeschikt of ingeleverd moet worden, dan zijn het altijd de anderen die dat moeten doen.

Zo’n ervaring stemt tot nadenken en op zijn minst tot het relativeren van het soort onderzoek als jeugd 1993. Dat relativeren heeft niet zozeer op de onderzoeksresultaten betrekking alswel op de gevolgtrekkingen. De meeste mensen zijn na hun jonge jaren gesteld op comfort, veiligheid en zekerheid. Weinig opwindend maar kennelijk zeer nastervenswaardig. Wil je van je leven iets maken, dan zul je het zelf moeten doen. Dat gold voor mijn generatie en geldt voor die van jullie. De jeugd 1993 weet dat echter nu al, 16-17 jaar oud, en dat is mooi meegenomen!

Deze column is verschenen in Sum november 1993

Prins Andrew


Daar zit ik dan in zijn boxershorts met mijn pik op de plaats waar enkele uren geleden zijn pik nog zat, met het linnen gespannen rond mijn kont dat zo weinig uren geleden zijn kontje nog omspande.
Prins Andrew, 21 jaar, Bulgaarse moeder, Engelse vader, maar eigenlijk geen vader. Prins Andrew heeft zich gisterenmiddag op het strand een nieuwe vader verworven.

Praten, praten, redeneren, en de gevoelens heel, heel diep weggeborgen. Gesluierde ogen waar slechts af en toe het licht van de viriliteit door heen breekt. Gegeten, gedronken, daarna naar bed, mijn bed. Van een grote onbeholpenheid en soms ook weer zo perfect. Zijn hoofd in de kom van mijn nek en rechterarm, liggend op mij, zijn rechterbeen gedrappeerd tussen mijn benen, licht gekromd, onderwijl zachtjes neukbewegingen makend, terwijl ik met mijn handen zijn stevige volmaakte billen kneed. Onze lichamen passen op dat moment op een manier in elkaar alsof God ze daartoe heeft geschapen. Op dat ogenblik bid ik op een kinderachtige manier tot de Maagd Maria: Heilige Moeder Maria, geef dat ik dit lichaam voor altijd bij me mag houden. Ik bad op een dwingende bezitterige manier.

Vrijwel direct daarna staat Andrew op en gaat naakt in de vensterbank staan. Op die manier heb ik een prachtig zicht op zijn lijf. Hij denkt en zucht, zucht veel, ik kijk en sluimer en zo duurt dit alles zeker een vol uur. Daarna kleedt hij zich aan. Hij staat besluiteloos met zijn boxershort in zijn hand. Ik maak een misplaatst grapje door laatdunkend te zeggen, dat dit zeker een souvenir is. Met een woedend gebaar werpt hij zijn boxershort uit het raam. Zegt dat dit soort situaties niets voor hem is. Dat ie denkt dat ie hetero is. Dan pakt hij me vast en zoent me zeer heftig op mijn mond en werkt op een bijna gewelddadige wijze zijn tong mijn mond binnen. Daarna een rustige omhelzing en nog een. We lopen samen naar beneden. Ik kus hem gedag. Hij loopt weg en zaI morgenvroeg onmiddellijk vertrekken.

Op mijn kamer teruggekeerd tref ik zijn horloge op de grond aan, naast mijn bed, ons bed. Ik val in slaap en als ik de volgende ochtend de stad in ga, vind ik buiten hangend aan de muur tegenover ons hotel zijn onderbroek. Ik pak hem van de muur, loop een stukje, trek mijn short uit en trek zijn onderbroek, zijn boxershort, aan. Een vreemde geweldadige sensatie doorstroomt mij. Het is alsof ik in zijn huid kruip. Zo is hij vandaag toch nog bij mij, terwijl de boot naar de Peloponnesos zijn lichaam steeds verder van mij voert. Maar hij komt terug, Prins Andrew, letterlijk of figuurlijk. Dat voel ik. En dan zal ik, gelijk in de parabel van de verloren zoon, staan bij de voordeur om hem te verwelkomen alsof ik daar al die tijd op zijn terugkeer heb staan wachten. Ik zal niets vragen, geen verklaring, geen uitleg, ik zal hem slechts omhelzen en zeggen: welkom thuis my little Prince, my Son.

Deze column is verschenen in Sum oktober 1993

Dit fragment komt uit ' Prins Willem en de anderen' , en is verschenen bij uitgeverij Contact.

Het student is a-politiek vandaag aan de dag


Hoewel niet direct mijn gewoonte, erger ik mij de laatste tijd nogal eens aan jullie. Na het lezen van deze eerste regel kun je natuurlijk direct doorzappen naar het volgende artikeltje en deze oude zeur aan zijn lot overlaten. Voor de blijvers onder jullie, de volgende verzuchting.

Door het jaar heen geef ik een groot aantal gastcolleges en referaten voor een overwegend uit studenten bestaand publiek. Ik ben socioloog en daarnaast economisch en juridisch geschoold en ook de geschiedwetenschap mag op mijn levendige belangstelling rekenen. Een klassieke generalist dus. Mijn onderwerp van studie en van spreekbeurten is de Nederlandse samenleving in haar formele en informele gedaantes. In vroeger eeuwen was deze bezigheid ondergebracht in een apart vak: politieke economie. De politieke economie bestudeert de samenhangen, wetmatigheden en contradicties in maatschappijen. Op die manier kom je iets te weten over tendensen in ontwikkelingen. Met die wetenschap kan een samenleving haar voordeel doen, door op een aantal goedgekozen punten het heft in eigen handen te nemen. Kortom, een samenleving gedraagt zich daardoor niet als een willoos geheel, waarin de dingen nu eenmaal gaan zoals ze gaan. Lekker ouderwets he, zo'n idee van een maakbare samenleving. Typisch een vrucht van de grote westerse wetenschappelijke stroming van de Verlichting, die ons cultureel en wetenschappelijk zo ontzettend veel moois heeft gebracht. Niet in de laatste plaats het geloof in de vooruitgang in denken en handelen van de menselijke soort.

Vandaag echter zijn we wijzer, zoveel wijzer. Er valt zeker het een en ander af te dingen op het geloof in de vooruitgang. Ik hoef niet al die verschrikkelijke oorlogen de revue te laten passeren die we in onze eeuw hebben gevoerd en nog dagelijks voeren en ik hoef het al helemaal met jullie niet te hebben over de aantasting van het milieu door techniek en overbevolking. Toch relativeren deze zaken mijns inziens slechts het vooruitgangsgeloof. Het besef van deze verschrikkelijkheden ontneemt ons onze naïviteit niet meer en niet minder. Waar leven is, is hoop. Dat is niet zomaar een gezegde, maar een in de praktijk beproefde wijsheid. Onder de meest erbarmelijke omstandigheden maken mensen prachtige kunst, musiceren zij met elkaar of zijn ze zomaar gezellig bijeen en wordt er uitbundig gelachen. Hoop, geloof in vooruitgang, is de motor van het leven. Mensen zonder perspectief, zonder hoop, zonder geloof, zijn ten dode opgeschreven. En wat voor mensen individueel geldt, gaat evenzeer op voor samenlevingen.

Studenten die ik hierover toespreek horen mij op zijn best welwillend aan. Zij vinden het wel aardig zo'n betrokken en bevlogen man. Met de realiteit hebben de verhalen van die prof volgens hen ondertussen niets van doen. Eeuwig en altijd hebben hun vragen en opposities betrekking op de haalbaarheid van mijn voorstellen om ons soort samenlevingen ingrijpend te moderniseren. Meneer Fortuyn, zo zit de wereld niet in elkaar, zo eenvoudig gaat dat niet, de dingen gaan zoals ze gaan, is het zich immer repeterende commentaar van het student. In zekere zin zijn hedendaagse studenten oude mannetjes en vrouwtjes. Hoewel, ik ken nogal wat vitale oude mannen en vrouwen die wel bereid zijn om nog een rondje modernisering van de samenleving aan te gaan.

Mijn wrevel betreft jullie gebrek aan fantasie als het gaat om zaken die niet direct jullie persoon raken, jullie gebrek aan maatschappelijke idealen, jullie gelijkstelling aan de ongelovige Thomas die ook eerst moest zien alvorens te geloven, jullie onbetrokkenheid als het niet jezelf en je naaste omgeving aangaat. Kortom, jullie volstrekte a-politieke habitus. Kom uit dat luie welvaartsbedje van jullie en weet: het gaat niet om het haalbare, maar om het denkbare!

Deze column is verschenen in Sum december 1993

OV Studentenkaart ten prooi aan milieuterreur


Ons land komt langzaam in de greep van de milieumaffia, aangevoerd door collega Reijnders van de stichting Natuur en Milieu. Juist ja, een stichting, de minst democratische vorm van handel en wandel die ons land rijk is. Een vereniging wordt nog gecontroleerd door de leden, een onderneming door aandeelhouders en werknemers, maar een stichting wordt door niemand gecontroleerd en kan haar eigen soevereine gang gaan. De resultaten zijn ernaar.

Regelmatig verschijnt onze nationale kwelgeest Reijnders op tv om het volk de ene onheilstijding na de andere in het gezicht te slingeren. Hij doet dat vanuit zijn welgelegen buiten met mooie tuin. Reijnders is immers een tweeverdiener. Hij en zijn vrouw, beiden hoogleraar, goed voor meer dan een modaal inkomen. Ondertussen wordt een economie van de krimp bepleit. Zelf een voorbeeld geven is er niet bij. Voor zijn volkomen onjuiste voorspellingen ten aanzien van de branden van de oliebronnen in Koeweit na afloop van de Golfoorlog is hij nimmer afgestraft. We zouden een poolwinter tegemoet gaan. Dit alles was de schuld van de Amerikaanse bemoeizucht. Dat diezelfde Amerikanen voor ons de kastanjes uit het vuur hebben gehaald en naast hun oliebelangen en passent nog even een niets en niemand ontziende dictator aan de teugel hebben gehouden wordt niet gewaardeerd. Net zo min als er waardering is voor die Amerikaanse experts die in zo’n korte tijd de misdaad van Sadam uitwisten, door de brandende oliebronnen te doven.

Reijnders heeft daar allemaal geen boodschap aan. Hij is alweer bezig met de volgende onheilstijding. De wijze waarop dat wordt gepresenteerd heeft bijna iets sadistisch. Onheilstijding wordt altijd hetzelfde gebracht, zonder een reële oplossing. Niet van hoe komen we van A naar B. Men zal moeten inleveren en wel op grote schaal. De modale burger zal het weten. Economie van de krimp, de auto weg en zeer duur openbaar vervoer. Alleen de beter gesitueerden zullen zich nog een auto en bijbehorende mobiliteit kunnen veroorloven. Reijnders en familie zullen daar zeker toe behoren.

Het nieuwe slechtoffer van de milieumaffia is de OV-studentenkaart. Studenten belasten met deze kaart het milieu. Ze zijn veel te mobiel en leren niet dat deze mobiliteit veel schade veroorzaakt aan het milieu. Nu is veel van deze redenering gebouwd op drijfzand. Voor de OV-studentenkaart zijn nauwelijks extra treinen en bussen ingezet. Met de bestaande vervoerscapaciteit worden ook die 600.000 studenten vervoerd. Van extra milieubelasting kan dan ook geen sprake zijn. Hooguit wordt de al bestaande vervoerscapaciteit beter benut. Het bewustzijn dat mobiliteit geld kost is wellicht een minpunt van de kaart. Wel dient te worden bedacht dat de student ruim tien procent van zijn besteedbaar inkomen uitgeeft aan de kaart en dat is iets anders dan gratis reizen.

Wat mij echter het meest stoort is het volledig uit het oog verliezen van proporties als het gaat om milieu. Het is een heilig verklaard thema, waarover je vervolgens niet kritisch mag nadenken. Eenvoudige wijsheden dat men de trap van bovenaf aan moet vegen, mogen van de milieumaffia niet van toepassing zijn. Mobiliteit in het algemeen en de auto in het bijzonder zijn de doelen waarop zij zich richten. En het maakt niet uit dat er inmiddels grote vooruitgang is geboekt bij het terugdringen van de milieu-overlast door de auto. Het nationale schuldgevoel kan niet beter worden aangesproken dan op de auto, die verboden vrucht van technologische ontwikkeling van onze eeuw.

In een calvinistisch land als het onze, waarin alles wat lekker zondig is, valt er geen betere voedingsbodem te bedenken voor het nationale schuldgevoel dan de auto. Via dat schuldgevoel houdt de Stichting Natuur en Milieu ons gevangen. Zij belet ons oog te hebben voor de werkelijke milieugevaren in Europa. Het overgrote deel van de zwaar vervuilende industrie in Oost-Europa en de voormalige Sovjet-Unie draait nog gewoon door, bij gebrek aan beter. Veel kerncentrales aldaar zijn tikkende tijdbommen, en een onbekende hoeveelheid niet afgewerkt afval is gedumpt in zeeën en meren om ons na verloop van tijd hun dodelijk gif via zeeën en rivieren over de hele wereld te verspreiden. Daaraan onze milieumiljarden besteden staat niet bovenaan het lijstje va de milieubeweging. Het is een beweging die zich concentreet op eigen land, waar al zoveel gebeurt op het terrein van het tegengaan van milieuoverlast. De trap van bovenaf aanvegen is wat we moeten doen. Dus het oosten van hun ergste milieuproblemen afhelpen. Dat zet zoden aan de dijk. Kunnen we in de volgende eeuw de OV-studentenkaart nog eens tegen het licht houden.

Deze column is verschenen in Sum mei 1993

De verweesde samenleving


De relatie leermeester(es)/leerling(e) is aan onze universiteiten en hogescholen vrijwel verdwenen. Het enige schooltype waar deze relatie nog wordt gekoesterd is die van de kunstzinnige vorming. Op onze conservatoria en onze academies voor beeldende kunst en op onze toneelscholen en academies voor kleinkunst. Daar heeft men begrepen dat deze relatie centraal dient te staan in het onderwijs wil er enige zinnige overdracht van kennis en kunde mogelijk zijn. Een alom overheersende opvatting binnen ons onderwijs, nu ook al doorgedrongen op kleuterscholen en andere vormen van lager onderwijs, is dat het hoofdprodukt dat door deze instellingen geleverd moet worden dat van de overdracht van kennis is. Dat nu is een misvatting die ons heden begint op te breken. Het hoofdprodukt is niet kennisoverdracht, maar opvoeding, en opvoeding gebeurt in de intieme relatie van leermeester - leerling. Kennisoverdracht is het gebied waarop deze opvoeding gestalte krijgt. Draait men de zaken om, dan komt er van de opvoeding niets terecht en vindt de kennisoverdracht plaats in een anonieme contextloze omgeving.

De onderwijsvernieuwers die ons land, sedert de invoering van de Mammoetwet van CaIs (KVP) in 1968, nu al weer vijfentwintig jaar in een ijzeren greep houden, hebben dit op hun geweten. Namen die hier te noemen zijn, zijn die van de oud-minister en oud-staatssecretaris van onderwijs de heren van Kemenade (PvdA) en Wallage (PvdA). Zij zijn na CaIs de grote schaalvergroters bij uitstek. Zij bedachten dat jongeren uit minder kansrijke gezinnen meer kansen zouden krijgen indien we hen niet zouden opsluiten in scholen met een duidelijk gedefinieerd vakkenpakket. Neen, grote scholen met veel gogen in allerlei soorten en maten en heel veel vakken zouden de leerlingen en veel mogelijkheden bieden en pas heel laat aanzetten tot het maken van een definitieve keuze in hun leerroute.

De verschrikkingen van dit beleid ondervinden we nu aan den lijve en de gevolgen daarvan komen in het ergste geval terecht op het bordje van de politie van de grote steden. De basisvorming van Wallage dwingt kleine basisscholen op te gaan in grote scholengemeenschappen waardoor het kleine beetje culturele infrastructuur dat het platteland nog rest op termijn ook nog wordt vernietigd. Middelbare scholen van vierhonderd leerlingen zijn omgevormd tot scholengemeenschappen van duizend tot tweeduizend leerlingen, waar van alles en nog wat wordt onderwezen. Universiteiten en hogescholen zijn door dit beleid verworden tot ware leerfabrieken. De leermeester is geen pedagoog meer maar kennisoverdrager. De pedagogiek wordt overgelaten aan andere functionarissen die buiten het directe onderwijs staan. Het zijn de produkten van de tekentafelsamenleving, waarin niet de praktijk het handelen bepaalt maar het steriele tekentafelprodukt. In die grote anonieme gemeenschappen, die dat woord niet eens meer waard zijn, vecht iedere leerling voor eigen belang en behoud. Gemeenschapszin wordt hem daar niet bijgebracht. Hij dient zijn eigen route te gaan en vooral niet op te gaan in de gemeenschap. De afstand tussen leermeester en leerling is groot en het contact dikwijls anoniem.

Na het gezin is de school de eerste en enige plek waar jonge mensen worden geconfronteerd met mensen die een andere opvoeding hebben genoten dan zij zelf. Daar kan gemeenschapszin worden bijgebracht. Dat is echter alleen mogelijk binnen een overzichtelijke kleine gemeenschap, waarin de relatie leermeester-leerling tot bloei kan komen. Dat is nu overal verwoest en maakt onze kinderen al vroeg tot wezen. De verweesde samenleving is volop in de maak. Van de resultaten daarvan zullen we nog een zware pijp roken.

Deze column is verschenen in Sum maart 1994

Intellectuelenhaat


Het afgeven op intellectuelen lijkt weer in de mode te zijn. Intellectuelen worden op zo'n moment afgeschilderd als onpraktisch, wereldvreemd en als het een beetje tegen zit als de oorzaak van de actuele ellende. Frits Bolkestein, lijsttrekker van de VVD bij de Tweede Kamerverkiezingen, brengt de intellectuelenhaat als volgt onder woorden: 'Intellectuelen hebben niets te zoeken in de politiek. Intellectuelen zijn preutse mensen die hulpeloos de camera instaren en zeggen dat zij het ook niet weten. Ik ben geen intellectueel! Noemt u mij alstublieft niet zo, want dat betekent dat ik de verkiezingen ga verliezen.' (NRC). Welnu, ik ben zeker een intellectueel, kijk heel wat minder hulpeloos in de camera dan Frits Bolkestein en ben verre van preuts. Zie dat mooie verhaal van mij in een van de vorige Sums over Prins Andrew. Het zijn de bekende vooroordelen.

Wat is een intellectueel nu wel. Een intellectueel is een gestudeerd mens, hetgeen niet hetzelfde is als een gediplomeerd mens. Men kan heel erudiet zijn met niet meer dan lagere school en heel onontwikkeld met een academische titel op zak. Naast erudiet is de intellectueel vooral kritisch en onafhankelijk. Dat laatste is een levenshouding en tege1ijkertijd een levensnoodzaak. De intellectueel aanvaardt de eenzaamheid die voortvloeit uit zijn onafhankelijke en kritische stellingname, gelijk de mensheid zuurstof aanvaardt als de noodzakelijke voorwaarde om überhaupt te kunnen leven. Het zijn van intellectueel is dus meer dan een beroep, het is een levenshouding zonder welke de intellectueel niet kan leven. Hij zal het leven ook opgeven, letterlijk en figuur1ijk, indien hem de ruimte voor onafhankelijke en kritische stelllingname wordt ontnomen.

Zo ver komt het echter niet gauw. We hoeven alleen maar te denken aan al die moedige intellectuelen in het voormalige Oostblok die onder de meest erbarmelijke omstandigheden gewoon door gingen met stelling nemen tegen het regime dat hen onderdrukte. In het licht van het vorenstaande is het misschien ook wat minder moedig dan veelal wordt gedacht. De meeste Oost-Europese intellectuelen konden gewoon niet anders. Voor hen stond het opgeven van hun intellectuele habitus gelijk aan zelfmoord en daarvoor waren ze te gehecht aan het leven.

Een maatschappij zonder intellectuelen is niet alleen een saaie maatschappij, maar ook een maatschappij die snel in een situatie van stilstand terecht komt. Het is niet voor niets dat het altijd dezelfde typen zijn die in opstand komen tegen de intellectuelen. Het is het behoudende type, bang voor verandering, dat de meerderheid der anti-intellectuelen uitmaakt. Zij zijn niet gevaarlijk zolang er aan hen geen leiding wordt gegeven. Zo gauw er echter politieke leiding wordt gegeven, is het oppassen geblazen. Die leidinggevenden zijn niet de domsten en in politiek opzicht zijn ze dikwijls heel handig. Ze weten de angst van de burgerman voor verandering en extern gevaar uitstekend te exploiteren. Bij die exploitatie kan de intellectueel uiteraard worden gemist als kiespijn.

Immers, hij zal die exploitatie onmiddellijk als zodanig aan de kaak stellen. Dat nu komt de machthebber in spé niet gelegen. Het begint dan met verdachtmaking van de intellectueel en zo gauw de mogelijkheid zich voordoet met opsluiting of nog erger. De nazi's hebben het op dit terrein, zoals op menig ander terrein, het bontst gemaakt. Zij slachtten hun intellectuelen niet alleen zonodig af, maar gingen ook nog over tot het verbranden van hun produkten: boeken, schilderijen, muziek e.d. Alsof de menselijke geest zich ooit zou laten knechten!

Uit de mond van Bolkestein klinkt deze intellectuelenhaat bovendien uitermate verdacht. Hij is als geen ander de intellectueel onder de politici. Leest niet alleen weleens een boek, maar schrijft er af en toe ook een. Is onafhankelijk en kritisch in zijn denken en stelt terecht het tekort aan intellectuele vorming aan onze universiteiten aan de kaak. Zelfhaat mogen wij deze oprisping dus met een gerust hart noemen. Een vitale maatschappij koestert zijn intellectuelen. Foei, Olleke Bolleke ga je mond spoelen!

Deze column is verschenen in Sum april 1994

Studenten en politiek: stemadvies!


Studenten en politiek: nu niet direct een ideaal koppel. De belangstelling onder jongeren voor de verrichtingen van de politiek is niet erg groot en al helemaal niet levendig. De meeste politieke jongerenorganisaties worden bemenst door oudere jongeren en de echt leuke en aantrekkelijke jongeren vind in de disco, niet op de partijpolitieke avonden. Net als de kerken lopen de politieke partijen leeg en zijn het de jongeren die het eerst vertrekken. De politiek levert niet de spanning en het vertier op waaraan je behoefte hebt als je jong bent. Bovenal is de politiek machteloos. De politiek stelt menig probleem, maar weet weinig echt op te lossen. Een heldere stellingname wordt immer gevolgd door een nuancering die van het eerder ingenomen standpunt weinig heel laat.

Het zespuntenprogramma van Bolkestein inzake de beheersing van de stroom asielzoekers dat zoveel stof deed opwaaien bevatte slechts een nieuw punt. Dat punt was dat vluchtelingen van buiten Europa niet meer in ons land zouden worden opgenomen maar met behulp van onder meer Nederlands ontwikkelingsgeld in hun eigen regio. Uit gerekend dit nieuwe punt wordt door Bolkestein een dag later weggenuanceerd. Uit allerlei onderzoek blijkt dat jongeren duidelijk stellingname verkiezen boven het vage compromis. Voor zover niets nieuws onder de zon. Ook in de roemruchte jaren zestig, de tijd dat ik jullie leeftijd had, werd door jongeren duidelijkheid boven vaagheid gesteld en moest het leven vooral spannend zijn.

Ook wij vonden aan de Hollandse partijpolitiek weinig te beleven en richtten ons liever op de grote wereldvraagstukken als de strijd tegen het oprukkende kapitalisme, de oorlog in Vietman, de uitputting van de grondstoffen, milieubeleid (en dat graag wereldomvattend) en natuurlijk het verbeteren van de positie van de landen in de zogenoemde derde wereld. Het verschil tussen toen en nu is dat jongeren liever wat dichter bij huis blijven en zich meer bekommeren om hun directe omgeving en om vraagstukken waar zij met hun beperkte mogelijkheden meteen iets aan kunnen doen. Men wil concrete resultaten: hier en nu!

Binnen de weinig levendige belangstelling voor politieke partijen scoort D66 relatief hoog. Dat vind ik op zijn minst opmerkelijk. Zeker, Hans van Mierlo is een schat van een man en zeker iemand met uitstraling, maar verder?

D66 staat voor niets, zelfs niet voor haar staatkundige hervormingen. Het bestaansrecht van D66 ligt in de heldere stellingname dat je naast een stem op de controle van de macht ook een stem moet kunnen uitbrengen op de macht zelf. Dus gekozen burgemeesters, ministerpresidenten e.d. Een beetje het Amerikaanse systeem. Daarnaast wil de partij dat niet het volk via referenda over belangrijke zaken kan meestemmen. Geen van deze punten blijken voor D66 breekpunten te zijn als het pluche dus de macht in zicht komt. Naast deze staatkunde heeft de partij niets meer te melden dan dat zij redelijk wil zijn en tussen de uitersten door wil laveren. Dus doe me een lol als je gaat stemmen op 3 mei aanstaande: stem op iets duidelijks en niet op D66!

Deze column is verschenen in Sum mei 1994

Verveling


De jongste generatie literatoren, mensen van jullie leeftijd, heeft een nieuw modern thema bedacht: de verveling. Boeken lang worden we geconfronteerd met mateloze verveling en wat die bij mensen aanricht. Nimmer is aan de orde wat verveling in maatschappelijk verband aanricht. De maatschappij interesseert hen immers niet. Alles is individueel en het komt er op aan om je tenminste te vermaken. Je vraagt je in gemoede af of de maatschappij, laat staan de samenleving, voor deze snotneuzen überhaupt nog wel bestaat. Op basis van een volstrekt gebrek aan historisch besef komen de dames en heren tot de conclusie dat alles in ons leven al eens is bedacht en vooral geregeld. Er valt dus niets meer te bedenken noch te regelen.

Nu hoef je de knop van je TV-toestel maar om te draaien om te zien wat er allemaal niet is geregeld met deze wereld. Hele volkeren worden onder ons toeziend oog uitgemoord om maar eens iets te noemen. Onze literatoren vinden dat echter een uitgemolken thema en bovendien te ver af van hun behagelijke welvaartsbedjes. Maar dichterbij huis valt er ook nog het een en ander te doen. Twee miljoen min of meer gezonde Nederlanders die in principe zelf in hun levensonderhoud zouden kunnen voorzien staan aan de kant. Nederland is verworden tot een groot verzorgingstehuis, waarin volkomen gezonde mensen levenslang zijn opgenomen. Onze arbeidsmarkt kalft in hoog tempo af onder invloed van de buitenlandse concurrentie, waar arbeid nog wordt beloond op basis van schaarste en overvloed daaraan. Nederland wordt in hoog tempo een automatenland, waarin arbeid uit is en wetenschap en techniek in. Er grijpt een overweldigende stemming van malaise en onverschilligheid om zich heen en we beleven momenteel de nadagen van het Romeinse Keizerrijk of iets dichter bij in de tijd de nadagen van de Franse absolute monarchie. En zoals sommigen van jullie wellicht nog op school hebben geleerd, zijn dat de voortekenen van een ingrijpende omwenteling; van een Umwertung aller Werte.

De saaiheid is in onze samenleving wel degelijk manifest, maar daaronder broeit het en krioelt het van de nieuwe initiatieven. Er zijn genoeg jonge mensen die het zat zijn om hun huig te laten hangen naar de gevestigde belangen en orde en die bezig zijn met iets nieuws. Of het nu de kunsten, de wetenschappen of het bedrijfsleven zijn, overal staan mensen klaar om iets nieuws te beginnen. Zij die de verveling dus tot het thema van deze tijd verklaren, hollen in werkelijkheid achter de feiten aan. Beter is het om je jonge leven te oriënteren op verandering en vooruitgang, waarbij wat mij betreft de profetische woorden van John F. Kennedy als leidraad mogen dienen: 'Vraag niet wat uw land voor u kan doen, maar vraag u indringend af wat u voor uw land kunt betekenen.' Veel succes met het nieuwe studiejaar.

Deze column is verschenen in Sum september 1994

Disco


Door toeval en nieuwsgierigheid gedreven kwam ik op een zaterdagnacht in augustus terecht in de Rotterdamse cult-disco Night Town en ik moet u zeggen: ik heb mijn ogen uitgekeken. Ze lagen bijna op schoteltjes! Night Town is een disco met drie dansvloeren onderling verbonden door trappen en gangetjes. Het binnenkomen is al een belevenis van de eerste orde. Ik moest door een detectiepoort en werd onmiddellijk gespot. Uitvoerige fouillering tot met de inhoud van mijn sigarenkoker was mijn deel.

Na dit welkom voelde ik me in ieder geval uiterst serieus genomen. De portier zag mij tenminste aan voor een potentiële drager van wapentuig en dat overkomt je als professor niet iedere dag. Daarna het labyrint van gangen ingedoken. Het is daar een drukte van belang. Overal staan en hangen jongens en meisjes. De gemiddelde leeftijd is ongeveer 25 jaar. Ik zou dus met mijn 46 jaar en kale kop op zijn minst een bezienswaardigheid moeten zijn. Niets van dat al. Ik had net zo goed geen lijf kunnen hebben. Als een onzichtbare geest dwaalde ik door de gangen om tenslotte in een van de grote danszalen aan te komen. Daarbinnen op de dansvloer een paar honderd jongeren en op het amfitheater rond de dansvloer nog eens zo'n aantal. Op het podium half ontblote jongelui die als inspiratiebron voor de dansenden dienden en zich in prachtige bochten en andere bewegingen kronkelden.

Ik heb daar een tijdje staan kijken. Naarmate dat langer duurde sloeg de verbazing en tenslotte de verbijstering toe. Iedereen probeerde cool te zijn. Er was geen enkel contact tussen mensen die elkaar niet kennen. Keek je iemand aan, dan kreeg je een wezenloze blik terug. Niet een keer, maar tientallen keren. Wat mij daarbij opviel is dat het cool zijn de jongens veel beter lukt dan de meisjes. Het was vol met mooie mannen en vrouwen, maar behalve de oorverdovende muziek die je zeker in hoger sferen brengt, was er op het eerste gezicht niets te beleven. Nergens zag je een flirt - laat staan een versierpartij. Het uitstralen van uiterste verveeldheid was de code. Die verveeldheid was overigens dikwijls heel mooi verpakt. Prachtige kleren en maar al te vaak prachtige lijven. Het zou daar heel erg opwindend kunnen zijn. Het kost niet veel moeite om je seksuele fantasie de vrije loop te laten. Prikkels genoeg. Maar toch, er gebeurde niets. Ik zelf werd niet gezien, zelfs niet een beetje.

Na twee uur rond gelopen te hebben, heb ik het pand in grote verwarring verlaten. Is dit de toekomst, zo vroeg ik mij af? Is het deze kille harde maatschappij, waarin eenieder voor zichzelf leeft, die ons te wachten staat? Of is het gewoon maar een beetje uitgaan en is dat cool doen een modetrend die weer net zo snel voorbij gaat als de meeste modetrends? Ik weet het niet. Ik hoop dat ik ongelijk heb en dat het allemaal veel onschuldiger is dan ik waarneem. De socioloog in mij zegt echter dat dit inderdaad de toekomst wel eens zou kunnen zijn. Het enige dat ik daartegenover kan stellen is dat men mij dan zal tegenkomen. Dit zal ik te vuur en te zwaard bestrijden, daar is mij Holland en het volk dat daar woont te lief voor!

Deze column is verschenen in Sum oktober 1994

Herstructurering hoger onderwijs


Er is op het ogenblik weer veel te doen rond de herstructurering van het hoger onderwijs. Het afgelopen decennium zijn de plannen om dit onderwijs om dit onderwijs qua structuur te veranderen over elkaar heen getuimeld. De motor van de noodzakelijk geachte verandering was onveranderlijk dezelfde: de noodzaak om op het hoger onderwijs te bezuinigen. Met minder mensen en middelen een beter resultaat was het devies.

Dat het hoger onderwijs ingrijpend moest veranderen staat voor mij buiten kijf. Het is een bedrijfstak waar in het algemeen nog steeds een matig produkt wordt geleverd tegen een forse prijs. Daarbij heb ik niet zozeer het onderzoek op het oog alswel het onderwijs. Zie ik het goed dan is dit laatste produkt, ondanks alle bezuinigings- en herstructureringsoperaties, niet zozeer verbeterd alswel in heel veel gevallen verslechterd. De massale toestroom tot het hoger onderwijs is in de meeste gevallen opgevangen door schaalvergroting. Schaalvergroting van de instituten en van het hoger onderwijs zelf. Het hoger beroepsonderwijs is bijeengeveegd in hoge scholen met heuse colleges van bestuur. Het conservatorium zit nu in een bestuurlijke eenheid met de HEAO, de HTS, de pedagogische academie en wat dies meer zij. Aan die samenvoegingen liggen nauwelijks onderwijskundige ideeën ten grondslag. Terwijl het bedrijfsleven nu al weer een decennium bezig is met de verwerking van het idee dat ‘big’ zeker heel vaak niet gelijk is aan ‘beautiful’, gaat men in het onderwijs er nog onverminderd van uit dat schaalvergroting de efficiency en de kwaliteit van het onderwijs zal verbeteren. In deze sector wordt door de beleidsmakers nog steeds geloofd dat het samenvoegen van wezensvreemde onderdelen vrijwel als vanzelf synergetische effecten zal hebben.

Diegenen die werkzaam zijn in de dagelijkse praktijk van het onderwijs constateren intussen iets heel anders. Die grote megalomane instituten leveren absoluut geen onderwijs op maat en produceren een hele hoop vervreemding voor studenten en docenten. De menselijke maat is totaal verloren gegaan. Niemand voelt zich meer echt voor iets persoonlijk verantwoordelijk. De identiteit van veel instituten verwatert in een hoog tempo, bestuurd als zij worden door technocraten die bij wijze van spreken net zo goed een snoepjesfabriek zouden kunnen leiden. De leermeester-leerlingverhouding lijkt door dit alles onherstelbaar verwoest.

Toch ligt daarin de essentie van het onderwijs. Overdracht van kennis is het middel waardoor die leermeester-leerlingrelatie gestalte krijgt. Velen in het onderwijs denken echter dat de overdracht van kennis het einddoel is. Niets is minder waar. Zeker in een maatschappij als de onze waar niets zo snel veroudert als kennis, is vorming het allerbelangrijkste en constante produkt dat het onderwijs kan afleveren. Met vorming kun je een heel leven vooruit, kennis moet voortdurend worden bijgespijkerd. Dat betekent terugkeer naar de menselijke maat waarin de verhouding leermeester-leerling kan bloeien. Ergo: terugkeer naar kleine instituten van ten hoogste zo’n zeshonderd studenten. Dat er door al die instituten moet worden samengewerkt spreekt voor zich. Het is niet dienstig om iedere keer weer het wiel uit te vinden. De moderne managementliteratuur wijst ons daarin met behulp van de informatica de weg. Het bouwen van netwerken om de synergie van samenwerking binnen te halen is tenslotte tegenwoordig een fluitje van een cent. Het zou goed zijn indien het departement van onderwijs, kunst en wetenschappen zich dit eens zouden realiseren!

Deze column is verschenen in Sum november 1994

Het vehikel van Kok


Een man herken je aan zijn auto. Als hij heus zelf mag uitkiezen, is de auto de weerspiegeling van zijn ziel en zijn potentie. Als hij hem niet zelf mag uitkiezen, zegt dat ook veel over hem. Dan is het iemand die over zich heen laat lopen, door zijn baas of door zijn vrouw. Hoe we het ook wenden of keren, de omgang van de man met de auto onthult zijn identiteit. Autofabrikanten houden daar terdege rekening mee. Zij proberen hun producten zo te ontwerpen dat zij daarmee het beoogde marktsegment optimaal aanspreken. Zij ontwerpen auto’s voor stoere mannen, voor sterke mannen, voor macho’s, voor softies, voor grootse mannen, maar ook voor de modale huisvader en ten slotte wordt er ook nog wel eens een auto ontworpen voor vrouwen. Bij het ontwerp wordt niet alleen het uiterlijk van de auto betrokken, maar vooral ook de technische prestaties. Een turbo-achtige machine is natuurlijk niks voor een wat duffe ambtenaar wiens terugkomst na het werk even vanzelfsprekend is als het weer. Zo’n man wenst een auto die even voorspelbaar en betrouwbaar is als hijzelf. Een tikkeltje saai kan geen kwaad, met verborgen iets ondeugends. Een beest van een kerel heeft natuurlijk een beest van een auto onder zijn kont.
Buiten boodschappenwagentjes zou liet aan vrouwen nimmer vergund moeten zijn een auto anders te betreden dan als passagier. Een vrouw hoort niet achter het stuur, dat dient bij uitstek het domein van de man te zijn en te blijven. Ze mag ernaast zitten en als zij een mooie vrouw is, mag zij de show stelen door naast haar even knappe als viriele echtgenoot de ongenaakbare lady uit te hangen. Bij voorkeur in een snelle sportwagen met open kap. Hij geconcentreerd, zij een tikkeltje verveeld in wapperende jurk en met dito haren of een geraffineerde hoofdbedekking. Vrouwen hebben zich de laatste tijd al heel veel toegeëigend. Het vanouds voor mannen bestemde publieke domein wordt door hen nu stormenderhand veroverd. Nimmer zo veel excuus-Trusen in één kabinet aangetroffen als in het paarse kabinet van Kok.
Dat kabinet wil vooral een heel gewoon kabinet zijn. Zelfs een paarse filosofie en een paarse uitstraling zijn niet nodig. Een kabinet van niks dus, dat wel het land op de schop wil nemen. Overigens zonder de mensen van het land daarin te betrekken. Het is een typisch Haags product en door en door politiek, in de zin van gerecruteerd uit de reeds sedert decennia gesloten opererende politieke kaste die het openbaar bestuur van dit land beheert. Links en rechts zijn nu gezellig bij elkaar gaan zitten en de christelijk geïnspireerde oppositie heeft al aangekondigd geen oppositie te gaan voeren. Stemmen hoeft dus straks helemaal niet meer. U kunt gewoon thuis blijven, want hetmaakt toch niet uit op wie of wat u stemt. Na de verkiezingen gaan de dames en heren gewoon hun eigen gang, knutselen een kabinetje in elkaar en spelen dan met elkaar regering en oppositie. Oppositie en regering zijn volledig uitwisselbaar, dus lijkt het mij eerlijker om voortaan te loten wie er in het kabinet mag en wie er oppositie moet voeren. Dat vinden wij in dit land tenslotte ook een heel goed systeem om te bepalen wie een schaarse studieplaats wel en wie hem niet mag bezetten.
Ook dit kabinet verplaatst zich in auto’s, van helicopters moeten we in dit land niks hebben. De auto’s zijn van een degelijke middenklassenkwaliteit. Iets meer zit er niet in voor de leden van de regering van ons land. ‘Doe maar gewoon, dan doe je gek genoeg’ is tenslotte ook de opvatting van het kabinet-Kok.
De auto van minister-president Kok is uiteraard de weerspiegeling van zijn ziel, want zelfs hij is een man. Kok rijdt een uitgeklede Ford Scorpio van een onbestemde kleur grijs. Niet zo’n vlotte Scorpio met een kek afgeplat kontje, maar zo’n degelijke tante met een dikke derrière waar heel veel in kan. Achter het getinte glas verschuilt zich rechts achterin de eerste man van ons land, immer turend in stukken en nooit om zich heen. Een staatsman die al zijn verkiezingsbeloften zonder commentaar breekt en denkt daarvoor nooit de rekening gepresenteerd te krijgen. Wat zou het aardig zijn als onze minister president zich zou voortbewegen in een beest van een auto. Maar ja, dan zou hij geen Kok hebben geheten.

Gepubliceerd in Carros, 1e jaargang nr. 1. oktober / november 1994

Nieuwe financieringsvormen infrastructuur bittere noodzaak


Het paarse kabinet-Kok heeft ten tijde van de regeringsverklaring in augustus 1994 een omvangrijk en ambitieus bezuinigingsprogramma aan de volksvertegenwoordiging voorgelegd. In vier jaar tijds zal er op de uitgaven in de collectieve sector voor 18,5 miljard gulden moeten worden bezuinigd, wil het financieringstekort zich in 1998 rond de drie procent bewegen en de collectieve lastendruk zijn teruggedrongen van 47,2 procent nu naar ongeveer 45 procent aan het einde van de regeringsperiode. Niet direct cijfers om trots op te zijn. Nog altijd een tekort van drie procent, hetgeen betekent dat de staatsschuld nog steeds stijgt en daarmee het beslag op de rijksinkomsten door aflossingen en rentebetalingen. Daarnaast een nog altijd zeer hoge collectieve lastendruk - ook internationaal vergeleken - die zich, als alles meezit, in 1998 op het niveau van 1989 bevindt.
Dit neemt niet weg dat 18,5 miljard gulden een fors bedrag is en dat het merkbaar zal zijn in het functioneren van de collectieve sector. Nu kun je op twee manieren bezuinigen. Je kunt bezuinigen door gewoon generiek te snijden en te zorgen dat de cijfers boekhoudkundig gezien de goede kant opgaan. Je ziet dat ook wel in bedrijven die reorganiseren om uit de rode cijfers te komen. Wat opvalt hij een der gelijke boekhoudkundige benadering, is dat het ondernemerschap verdwijnt. Een dergelijke operatie stelt wel orde op zaken op financieel gebied, maar schept nog geen perspectieven voor de toekomst.
De tweede manier van bezuinigen gaat gepaard met een plan. In dat plan wordt perspectief geboden voor de toekomst en de bezuinigingen worden naar dat toekomstperspectief ingericht. Het is een manier die naast de nodige risico’s een mogelijke toekomst in zich bergt.
De eerste manier van bezuinigen veroorzaakt vaak apathie en tegenwerking van de medewerkers van de betreffende organisatie, terwijl de tweede manier na de verwerking van het schokeffect de mensen aan zet tot ‘alle hens aan dek’ en tot creativiteit en inzet om het geschetste toekomstperspectief waar te maken.
Naar het zich laat aanzien heeft het paarse kabinet voor de makkelijkste weg gekozen, en dat is de eerste. Er wordt bezuinigd zonder plan voor de toekomst. Ambtenaren moeten daar inleveren waar hun collega’s in de particuliere sector er geld en andere zaken bij krijgen. Over de toekomstige structuur en aard van de overheidsdienstverlening geen woord, laat staan een plan. Het universitaire onderwijs zal een half miljard moeten inleveren, maar over hoe dat onderwijs er dan wel uit moet gaan zien, tast men volledig in het duister. En ga zo maar door.
Voor de infrastructuur van ons land geldt iets soortgelijks. De ministers van Verkeer en Milieu komen inzake het chronische fileprobleem in de Randstad en wijde omgeving niet verder dan wat gebroddel in de marge. We zullen er mee moeten leren leven en dat terwijl Nederland zich in menig buitenland afficheert als ‘Gateway to Europe’ en ‘Nederland distributieland’. Intussen is het ze daar ook opgevallen hoe vast de Randstad zit en in de miljoenennota van het kabinet-Kok wordt daar verslag van gedaan. In de buitenlandse waardering bungelen we voor wat de weg-infrastructuur betreft ergens onderaan, nog onder landen als Griekenland en Portugal. Dat geeft te denken, zou men denken. Ondertussen geeft minister Jorritsma een entree-interview in Elsevier onder de kop ‘Lachen, gieren, brullen’. Er valt met de minister inderdaad heel wat af te lachen, zo blijkt. Een visie op het congestieprobleem van de Randstad en wijde omgeving - de economische motor van Nederland - zal men er node in missen, last staan een visie van enige grootheid en allure. Geen plannen om het wegennet fors te verdikken (iets anders dan uitbreiden), geen plannen om de transferia bij de grote steden nu eens te gaan bouwen, geen plannen om het openbaar vervoer in de Randstad internationale grootstedelijke allure te verschaffen door de aanleg van een supersnelle ondergrondse Randstadmetro en dergelijke. Die plannen zijn er niet omdat we nu al meer dan een decennium met onze rug naar de toekomst staan en omdat er geen geld is.
Het eerste is een mentaal probleem, waar we nog steeds tegen aanhikken. Het tweede is een financieringsprobleem. In mijn boek ‘De overheid als ondernemer’ (1993) heb ik voorstellen gedaan voor publiek-private financiering van infrastructurele werken, waarbij de gebruiker betaalt voor het gebruik van de voorzieningen. Na aflossing van de financiële verplichtingen vervalt het infrastructurele werk aan de staat en vanaf dat moment kan er een gratis of beperkt betaald gebruik van worden gemaakt.
Wat mij nu opvalt, is niet dat paars geen enkel idee in deze richting ontwikkelt. Mijn verwachtingen ten aanzien van de politiek zijn inmiddels gedaald tot minder dan niks, Wat mij wel opvalt is dat al die belanghebbenden bij een goede infrastructuur zich zo weinig roeren als het gast om het aandragen van oplossingen voor de financiering van een op de toekomst gerichte infrastructuur. Dat geld moet er komen, linksom of rechtsom, en het zal niet alleen kunnen komen uit de algemene middelen. Waar blijven de gedurfde plannen van belanghebbenden om particulier kapitaal op grote schaal aan te trekken voor een goede infrastructuur? Of gaan onze Carros-rijders straks en masse naar het buitenland?

Gepubliceerd in Carros, 1e jaargang nr. 2, december 1994 / januari 1995

Schaf de OV-Studentenkaart en Ritzen maar af!


Toen ik in 1989 met de OV-Studentenkaart begon, kostte die kaart vierhonderdzeventig miljoen gulden. Het was een kaart waarmee de student het hele jaar door kon reizen met aIle vormen van openbaar vervoer die Nederland kent. Bij wijze van spreken 24 uur per dag. De nieuwe OV-Studentenkaart die een november jongstleden is ingevoerd, kost bijna een miljard gulden en zal gedurende de looptijd van het contract de een miljard zeker overschrijden. Die kaart werd en wordt natuurlijk betaald door de studenten zelf.

In 1989 waren er voor de student eigenlijk alleen maar voordelen aan de kaart verbonden. Tegen een bedrag van ruim zestig gulden in de maand had hij een kaart waar weliswaar niet de wereld maar zeker Nederland mee kon worden veroverd. Het enige nadeel dat aan de kaart kleefde, was dat het gedwongen winkelnering was. Of je de kaart nu wilde hebben of niet, je moest hem afnemen. Dat kon ook niet anders, omdat de goedkope prijsstelling nu eenmaal direct verband hield met de bulkafname van de kaart door het ministerie van Onderwijs.

We zijn nu ruim vijf jaar verder en er is een nieuw contract. Dat nieuwe contract is niet alleen twee keer zo duur, maar voorziet bovendien in een slechter produkt. De student kan op deze kaart nog maar beperkt reizen. Hij moet kiezen tussen een week- of weekendkaart, mag er niet op reizen gedurende de vakanties en is bovendien een keer zo duur uit. Dit contract is het resultaat van volstrekt tekort schietende onderhandelingsvaardigheid van de toenmalige minister van Onderwijs in het kabinet Lubbers Ill, Ritzen. Hij heeft de Nederlandse studenten met dit wanprodukt opgescheept. De gedwongen winkelnering breekt de student nu echt op. De openbaarvervoersbedrijven hebben zich ten tijde van de contractonderhandelingen goede kooplieden getoond, de minister een slecht beheerder van de portemonnaie van de studenten.

Heeft dit wanbeleid van de vorige minister nu enig politiek gevolg voor de huidige minister in het kabinet Kok, die toevallig een en dezelfde is? Naar het zich laat aanzien niet. De Kamer lijkt niet bereid de minister hierover hard aan te vallen. Er is natuurlijk alle reden toe, want deze fenomenale kostenstijging valt voor een klein deel te verklaren uit de stijging van de openbaarvervoerstarieven. Er zijn ministers om minder naar huis gestuurd! Ritzen heeft bij de aanvaarding van zijn nieuwe termijn zijn ziel aan de duivel verkocht en is daarmee de gevangene van zijn bazen. Vlak voor hij in beeld kwam als opvolger van zichzelf wist hij nog te melden dat de bezuinigingen op onderwijs de absolute limiet hadden bereikt. Enkele dagen later aanvaardt hij een bezuinigingsopgave in deze kabinetsperiode van ten minste anderhalf miljard gulden. Ritzen mag dat nu gaan waarmaken en zal dat ook proberen te doen. Zolang hij zich daarvoor inspant mag hij blijven zitten van zijn bazen, zoals het een goed zetbaas betaamt!

Deze column is verschenen in Sum december 1994

Verveling is des duivels oorkussen


‘Verveling’ is des duivels oorkussen, zeiden de moeders die mijn generatie hebben grootgebracht. We hebben hen, zoals het hoort, daar natuurlijk om uitgelachen maar werden intussen wel zodanig door hen opgevoed dat we probeerden ons niet te vervelen. Deden of doen we dat toch, dan trachten we dat op alle mogelijke manieren te maskeren. Mijn generatie is een grote taboedoorbreker geweest, maar dit taboe hebben we met rust gelaten. Als we ons vervelen doen we alsof dat niet zo is, alsof we denken of zomaar wat uitrusten. Betrapt iemand ons op onze verveling, dan krijgen we een rood hoofd en verzinnen een uitvlucht.

Zo niet jullie generatie.

Er rust geen enkel meer op verveling en het is in de hedendaagse belevingswereld zeker niet des duivels oorkussen. Politici van GroenLinks proberen de aandacht op zich te vestigen door een house-party te organiseren. Vrijwel letterlijk bezopen zoiets: een politieke discussie voeren terwijl de housemuziek je uit de luidsprekers wordt toegeblazen. De meeste jongeren beschadigen met deze muziek levenslang hun gehoor, laat staan dat je daar als politicus bovenuit kan komen. Erger is echter dat het de meeste jongeren ook geen bal kan schelen. Er is weinig belangstelling voor maatschappelijke vraagstukken van een iets bredere strekking. De belangstelling reikt niet veel verder dan waaraan je direct, hier en nu, iets kunt doen.

Problemen die een langere adem vergen zijn aan jullie niet besteed. De meesten stemmen dan ook op de flodderpartij D66. De EO brengt schaamteloos een documentaire over vakantievierende jongeren. Hun enige vertier blijkt te zijn: rondhangen, zuipen, seks en sommigen brengen een heimelijk bezoek aan de evangelisatietent. De EO-organisatie ‘ontfermt zich’, zoals dat heet, over deze jongelui onder het motto: ‘Jullie zijn lang zo slecht nog niet als jullie je voordoen.’ Een schop onder je kont, zullen ze bedoelen!

Nu kan ter verdediging worden aangevoerd dat wij, jullie opvoeders, het er ook wel naar hebben gemaakt. We zijn vergeten jullie eisen te stellen. We hebben het goede voorbeeld zelden gegeven en hebben jullie – heel goed bedoeld – toch wel erg aan jullie lot overgelaten. Daarnaast zijn we op een weerzinwekkende manier gehecht aan onze posities. We wensen geen centimeter van onze macht, invloed en welvaart prijs te geven. Dit zal de huidige generatie jongeren dus straks nog opbreken, want jullie zijn niet bepaald opgevoed in het breken van weerstand. Integendeel, het zal nog lang een fluitje van een cent blijken om jullie buiten de deur te houden. Ondertussen vervelen jullie je te pletter en verpakken dat in een levensstijl van niet aflatend entertainment. Het leven als groot vermaak. De nadagen van het Romeinse Rijk zijn er hiermee vergelen niets mee. De landing zal wel even hard zijn. Niet voor ons maar oor jullie. Overdreven, deze algemene schets van de huidige generatie? Ik ben de eerste die dat hartgrondig hoopt!

Deze column is verschenen in Sum juni 1994

Student wordt definitief consument


Nederland kan weer rustig gaan slapen. De ruzie in het hoger onderwijs is voorbij. De bestuurderen, inclusief die van de studentenorganisaties, hebben hun geschil op slaapverwekkende Hollandse wijze bijgelegd. Achteraf bezien ging het allemaal over niets. Her en der zijn de potjes aangesleept en is hutje bij mutje gelegd om de bezuinigingen althans boekhoudkundig in te boeken. Iedereen een bluts. De universiteiten, de hogescholen, het ministerie en natuurlijk de studenten. Echte veranderingen zijn behendig uit de weg gegaan. Hoewel, de studiefinanciering wordt met een miljard gulden verder uitgekleed en het collegegeld gaat met vijfhonderd gulden per jaar omhoog. Dit komt net a1s de miscalculatie van minister Ritzen inzake de OV-studentenkaart, groot honderdvijfentwintig miljoen op jaarbasis, allemaal ten laste van het studenteninkomen. Op een socialistische manier natuurlijk. De hoogste en de middeninkomens, van de vreselijk rijke mensen die ons land nog telt, betalen het gelag. Als je in een iets beter wiegje bent geboren dan zul je het weten ook en dit als jongmens betalen met grotere ouderafhankelijkheid dan je soortgenoten die op modaal niveau zitten en daaronder. Boeten zul je voor je steen- en steenrijke ouders.

Het zal mij benieuwen hoe lang dit nog duurt, hoe lang die zogenoemde rijke ouders nog in dit land willen vertoeven, waarin inmiddels ook de VVD en D66 een dergelijk voor jonge mensen asociaal beleid voor hun rekening wensen te nemen. De politiek heeft overigens niet het lef om de kosten onmiddellijk bij die 'rijke' ouders in rekening te brengen middels het belastingbiljet, maar doet dat door de toegangsdrempel voor hun kinderen financieel te verhogen. Deze jonge mensen mogen vervolgens proberen om het met hun ouders eens te worden. Een situatie waaraan door de invoering van het stelsel van de studiefinanciering een eind is gemaakt.

Toen ik studeerde in de jaren zestig kwam het maar al te vaak voor dat rijke ouders,die toen nog echt rijk waren, hun studerende kinderen de kinderbijslag onthielden en ook voor de rest geen toelage verstrekten. Zij waren de echte gedupeerden in die tijd en er zat voor hen niets anders op dan een werkstudentschap. Sommige emancipatieprocessen zijn dus heel wel omkeerbaar en dat doet vrezen voor de toekomst onder paars. Ondertussen is het onafwendbaar dat de student meer dan voorheen zelf zal moeten bijdragen aan de kosten van zijn studie. De student als consument, naar ik hoop een kritische consument. Er ontbreekt nogal het een en ander aan de kwaliteit van het consumentenprodukt hoger onderwijs. Massale, slecht verzorgde colleges bij voorbeeld, veel en veel te weinig contacturen met docenten, te weinig echt aansprekende docenten, heel veel bureaucratie en weinig aandacht voor het onderwijsprodukt en voor de wensen van de klant: de student. Met name universiteiten maken zich daar op grote schaal schuldig aan. Daar wordt heel veel meer tijd, menskracht en kapitaal besteed aan onderzoek, want dat brengt immers veel geld in het universitaire laatje. Het wordt de hoogste tijd dat de student gaat eisen dat hij waar krijgt voor zijn geld. Hij steekt zich immers fors in de schulden in het besef dat hij niet zeker weet of hij deze ooit kan aflossen. Afgezien van de vraag of je nog wel wilt studeren, is het verstandig om bij een positieve beslissing, kwaliteit, en nog eens kwaliteit te eisen. Daar zou het debat over moeten gaan en daar zouden studentenbestuurders zich in de eerste plaats druk om moeten maken.

Deze column is verschenen in Sum maart 1995

Blij dat ik rij


De tijd dat we ongegeneerd de leus ‘Blij dat ik rij’ op onze auto konen plakken, ligt ver achter ons. Dit is inmiddels niet meer politiek correct. En hoewel ik een grondige hekel heb aan voorschriften over hetgeen ik wel of niet in liet openbaar mag zeggen, knaagt het aan mijn geweten. Onze mobiliteit in liet algemeen en de automobiliteit in het bijzonder zijn een zware belasting voor het milieu. Evenzo al die vliegbewegingen over de aardbol en het ons haastig voortbewegen over de miljarden kilometers autoweg. Niet alleen qua vervuiling en geluidsproductie, maar ook qua grondstoffengebruik.
Ik durf het haast niet te zeggen, maar ik ben zelfde trotse bezitter van drie auto’s. Een Mercedes-Benz, die mij als een trouwe dienstkoets voor het werk over ‘s Heren wegen doet snellen, compleet met koetsier op de bok. Een volmaakt huisje op wielen. Als het dan buiten regent en het - als zo dikwijls in dit half verzopen land - nauwelijks licht wil worden, dan schurk ik mij behaaglijk in de kussens, soes wat weg of neem wat stukken door bij het licht van mijn gezellige schemerlampje.
Of ik lees de krant, telefoneer wat of heb een leuk gesprek met mijn jonge en aantrekkelijke koetsier. En zo heel af en toe, als het licht door het wolkendek wil breken, zingen we dat het een aard heeft. Kortom, voor mijn Mercedes geldt: ‘my car is my castle’.
Dit is allemaal heel behaaglijk, maar ook een beetje tuttig voor een vent op weg naar de middelbare leeftijd, die dat graag nog even voor zich uitschuift. Derhalve rijd ik zelf in een MGB uit 1976, die ik heb geïmporteerd uit Californië. Een prachtige Engelse auto, uitgerust met allerhande Amerikaanse snufjes en met name toegesneden op de toen al strenge Amerikaanse milieuvoorschriften inzake de uitstoot van schadelijke stoffen. Het is een echte auto. Alles gaat een beetje stroef. Je moet veel schakelen en als het hard waait, moet je flink sturen. Als de auto eenmaal uit balans raakt, dan heb je er een hele toer aan om hem weer in een rechte baan op de weg te krijgen. Echt rijden dus en niet zonder gevaar. In dat gevaar, althans de dreiging daarvan, zit natuurlijk ook een deel van de ‘kick’ om in zo’n ding te rijden.
Het nieuwste project is een jaguar Coupé, ook al uit 1976. Zilver-grijs met zo’n mooie horizontale lijn over het lakwerk. De auto wordt momenteel flink onder handen genomen. Een beest van een auto en een juweeltje van vormgeving, zowel van binnen als van buiten. Ook een beetje een proletenauto. Of beter gezegd een auto, waartin zich een pooier met enige bravoure kan voortbewegen.
Ik ben een verwoed automobilist met een geweten. Drie auto’s voor meneer alleen, is dat niet wat veel van het goede?
Natuurlijk is er een keur aan argumenten voorhanden om dit geweten te ontlasten. Ik kan maar in één auto tegelijkertijd zitten, dus als ik rijd, staan de twee andere stil. En dat is écht zo, daar ik vrouw en kinderen moet ontberen. Och arme! Voorts zijn die auto’s er allang, dus als ik er niet in rijd, doet een ander het wel en zijn er in dat geval wellicht drie auto’s tegelijkertijd op de weg. Aldus bekeken lever ik zelfs een bijdrage aan het ontzien van ons milieu. En op de Jaguar na zijn het zuinige en milieuvriendelijke automobielen.
De ontwikkeling van onze automobiliteit stoot langzaam maar zeker op haar grenzen. Leuk hè, dat iets zo spannend, opwindend en vrijheidsbelevend is. Als ware de automobiliteit een vrouw. De auto is het emancipatie-instrument bij uitstek. In het begin van onze eeuw was het nog het voertuig van een kleine elite. Achter met stuur zat nooit een vrouw en nimmer iemand uit de lagere standen. Die mochten alleen het stuur beroeren in hun functie van gemotoriseerde koetsier. In de jaren zestig en zeventig kwam daar drastisch verandering in. De auto ie dan niet meer het instrument van de elite en de beroepsreiziger, maar volksbezit. Letterlijk.
Vrijwel iedereen in het Ontwikkelde Westen rijdt auto en de mees ten van ons bezitten er een. Artikel één van onze grondwet, dat discriminatie verbiedt, is het meest rigoureus in de praktijk gebracht door de auto-industrie. Er wordt geen onderscheid gemaakt naar sexe, naar sexuele geaardheid, naar stand of naar ras. Iedereen mag achter het stuur zitten als hij een rijbewijs heeft en de auto is vrijwel voor ieder een bereikbaar. Een buitengewoon gewaardeerd bezit, mogen we wel zeggen. De auto is echter méér dan een bezit en méér dan een vehikel of een huisje op wielen, waarin wij van A naar B rijden. De auto is de ultieme beleving van onze vrijheid, de vrijheid om te gaan en te staan waar wij willen, op elk moment dat wij dit verkiezen. Voor de modale burger is de auto, méér nog dan vrijheid van meningsuiting en politieke keuze, de beleving van zijn individualiteit en zijn vrijheid om te kiezen. De waardering voor deze vorm van vrijheid is zo groot en zo algemeen, dat we erin dreigen om te komen, Straks staan we met zijn allen stil op ‘s Heren wegen en schuifelen we voetje voor voetje voort naar onze bestemming.
Probleem is echter dat dit maar ten dele een technisch- en/of een milieuprobleem is. Het is niet minder dan een cultureel én een men taal probleem. En dat zijn problemen van de zwaarste en moeilijkst oplosbare soort. Wil men de automobiliteit substantieel terugdringen, dan zal er een oplossing moeten worden gevonden voor onze beleving van vrijheid. Een substituut voor de auto, dat dezelfde vrijheidsgevoelens oproept en bevredigt.
Ik heb mijn hersenen gepijnigd, maar weet er geen. Elke keer als ik het probeer, kom ik terecht in de kwadratuur van een cirkel. Zolang ik er niet uit ben, koester ik mijn drie auto’s. Voor de tijd dat dit nog duren mag.

Gepubliceerd in Carros, 2e jaargang nr. 2, april / mei 1995

Jong zijn in Nederland


Jong zijn in Nederland, is dat leuk? Ja natuurlijk, jong zijn is immers meestal leuk, vooral in een welvarend land als het onze. Je lijdt geen gebrek, er is een mooi veelzijdig uitgaansleven en er zijn ongelooflijk veel mogelijkheden om je te ontplooien. Tal van studies en studiemogelijkheden staan tot je beschikking. Je kunt geleerde worden, maar ook een mooi beroep kiezen, tandarts bij voorbeeld of advocaat. Je kunt een goed vak leren, loodgieter of elektriciën worden. Je kunt zelfs kunstenaar worden, beeldend of uitvoerend. Als je niet beter zou weten, zou je kunnen denken dat je leeft in een aards paradijs.

Toch valt op dit rooskleurige beeld wel wat af te dingen. Groeien gaat immers altijd gepaard met pijn en gaat zelden vanzelf. Het is voor de meesten toch een hele klus om uit het aanbod van talloze mogelijkheden iets te kiezen. De keuze moet maar al te vaak een leven lang mee en dat is dus een zware opgave. Daarnaast moet je erachter zien te komen wie je eigenlijk bent. En ook dat is niet gemakkelijk. Ben je degene die anderen willen dat je bent, of wil je proberen dat zelf uit te maken?

De eerste weg lijkt het gemakkelijkst, maar kan in het latere leven tot problemen leiden. Immers, zijn wie anderen denken dat je bent vereist een voortdurend toneelspel en dat is naast vermoeiend ook castrerend. Je bent er tenslotte voor weggelopen en hebt niet uitgezocht wie je ten diepste bent en wilt zijn. Toch is dat een weg die veel mensen gaan. Het oerhollandse gezegde ‘doe maar gewoon dan doe je al gek genoeg’ sterkt velen in de opvatting dat het zo maar het beste is.

Je kunt kiezen voor regelmatig zelfonderzoek. Dan behoor je bij een kleine voorhoede van mensen die hun eigen weg gaan. Dat is heel enerverend, en de beloning is niet gering, maar het is ook een met angst en vrees beladen avontuur. Je kunt dan niet links en rechts over je schouder kijken om je koers te bepalen, neen, je zult je eigen kompas moeten ontwikkelen en dat gaat door heel veel vallen en evenveel keren weer opstaan. Het is ook eenzaam, want ook je hartsvrienden en –vriendinnen kunnen je daar niet in raden, zelfs de ene prins of prinses op dat witte paard niet. Ze kunnen met je meedenken, ze kunnen vertellen van hun eigen ervaringen, maar jij moet zoeken, afwegen en daarna geheel alleen besluiten en opdraaien voor de gevolgen. Dat is soms een hard gelag, maar de beloning is groei.

Je hebt twee soorten mensen, jonge en oude mensen. Dat heeft niets met leeftijd te maken. Jonge mensen kiezen voor het pad van de groei, keer op keer een leven lang, oude mensen passen zich aan en doen wat anderen van hen verwachten en vragen, eveneens een leven lang. Je kunt daar ver mee komen. In ons land kun je er zelfs minister-president mee worden. Toch hoop ik dat velen van jullie kiezen voor dat smalle moeilijke pad, dan zal Nederland nog decennia lang kunnen profiteren van deze generatie. Jong, op groei gericht en een levenlang vitaal!

Deze column is verschenen is Sum april 1995

Nieuwe werkvormen


De meesten van jullie denken na het afstuderen een klassieke ban te verwerven in het bedrijfsleven of in de collectieve sector. Dat zou weleens tegen kunnen vallen. Ik doel hierbij niet alleen op de betrekkelijk hoge werkeloosheid onder de academici en afgestudeerden van het HBO – 33 procent heeft een jaar na het afstuderen nog geen baan en Nederland telt momenteel 130.000 werkloze academici – maar vooral ook op de veranderde positie van de werknemer in het algemeen en die van de hooggeschoolde in het bijzonder. In ons soort samenlevingen is intussen sprake van een zekere overscholing, in die zin dat niet voor iedere hooggeschoolde een daarbij passende baan beschikbaar is. Het zal steeds vaker voorkomen dat een hooggeschoolde een deel van zijn hele beroepsleven werk zal verrichten dat beneden zijn mogelijkheden ligt. Het automatische verband tussen hoge scholing, hoge baan en hoog salaris verdwijnt in rap tempo en komt nooit weerom.

Je kunt je daarin schikken of denken: dat overkomt mij niet, maar dan loop je de kansen die er wèl zijn en vooral komen mis. Indien je besluit niet te gaan voor een vaste betrekking, maar voor een losse contractuele binding dan haal je de toekomst naar je toe. We gaan toe naar een wereld van post-industriële contractarbeid, dat wil zeggen arbeid die wordt verleend voor de duur van een bepaalde klus. Dat kunnen voltijdige contracten zijn, maar ook een aantal contracten die tegelijkertijd lopen. Het is allemaal afhankelijk van de soort deskundigheid die je te bieden hebt, de vraag daarnaar en de onderhandelingsbekwaamheid waarover je beschikt.

Deze trend tekent zich momenteel wereldwijd af. De traditionele baan heeft zijn langste tijd gehad en wordt vervangen door het contract van bepaalde duur. Een volwassen contract waarin beide partijen hun rechten en plichten vastleggen. De post-industriële contractarbeider regelt in zijn contract de hele winkel, van inkomen tot en met verzekering, autovergoeding en dergelijke. Hij spreekt een bedrag af waarvoor hij het doet. Alles inclusief.

Het is van belang dat je daar nu al over gaat nadenken, hoe dat straks aan te pakken. Hoe kom ik aan mijn contracten? Bij welke bedrijven of instellingen wil ik die in de wacht slepen? Wat moet er in zo’n contract allemaal gereld worden? Welke soort verzekeringen wil ik hebben, waar kan ik die krijgen en tegen welke prijs? Anders gezegd, contract-arbeid vereist dat je ondernemer wordt van je eigen arbeid. Dat je weet wat je kunt. Dat je weet wat je bedingen moet. Dat je weet waar je je orders vandaan haalt. Dat je weet wat je nog verder wil leren en waar je dat kunt en hoe je dat regelt binnen de grenzen van het door jou af te sluiten contract. Kortom, spannend, ondernemer worden van je eigen arbeid, heel wat zelfstandiger dan solliciteren op de een of andere baan die op den duur in deze vorm toch verdwijnt!

Deze column is verschenen in Sum mei 1995

Gabbers


Politie en Openbaar Ministerie hebben een nieuwe vijand ontdekt; 'gabbers'. Deze leeftijdgenoten van jullie zijn dikwijls goed opgeleide vaklieden met LBO en vervolgopleidingen. De meesten van hen hebben betaald werk. Gabbers onderscheiden zich van andere jongeren door hun eigen cultuur .Sportjackies met daarop onze nationale driekleur, sportschoenen en afgetrapte spijkerbroeken. Het weekend vormt voor hen het hoogtepunt van de week. Dan wordt er gezopen, gedanst op keiharde oorverwoestende house-muziek, ook wel gabber-house genoemd, en worden er allerhande pillen naar binnengewerkt, zodat de zaterdag en zondag wordt doorgebracht in een stimulerende en tegelijkertijd verdovende extase. Politiek zijn gabbers rechts georiënteerd. Daarin schuilt ook de belangstelling van de politionele autoriteiten voor jullie leeftijdgenoten.

De gabbers zijn van mening dat het slecht gaat met Nederland, dat de Nederlandse identiteit is verwaterd tot een absoluut dieptepunt. Volgens de gabbers weet niemand iets van onze nationale geschiedenis. De gabbers zelf weten des temeer, van de wording van de Republiek tot heden. Kom daar nog maar eens om bij de hedendaagse student. Die lijkt dat allemaal niets te interesseren, in voorbereiding als hij is op zijn aanstaand wereldburgerschap of tenminste het euroburgerschap. Studenten krijgen daarin het 'goede' voorbeeld van de huidige minister van Buitenlandse Zaken, Van Mierlo (D66), die op een vraag over hoe hij denkt over het Nederlanderschap doodleuk antwoordt: "Daar denk ik nooit over na. Ik voel mij Europeaan en vind het wel spannend om na te denken over het naderende einde van de natiestaat." In een echt land, zoals bijvoorbeeld Duitsland of Groot-Brittannië, zou een dergelijke uitspraak van een minister van Buitenlandse Zaken een politieke rel veroorzaken van de eerste orde. Zoniet in Nederland. Hier gaan politieke rellen over de deugdelijkheid van een magneetkaartje.

De gabbers hebben dus wel degelijk gelijk als ze vinden dat het bergafwaarts gaat met die Nederlandse identiteit. Ze overdrijven daarin en provoceren vooral. De provocatie betreft vooral de houding ten opzichte van vreemdelingen. Zij zouden medeverantwoordelijk zijn voor de erosie van de nationale identiteit. Op zo 'n moment halen ze natuurlijk wel oorzaak en gevolg door elkaar. De erosie van onze nationale identiteit heeft alles met onszelf te maken en met de ziekte van het nihilisme en het cultuurrelativisme. Dit wordt gevoed door een verkeerde benadering van de internationalisering van de economische en culturele wereldorde; een proces dat nog veel verder zal voortschrijden en dat nationale identiteiten zeer onder druk kan zetten. Op zichzelf is dat gevaarlijk, omdat een goed internationaal acteren alleen kan, indien men heel goed weet wie en wat men zelf is, zowel wat betreft de zwakke als de sterke kanten.

Voorts is het internationaliseringproces gevaarlijk, omdat de zorg voor de regio en de natie in een steeds mondialer wordende wereld aan steeds minder instituties automatisch is toevertrouwd. De onderneming is niet meer persé regionaal of nationaal, de arbeidsmarkt wordt steeds internationaler en het openbaar bestuur wordt steeds grootschaliger. Wie bekommert zich in die orde nog om het dorp, de stad, de regio en het land? Dat wordt de grote vraag de komende tijd. Een belangrijke vraag, omdat de meerderheid van onze bevolking afhankelijk zal zijn en blijven van dit relatief overzichtelijke, geografische verband. Gabbers wijzen ons daar op hun manier op en het is de moeite waard om naar hen te luisteren. Maar waar zij vreemdelingen aanwijzen als erosiefactor voor nationale identiteit, moeten ze nog wat bijgeschoold worden. Dit lijkt mij een goede taak voor jullie, want dan spijker je je kennis ten aanzien van vraagstukken van nationale identiteit en nationale geschiedenis ook nog bij. En laat justitie en politie dan weer gewoon gaan doen waarvoor ze zijn aangesteld: boeven vangen!

Deze column is verschenen in Sum juni 1995

De opmars van de cabriolet


De cabriolet lijkt aan een onstuitbare opmars te zijn begonnen. Vrijwel alle grote merken hebben ze nu in hun stal of staan op het punt ze te fabriceren. Er wordt wel gesproken van een tweede jeugd voor de open auto. Ik denk dat het een verkeerde beeld spraak is. De open auto was tot voor kort voornamelijk een speeltje voor rijke mensen, die er iets anders bij wilden hebben. Bovendien was de open auto een product dat in Italië en Engeland floreerde. Italië is begrijpelijk, gezien het klimaat, voor de Engelsen moeten we wat dieper duiken. Hun klimaat, hoewel er hele mooie dagen zijn, nodigt er niet direct toe uit. Wél de Engelse passie voor het leven buiten de stad. Een ideaal dat niet alleen door de rijken wordt gekoesterd. maar ook door de middenklasse aan advocaten, dokters en managers.

Met enig recht mag Engeland de bakermat worden genoemd van de open auto. De onvolprezen Healey, maar natuurlijk ook de MG, om van Jaguar maar te zwijgen. Typisch Engelse producten met een dito slechts op Engeland gerichte marketing. Lange tijd kon het Verenigd Koninkrijk zich een dergelijke houding permitteren. Wie het Engelse product wil hebben doet zijn best maar, van aanpassingen is geen sprake. Het voorlaatste model van MG is daarvan weer zo’n proeve. Een prachtig vormgegeven auto, die een beroep doet op nostalgische gevoelens, slechts in Engelse versie leverbaar. Geen sprake van levering van exemplaren waarbij het stuur voor de meeste landen in de wereld op de goede plaats zit. De allernieuwste versie kent die mogelijkheid op termijn wel, maar dat is dan ook qua vormgeving eerder een Japanse dan een Engelse auto. Dom, dom, dom. MG had met zijn voorlaatste versie met gemak het continent kunnen veroveren en veel dokters, advocaten en managers kunnen overhalen om dit exemplaar als tweede auto aan te schaffen. Een markt die ze nu overlaten aan Mercedes en BMW. En ook Mercedes komt binnenkort met een open auto voor de middenklasse. Een segment dat kennelijk ontdekt is, gezien de vele merken die zich er nu en in de komende jaren op storten. Een beetje van de Hollandse koopmansgeest had er borg voor gestaan dat de MGB met zijn voorlaatste versie al een belangrijk deel van die markt in zijn zak had zitten. Maar ja, zo werkt het niet op dat eiland, daar koesteren ze zich liever in ‘splendid isolation’ en in de vergane glorie van wat eens The Empire was. Het heeft iets charmants natuurlijk, maar ook iets triests. Een land dat zulke kansen laat liggen, die het zo goed kan gebruiken in een samenleving die kampt met grote werkloosheid en almaar toenemende sociale ongelijkheid. Een land met een totaal verarmde midden- en arbeidersklasse, een land waarin alleen de rijke financier het nog echt naar zijn zin kan hebben.

Zelf ben ik ook een liefhebber van de open auto. Ik bezit een MGB uit 1976 voor bij de deur en een Jaguar xjs V12 Cabrio uit 1992 voor de langere afstanden. Mijn MGR is onlangs uitgerust met nieuwe schokdempers. Ik had er overigens niet zoveel fiducie in. Ik wist ten slotte niet eens hoeveel schokdempers een auto telde. Nu weet ik dat het er ten minste vier zijn. Maar wat een wereld van verschil zeg. Mijn MGR ligt sindsdien als een huis op de weg. Stuurmanskunst kan achterwege blijven, de auto zuigt zich als het ware vanzelf aan de weg vast. Een grote vooruitgang van het rijgenot door een relatief kleine ingreep. Ik kan het iedere bezitter aanbevelen.

De Jaguar is echter een genoegen van een heel ander soort en niveau. Een luxe slagschip met - kan het zijn - toch een tikkeltje ordinaire uitstraling. Iets voor de directeur, maar ook vuur de bordeelexploitant. Ik voel me er dan ook wonderwel in thuis. Prachtige afwerking, veel hout, luxe bekleding en dan natuurlijk die prachtige linnen kap. Die kap die zichzelf met één druk op de knop in nog geen minuut opvouwt of inklapt. Een opwindend genot!
De rijkwaliteiten van de auto kunnen slechts in superlatieven worden besproken. Het heeft iets Amerikaans bijna. Dat zal wel een belediging zijn voor het eiland, maar zo is het gewoon. Je rijdt niet in deze auto, maar glijdt over ‘s Heren wegen. Moeiteloos kun je er zeer hard in rijden — hoewel je dan wel heel vlug weer moet tanken met zo’n twaalfcilinder — maar je doet het niet. De auto dwingt je als vanzelf tot een rustig rijgedrag, tot glijden in plaats van racen. Luxe op en top, zowel in rijstijl als voor het oog. Een auto om mee te dwalen door mooie zonovergoten landschappen en daar te leven waar het leven nog goed is.

Ik behoor echter tot de categorie mensen die moet werken voor de kost en er eigenlijk niet aan moet denken dat dat niet zou moeten. Voor mij is de auto dus eerder een mogelijkheid dan de realisatie van een luxe bestaan. Maar zoals u weet is het wenkende perspectief heel wat vervullender dan het gerealiseerde perspectief. Of zoals mijn goede oude moeder het zo kernachtig kan opmerken: ‘het bezit van de zaak is het einde van het vermaak’!

Gepubliceerd in Carros, 2e jaargang nr. 4, september / oktober 1995

Mobiliteit en aantal autokilometers groeien


De mobiliteit in Nederland is met 1% toegenomen. Het aantal personenautokilometers steeg met i,6%. De automobiliteit blijkt in vergelijking met 1986 16% te zijn gegroeid. Het aantal reizigerskilometer per trein daalde. Tram, bus en metro bleven op het peil van 1993.

Een droge, maar zeer onthutsende opsomming van feiten in de Miljoenennota onder het hoofdstukje ‘mobiliteit en infrastructuur’. De strijd van achtereenvolgende kabinetten tegen het oprukken van de automobiliteit is niet alleen een verloren strijd, maar ook het alternatief, openbaar vervoer, blijkt niet in staat te zijn een graantje mee te pikken van de nog steeds toenemende mobiliteit.
De trein scoort op dit punt het slechtst. Het aantal reizigerskilometers loopt terug, en dat ondanks de privatisering van het bedrijf en de introductie van steeds maar weer nieuwe producten. Daar is liet dweilen met de kraan open. Wat aan de ene kant wordt gewonnen door kostenreductie, vooral in de personele sfeer, wordt aan de andere kant weer tenietgedaan duur het verlies van marktaandeel, niet alleen relatief maar zelfs absoluut. De directie wordt daarop door niemand publiekelijk aangesproken. President Den Besten mag doorgaan met zijn blijde boodschap en optimistische visie. Lijkt me ook niets op tegen, want een sombere kijk biedt helemaal geen oplossing. Waar echter wél veel op tegen is, is dat met de man geen harde afspraken worden gemaakt over de resultaten die hij met zijn bedrijf zal moeten halen. Eén van die resultaten moet natuurlijk de vergroting van het absolute en relatieve marktaandeel in de mobiliteit zijn. Graag in harde cijfers, het aantal reizigerskilometers bijvoorbeeld.
Het openbaar vervoer staat er in deze Miljoenennota dus gekleurd op, maar maatregelen (ten goede) blijven uit. Zeker, er wordt extra geld uitgetrokken voor grote railinfrastructuurprojecten, met name in de Randstad. Een bedrag dat tot het einde van onze eeuw oploopt tot zo’n zes miljard gulden. Die projecten moeten de positie van het openbaar vervoer tegenover de auto verbeteren. Maar vanzelf zal dat niet gaan. Alle infrastructurele investeringen ten spijt is het aantal reizigerskilometers niet toe- maar afgenomen en dat geeft te denken. Kennelijk is er in de bedrijfsvoering nog een hoop te verbeteren en schort het aan producten die klanten kunnen verlokken de auto te laten staan en het openbaar vervoer te nemen. Toch staan velen van ons dagelijks in ellenlange files, waarvan lengte en tal nog steeds groeien.
Een goed alternatief is het openbaar vervoer momenteel dus nog steeds niet. De voornaamste oorzaak daarvan moet worden gezocht in het feit dat het openbaar vervoer op geen enkele manier een aansluiting heeft op ons privé-vervoer per auto. De overstap van het ene vervoermiddel in het andere is slecht of in het geheel niet geregeld. De voorvorige minister van Verkeer en Waterstaat, destijds mevrouw Smit-Kroes (VVD), begreep dat en liet toen zogenaamde ‘transferia’ ontwerpen. Dit waren enorme parkeergarages aan de randen van de grote steden, van waaruit de automobilist kon overstappen op allerhande openbaarvervoersmodaliteiten. De stedelijke centra zouden worden ontlaat van autoverkeer en niet langer meer verstoppen, en een snelle afhandeling van het vervoersaanbod van buiten de stad was gegarandeerd. Hetzelfde zou gaan gelden voor het vrachtverkeer. In grote distributiecentra buiten de stad zouden de goederen worden gelost, om vervolgens met kleine auto’s fijnmazig te worden gedistribueerd. Dat zou een hoop moeizaam gemanoeuvreer van veel te grote vrachtwagens in de steden schelen en bijdragen tot ontstopping van die steden.
Van al deze mooie plannen is er na zeven jaar nog niet één gerealiseerd. Er is geen stad in dit land die over een dergelijk transferium kan beschikken. Men schroomt overigens niet een parkeerplaatsje met een gebrekkige openbaarvervoersaansluiting met deze mooie naam te tooien. Maar daar is ons land goed in, in schone schijn, met name in woorden.
Ondertussen wordt de lastendruk op de auto gewoon verder opgevoerd. Onze accijns op benzine en diesel - toch al niet voor de poes in vergelijking met onze directe buurlanden - gaat nu voortaan gelijk op met de gemiddelde prijsstijging. Hebben we niet elk jaar dat gedonder over een kwartje van Kok of iets dergelijks? Er hoeft geen besluit meer over te worden genomen in het parlement, dus geen politiek gekrakeel meer, en de pers kan op zoek naar andere onderwerpen die de burger beroeren. Daar staat overigens geenszins een voortvarende aanpak van het fileprobleem tegenover. U blijft niet alleen in de file staan, maar ze worden langer en vinden verspreid over de gehele dag plaats. Nieuwe producten om de aansluiting van particulier- en openbaar vervoer te verbeteren hoeft u van het paarse kabinet niet te verwachten. Maar volgens de Miljoenennota gaat het weer uitstekend met het land en vooral met de mensen. hen jaar paars heeft ons een waar wonder gebracht, De media volgen de paarse regeerders in deze hallelujatijding. De landing zal geen zachte worden, maar een keiharde. Een land dat nu al decennia lang de ogen sluit voor noodzakelijke structurele veranderingen, verdient niet beter.

Gepubliceerd in Carros, 2e jaargang nr. 5. november / december 1995

De jacht


Het is al weer enige jaren geleden dat ik door een collega-vriend van mij uitgenodigd werd om deel te nemen aan de jacht. Hij was oud-directeur van de Koninklijke Nederlandse Jagers Vereniging, voordien dierenarts en nadien interim-manager. ln die hoedanigheid heeft hij mij geassisteerd hij de realisatie van de ov-jaarkaart voor studenten, dat vervoersbewijs dat studenten tegen sterk gereduceerde prijs krijgen bij de aanvang van hun studie. Maar bovenal is deze vriend een jager. Een mensensoort dat een intense relatie onderhoudt met de dieren in de natuur. Een harde, maar tezelfdertijd faire relatie. De natuur kent de wetten van de sterkste en het is eten of gegeten worden. Bij jagers is voor deze wetten van de natuur niet alleen een groot respect, maar ook een intense belangstelling voor al wat leeft en groeit Als burgerman moet je er even inkomen. De dood is immers uit ons bestaan zoveel mogelijk verdreven naar medisch specialisten, ziekenhuizen, verpleegtehuizen en mortuaria. Het kerkhof ligt al lang niet meer midden in de leefgemeenschap en velen verkiezen de anonimisering van het crematorium met daarna de verstrooiing over land of water. Weg is weg en liefst zo geruisloos mogelijk. Het enige dat telt is het oneindige leven dat we via gezondheids- en sportprogramma’s en – als dat allemaal niet meer helpt - met ver doorgevoerde medische technologie tot in het oneindige trachten op te rekken. De dood is als vanouds een angstwekkend mysterie, dat we zo veel als mogelijk uit ons moderne dynamische bestaan trachten te bannen. Degenen die zich met de dood bezighouden, moeten het daar niet te veel over hebben en we benaderen hen met een zeker respect. De doktoren, dominees, pastoors en uitvaartbezorgers mogen rekenen op onze dankbaarheid voor het feit dat ze dit karweitje voor ons opknappen. De slagers en de jagers mogen echter rekenen op onze onverschilligheid of agressie.

Meer dan een jaar geleden werd ik uitgedaagd om een koe te slachten, eigenhandig. Dat gebeurt je niet elke dag en vragensteller bezorgde me een angstig moment. Het was de slager in een Fries dorp. Hij was zeer op mij gesteld, maar vond mij ook een stadse meneer, een professor met veel verstand, maar wist zo’n man wel iets af van het echte leven? De uitdaging werd mij voorgelegd aan de stamtafel temidden van een groep wederzijdse vrienden. Het was doodstil en eenieder keek mij verwachtingsvol aan. Hier werd de ultieme vraag naar de vriendschap gesteld en wat zou onze stadsmeneer daarop antwoorden? Na enige ogenblikken te hebben nagedacht. antwoordde ik met het eenvoudige ja. Ik ben tenslotte een vleeseter en waarom dan weggelopen voor het onvermijdelijke doden van het dier dat mij tot voedsel en genoegen strekt. Enige maanden later was het zover en heb ik de daad, uiteraard onder toezicht en met medewerking van de slager, bij het woord gevoegd. Daarna werden wij vrienden voor het leven. Een leven dat wat de slager betreft nog maar een jaar heeft geduurd. Ik heb publiekelijk de consequentie aanvaard van het eten met smaak van vlees en dat is het doden van het dier dat tot voedsel dient. Hetzelfde valt natuurlijk te zeggen over al die eters van het wild en gevogelte dat onze tafels siert.
Maar aanvaarden we nu ook de consequentie dat het dier, alvorens het onze dis bereikt, moet worden gedood? Ja en nee. Ja, als het maar ver buiten ons gezichtsveld gebeurt, in hygiënische slachterijen die niet in onze woonbuurten zijn gelegen. Neen, als de confrontatie met de dood van het dier te direct is.
In Nederland is het niet eenvoudig om actief deel te nemen aan de jacht. Toen ik door mijn vriend werd uitgenodigd was er voor mij slechts een plaats tussen de drijvers, de mensen die het wild opjagen. ben positie die natuurlijk ver beneden mijn waardigheid is, maar het was niet anders. De jacht is immers omgeven met tal van zeer scherpe regels, waar van overheidswege nauwlettend op wordt toegezien. Het verkrijgen van een jachtakte, dus het diploma om te mogen jagen, neemt al gauw één & twee jaar in beslag. Theorie- en praktijklessen, afgesloten met een heus examen. De eisen zijn in mijn ogen absurd. Je moet van alles en nog wat weten, wat voor een goed jager helemaal niet ter zake doet. De drempel is daardoor heel erg hoog. En als je niet uit een gezin komt, waarin men van nature jaagt, dan is de kans niet groot dat je toetreedt tot dit selecte gilde. Met de akte ben je er nog niet. Dan heb je nog een jachtterrein nodig en een aan regels gebonden vergunning.
Ik zal u niet lastigvallen met de inhoud daarvan. De deskundigen onder u kennen ze en de belangstellende buitenstaander zal van mij willen aannemen dat er heel erg veel regels zijn die moeten worden nageleefd. Kortom, het wild in Nederland is uitstekend beschermd en de jagers zijn onderworpen aan een zwaar regiem met een goed controlerende overheid. Dit moet dus geen problemen opleveren, zou je denken.
Zo is het echter niet. Allerhande dierenbeschermingsorganisaties zijn tegen en rusten niet eerder dan dat de jacht gewoon verboden wordt. Zij zijn tegen het doodmaken van dieren en naar ik hoop ook consequent door geen vlees te eten.
Wat daarvan zij, de overheid laat steeds vaker haar oren hangen naar dit soort fundamentalisten. Ook nu weer wordt een aanval ingeluid om de lacht aan nog weer strengere regels te onderwerpen, zodat zij langzamerhand onmogelijk wordt. De natuur is daar geenszins mee gediend, maar het verwekelijkte geweten van menig politicus kennelijk wel. Met instemming mogen er overal op de wereld hele volkeren worden afgeslacht. De gereglementeerde jacht op wild dreigt echter in Nederland tot het verleden te gaan behoren. Het wordt tijd dat men de terreur van de dierenbeschermers teweer staat en in Nederland de uiterst verantwoorde jacht de ruimte geeft die zij nodig heeft.

Het ontbrekende milieudebat


In Nederland - en trouwens in de gehele wereld - ontbreekt het aan een echt debat over het milieu. Het milieu is heilig en doet politici slechts vervallen in vrome, dikwijls huichelachtige, overpeinzingen en standpunten. Men praat het grote publiek graag naar de mond. En het grote publiek wil het goede, maar doet stilletjes het kwade. En geen politicus die uit is op herverkiezing wenst deze collectieve huichelarij in ronde bewoordingen aan de kaak te stellen. Het grote publiek beleidt met de mond Moeder aarde te willen bewaren en behouden voor hun kinderen en kindskinderen tot in alle eeuwen der eeuwen, amen... zo voeg ik eraan toe. Maar kom het grote publiek niet aan de vliegvakantie, niet aan de automobiliteit, niet aan de onbeperkte consumptie, want dan wendt het grote publiek zich snel van de onheilsbrenger af. Het grote publiek wil een mooi milieu, maar wenst er, opdat enkele kwartje in een lucifersdoosje na, niet voor te bloeden. Politici en milieumaffia hengelen ondertussen in dezelfde vijver en maken beide gebruik van deze collectieve hypocrisie. De milieumaffia wakkert de angst van het grote publiek aan en ontvangt daarvoor de aflaat van de grote financiële steun van particulieren en overheid. De politicus bewijst lippendienst aan het milieu en ontvangt daarvoor stemmen, geen gezeik allemaal rijk!
Dat 'milieu' inmiddels big business is geworden, waarin hele grote bedragen omgaan, dat ontgaat het aflaat-kopende grote publiek. De dames en heren milieu-maffiosi doen daar hun voordeel mee en schromen ook de private verrijking niet. De politici incasseren in stilte al dan niet financieel.
Een weerzinwekkende vertoning dus, die op den duur het milieu slechts kan schaden. De tijd is niet meer ver of de eerste grote schandalen op het gebied van milieubeheer zullen aan het licht treden. In de Rotterdamse haven hebben we zo'n schandaal zelfs al achter de rug. Een schandaal, waarbij overigens de uiterste dubieuze rol van oud-minister Neelie Kroes met de mantel der liefde is bedekt. Alleen de echte schurken voor de schermen zijn voor de kadi gesleept en in het gevang gestopt. Ondertussen heeft mevrouw de minister, als minister en later als commissaris, een vette vinger in de pap gehad en ze heeft er zelfs een leuke cent aan verdiend. De elite zorgt ervoor, met behulp van het opsporingsapparaat, dat dat niet tot op de bodem is uitgezocht, al was het maar om de lieftallige Neelie vrij te pleiten van elke blaam. Zo werkt dat niet en de cartoonist in het Rotterdams Dagblad die de euvele moed had om dit in een sexy satirische prent aan de orde te stellen, mocht rekenen op een heus proces van de kant van 'ons Neelie'. Een proces dat ze gelukkig heeft verloren. Waar blijven we tenslotte als niet meer getekend mag worden, wat eigenlijk gezegd had moeten worden.
De rechterlijke macht verdreef met deze uitspraak enigszins de geur van klasse-justitie, echter niet meer dan enigszins. En was het niet ons Neelie die op TV ons de oren van de kop zeikte over onze kinderen en kindskinderen, zo begaan was zij met het milieu. Maar toen ze er ècht iets aan kon doen, liet ze niet alleen maffiosi hun gang gaan en keek ze de verkeerde kant op, maar aanvaarde het lieftallige vrouwtje van de even schattige en lieftallige Rotterdamse burgervader, Bram Peper, daarvoor ook geen enkele verantwoordelijkheid. Laat het welzijn van onze kinderen en kindskinderen maar over aan vrouwtje Neelie, dan bent u er zeker van dat het de verkeerde kant opgaat. Maar haar bedoelingen zijn goed en dat is genoeg in het goede vaderland.
Ondertussen krijgt de milieumaffia alle ruimte met haar gestook tegen de inmiddels meer dan schone auto, met haar gezeur over het broeikaseffect, met haar dubieuze voorspellingen van milieurampen als Shell de Brentspar afzinkt, en de gevolgen van het in brand steken van de oliebronnen van Koeweit door die vreselijke dictator van Irak. Oliebronnen die met gevaar voor eigen leven door Amerikaanse mannen zijn geblust, niet door milieumaffioso Reinders. Dìe voorspelde ons een poolnacht, bleef lekker thuis en hield zich stil toen die poolnacht uitbleef.
Ben ik nu tegen een goed milieubeheer? De lieve lezer zou het haast gaan denken, maar zo is het nìet. Uiteraard ben ik voor een goed milieubeheer en voor het nadenken op de lange termijn daarover. Maar ik houd níet van struisvogelpolitiek, dus ook niet op het gebied van milieu.
Wat ik wèl wil is een zinnige discussie, die niet voortdurend door geloofsijver is beladen. Een discussie waarbij integriteit wordt voorondersteld en niet voortdurend met zalvende bezweringsformules behoeft te worden bewezen. Een discussie die het milieubeleid open trekt en uit zijn door niets en niemand gecontroleerde ivorentoren van deskundigen en daarvan gewiekst gebruikmakende handige zakenlieden.
Het ministerie van VROM is hard op weg zich eenzelfde positie te verwerven als Rijkswaterstaat, een staat binnen de staat. Er worden daar milieumaatregelen bedacht die in geen enkelen verhouding staan tot de kosten en de resultaten daarvan. Uiterst minieme verbeteringen worden afgedwongen tegen exhorbitante kosten, die de consument weer terug vindt in de prijs. Het milieubedrijfsleven spint er garen bij. Elke door hen gevraagde prijs, is een geaccepteerde prijs, gelijk die van onze automatiseringsadviseurs in de jaren tachtig. Dieven die nu met hun miljoenen - en somtijds miljarden - in zonnige oorden toeven.
De maffia van milieuorganisaties tenslotte, waant zich boven en buiten de wet. Niets gaat te ver. Zelfs de vliegbanen van Schiphol zijn niet veilig voor hun heilige verontwaardiging. Als een rechter daar anders over oordeelt en hen bestraft, dan gaan ze in hoger beroep, desnoods tot aan de Hoge Raad. En niet te vergeten, ze verdienen er een aardig belegde boterham mee in het veilige besef dat ze zoveel beter en heiliger zijn dan wij, de boerenlullen die voor dit weerzinwekkende circus in zijn geheel mogen opdraaien.
Ik wens een uitstekend milieubeleid op basis van de uitwisseling van uiterst zakelijke argumenten en ècht gecontroleerd door onze volksvertegenwoordiging, niet meer en niet minder. En ja, de kwestie Neelie Peper uitgezocht tot op de bodem!

25 maart 1996

De eeuw van de vrouw en de homoseksuelen


We leven aan de vooravond van een samenleving waarin, afgezien van het gezin, geen enkel samenlevingsverband nog een vanzelfsprekend gegeven zal zijn. Meer dan ooit zullen we samenlevingsverbanden moeten bedenken, willen en vervolgens creëren. Social engineering, een amateuristische bezigheid van sociaal-democraten van het Plan van de Arbeid in de dertiger jaren, zal een hoogst professionele bezigheid zijn waaraan veel behoefte is. Zo bezien staan de vrouwen en met hen de sociologie een periode van ongekende bloei en mogelijkheden te wachten. Het zijn immers de vrouwen die van oudsher de boel bij elkaar houden, die fundamentalisme tegen gaan, kijken naar emotionele onderstromen en nogal pragmatisch en nuchter te werk gaan bij hun verzoenende arbeid.
De teloorgang van vanzelfsprekende samenlevingsverbanden kent niet alleen een opmerkelijke geschiedenis maar buitendien is die geschiedenis nogal kort. Om precies te zijn ruim twintig jaar. En wat is dat nu in de geschiedenis van de mensheid. Nog tot in het begin van de zeventiger jaren was ons land een sterk verzuild land. Het hele land was opgedeeld naar godsdienstige en maatschappelijke gezindte. Men kon bij wijze van spreken zijn hele leven van de wieg tot het graf doorbrengen in één en dezelfde zuil. Dat was overzichtelijk en gaf een geborgen en veilig gevoel, maar ook menigeen een zeer benauwd gevoel. Sociale controle was er overal en afwijkende opvattingen en gedragingen leidden steevast tot moeilijkheden en somtijds tot uitstoting. Binnen deze verbanden was er een strikte en collectieve beleving van het stelsel van normen en waarden. Vaders en overdrachtelijke vaders, blanke heteroseksuele mannen, traden op als normstellers en -handhavers. Vrouwen vervulden in het publieke domein nauwelijks een rol en speelden hun spel op de achtergrond als de 'moeder' in al haar varianten.
Overigens daarmee niet een te verwaarlozen rol, alleen maar minder zichtbaar en minder bewust beleefd. Aan het eind van de zestiger jaren komt als vervolg op het jongensprotest in deze jaren tegen het patriarchale gezag, het vrouwenprotest op gang. Zij maken definitief korte metten met dat patriarchale gezag en plaatsen de man op cultureel niveau op gelijke hoogte met zichzelf. In een zeer kort tijdsbestek onthiërarchiseert de samenleving in al zijn geledingen. Van de vereniging tot aan het bedrijf, van het ordehandhavingsapparaat tot aan de vakbond, van dominee en pastoor tot minister en directeur. Er ontstaat een zekere mate van gelijkheid tussen de generaties en een volledige gelijkheid tussen mannen en vrouwen, nochtans op cultureel niveau maar in de naaste toekomst zeker ook op economisch niveau.
Bijprodukt van deze emancipatie van jongeren, van mannen en vrouwen en van de ontzuiling van de samenleving is evenwel het wegvallen van vanzelfsprekende samenlevingsverbanden en van het bewust beleven van een collectief stelsel van normen en waarden. Daaraan doen we weinig meer en dat op zijn beurt draagt bij tot erosie van samenlevingsverbanden.


Op vleugels van deze maatschappelijke ontwikkelingen kon de informaticarevolutie letterlijk vleugels krijgen. Er waren weinig weerstanden te overwinnen tegen de vloeiende invoering van de nieuwe technieken. Thans beleven we een nieuwe golf van introductie van informaticatechnieken die zowel onze organisatie van de produktie van goederen en diensten alswel de wereld van de arbeid diep ingrijpend zal veranderen. De produktie van goederen en diensten moduleert momenteel razendsnel en vindt in steeds grotere en fluctuerender netwerken plaats. De netwerken zullen letterlijk wereldwijd worden. Het in Rotterdam tezamen met een ingenieursbureau in bijvoorbeeld San Francisco ontwerpen en produceren van een goed of dienst, terwijl je ieder op je eigen plek en je eigen stad achter je computertje en driedimensionale beeldscherm zit, zal heel normaal worden. Kosten en kwaliteit worden de beslissingsparameters bij uitstek voor de te weven netwerken van producenten van goederen en diensten. Het loonafhankelijke dienstverband met een aanstelling voor onbeperkte duur, heeft zijn langste tijd gehad. Daarvoor in de plaats komen flexibele contracten, waarin niet de functie maar de klus centraal staat en evolueren medewerkers in de richting van ondernemers van hun eigen arbeid. Deze ontwikkelingen bieden enorme kansen, maar vergen ook heel veel organisatie. Zo'n netwerk komt tenslotte niet zo maar tot stand. Daar moet je hard aan werken. Dat is niet alleen een kwestie van techniek en expertise, maar ook een kunde om mensen en kleine organisaties bij elkaar te brengen in een vruchtbare samenwerking die leidt tot concrete en gewilde produkten en diensten.
Het is duidelijk dat dit alles veel vraagt aan organisatietalent en aan talent om de boel bij elkaar te brengen en te houden. Het blijkt nu dat vrouwen dat in onze cultuur een stuk beter kunnen dan mannen. Voor een deel heeft dat een bio-sociale achtergrond en oorzaak. Immers de vrouwen zijn lang verbannen geweest tot het private domein waar de roedel bijeen gehouden moest worden en waar de emotionele huishouding een gewichtiger rol speelt dan de rationele en verbale huishouding. Vrouwen zijn er dus in een lange geschiedenis bedreven in geraakt om goed naar emotionele stromen in samenlevingsverbanden te kijken en daarop hun politiek af te stemmen. Aan het verbale en rationele wordt door hen een minder absoluut gewicht toegekend dan door mannen. Ze kijken vaker naar het hoe en waarom, dan naar het wat. Daardoor zijn zij beter geëquipeerd om samenlevings-, samenwerkingsverbanden en netwerken te entameren dan mannen. Althans, zo ziet de wereld er nu nog uit. Homoseksuele mannen hebben inmiddels laten zien dat deze eigenschappen niet exclusief zijn voorbehouden aan vrouwen. Weliswaar schijnt daar ook iets genetisch aan ten grondslag te liggen, maar er is nog hoop voor de heteroseksuele mannen onder u. De vrouwelijke emoties en het vrouwelijke talent zijn tot op zekere hoogte te ontwikkelen als u er open voor wilt staan. Maar 'a hell of a job' wordt het zeker! En anders, ja anders zal in de volgende eeuw de wereld worden geregeerd door vrouwen, en door homoseksuelen natuurlijk.

10 juni 1996

De files van Annemarie


Het spektakel van de Miljoenennota is voorbij, de Gouden Koets staat weer op stal en de Majesteit zit steviger op Haar troon dan ooit tevoren, maar de files groeien en bloeien in getal en lengte.
De minister van Verkeer en Waterstaat gaat daar nu iets aan doen. Beloften worden overigens niet gedaan, terwijl dat zo makkelijk is. Verkeer en Waterstaat weet precies waar die files elke dag weerkeren en hoe lang ze zijn. Niets leuker voor het volk en uitdagender voor de minister dan die files te benoemen en te vertellen wanneer een specifieke file is verdwenen dan wel sterk ingekort. Eenieder kan dan vervolgens uit eigen waarneming vaststellen of de minister zich aan haar beloften weet te houden. Dat gebeurt natuurlijk allemaal niet, veel te riskant, want dan kunnen wij haar afrekenen op haar daden en Annemarie wil nog langer mee dan dit kabinet, liefst nog een ritje Kok II.
Wat ze wel te bieden heeft, is overigens meer van hetzelfde. De benzineaccijns gaat omhoog, bekend is dat dit niets uithaalt. Ook generieke maatregelen halen niets uit. Overigens zou het wel aardig zijn indien de overheid voor de wanprestaties die ze op dit terrein levert, nu eens bestraft zou worden in plaats van beloond met nog meer geld. Waarom kun je in het buitenland bij een substantiële vertraging van de trein je geld wel terugkrijgen en waarom kan een autobezitter dat niet, als hij weer eens in de file zit? Het zou een aardige prikkel zijn om die wegen eens heel veel beter te beheren.
Het wegenbeheer in Nederland is een grote bureaucratische puinzooi, waar slechts één instituut slapend rijk van wordt en dat is de bedrijfstak wegenbouw en wegenonderhoud. Als je veel op de weg bent en je ogen goed de kost geeft, dan zie je dat daar heel veel, heel erg makkelijk wordt verdiend. Er is een overvloed aan personeel dat loopt te lanterfanten. Van een ploegje van een man of zes - je ziet ze nooit alleen - loopt ten minste de helft met zijn handen in zijn zakken of staat een shaggie te draaien.
De aard van de werkzaamheden is dikwijls duister of ronduit ridicuul. Er wordt een stukje vangrail gerepareerd, een streepje gezet, wat gras weggemaaid, een stukje wegdek vernieuwd of een lampje ingedraaid. Dit alles gebeurt bij voorkeur overdag, spitsuur of geen spitsuur. De veiligheidsmaatregelen die worden genomen zijn niet voor de poes. Kilometers véér de feitelijke werkplek begint de afzetting, en als er op één baan wordt gewerkt, wordt ook de aanpalende baan afgezet. Onlangs nog drie uur gedaan over het stukje Utrecht-Rotterdam. Bij het Gouwe-aquaduct was een vrachtwagen van de weg afgeraakt en het weiland ingereden. De auto moest weer op de weg worden getakeld.
Dat doet men dan tijdens spitsuur en daarvoor is het nodig drie van de vier banen af te zetten om de takelwagen de gelegenheid te geven zijn werk te doen. Groter minachting voor de weggebruiker is niet denk baar. Er staat ook een overmacht aan politie toe te kijken. Niemand doet iets substantieels. Er is veel lol en dat is dat.
Wegenbeheer in Nederland is ronduit een verschrikking. Een verschrikking waar miljarden guldens in omgaan. Onze guldens wel te verstaan, Ik ben er van overtuigd dat bij een efficiënter wegenbeheer veel files kunnen worden voorkomen. Het is helemaal niet nodig om bijna elk moment weer een kleine verbetering hier of daar aan te brengen. Veel belangrijker is dat het verkeer kan doorstromen en dan is dat hobbeltje of dat versleten streepje niet erg. De snelweg tussen Rotterdam en Amsterdam via Den Haag is na tien jaar nog niet klaar. Het lukt er zelfs nog niet op. Hoe komt dat? En er wordt wel telkens aan gewerkt. En wat heeft het ons al niet gekost? En waarom wordt die wereld van de wegenbouw niet opengebroken, zodat er echte prijs, en kwaliteitsconcurrentie kan plaatsvinden? Het zal de heren wegenbouwers en wegenonderhouders leren om snel te werken en ervoor te zorgen dat we van hun werkzaamheden zo min mogelijk last hebben. In Italië is de weg’ en waterbouw vergeven van de corruptie. In Nederland is dat niet eens nodig, het gemakkelijke geld stroomt zonder corruptie ook wel binnen.
Files moeten structureel worden bestreden door het verbreden en uitbreiden van ons wegennet. Maar er valt nog een wereld te winnen bij tal van kleine maatregelen, onder meer gericht op een effectief wegenbeheer. Een strook van een paar kilometer asfalt bij het knelpunt is vaak al voldoende om de ergste nood te lenigen.
In de volgende eeuw wonen we met achttien miljoen mensen op dit kleine stukje grond. Het is goed reeds nu te stellen dat Nederland in feite geen land is, maar een grote metropool, met schitterende landschapsparken. Denken we zo over ons land, dan zullen we benodigde infrastructuur om onze mobiliteit veilig te stellen met gezwinde spoed aanleggen. Het is tenslotte absurd om de mobiliteit van stadsbewoners terug te willen dringen, dat laat zich niet dwingen. Laat ons in de stad Nederland kunnen bewegen, op de tijdstippen en de manier waarop de stadsbewoner dat goeddunkt. Daarvoor te zorgen is de taak van de politiek in het algemeen en van het wegenbeheer in het bijzonder.

Gepubliceerd in Carros, 3e jaaargang nr. 6, januari /februari 1997

Grote infrastructurele werken


Paars heeft de opdracht voor haar volgende kabinet gevonden:

grote infrastructurele werken. Ambitieus wordt het programma ‘de agenda voor de volgende eeuw’ genoemd. Het gaat dan om de aanleg van de hogesnelheidslijn, de Betuwelijn, de uitbreiding van de nationale luchthaven Schiphol, de aanleg van een tweede Maasvlakte, de aanleg van een lightrailnet in de Randstad, grootschalig ondergronds bouwen en dergelijke. Opvallend is dat het allemaal nogal ouderwets aandoet. Het gaat om infrastructuur die qua opzet al ruim een eeuw oud is. De trein is verbeterd, zo ook auto’s, maar het is van hetzelfde laken een pak.
‘Nederland is vol’ mag niet worden gezegd, maar het is wel zo. Dit land is overvol en het kabinet-Kok accepteert dit gegeven tussen neus en lippen door, met de vrolijke stellingname dat we ons moeten voor bereiden op een inwonertal van zo’n 18 miljoen mensen. Een bevolkingsgroei van twee miljoen mensen die voornamelijk voor rekening komt van gezinshereniging en hoge kindertallen van hiernaartoe gekomen vreemdelingen, met name uit islamitische landen. Kok vermeldt er niet bij dat dit - bij ongewijzigd beleid - betekent dat het dode gewicht in de samenleving alleen maar toe zal nemen. Nu al staan er twee miljoen mensen langdurig buiten het arbeidsproces die daar in beginsel wel aan kunnen deelnemen. Zij zouden dat kunnen indien wij, in navolging van bijvoorbeeld de vs, de lonen aan de onderkant van de arbeidsmarkt drastisch zouden verlagen en hetzelfde zouden doen met de bijstandsuitkering voor al diegenen die in principe wel zouden kunnen werken voor de kost. Dan zou Nederland er een stuk aangenamer uitzien en geen achterstandswijken kennen waar jonge, vitale mensen de godganse dag zonder perspectief rondhangen.
Veel schot zit er overigens niet in. Ook de jongere generaties maken zich op voor een arbeidsloos bestaan. Het onderwijs op de zogenaamde ‘zwarte scholen’ is bar en boos. In groep acht hebben ze daar het niveau van groep vier op een witte school, Tel uit onze winst. Het is dus alleszins aannemelijk om te verwachten dat bij een bevolkingsuitbreiding met ruim twee miljoen mensen een aanzienlijk deel daarvan geen productieve bijdrage zal leveren aan de Nederlandse economie. Zoiets loopt op den duur natuurlijk spaak en wel om velerlei redenen.
Ten eerste is daar de afnemende bereidheid van de verdieners en de bedrijven om blijvend op te draaien voor de hoge kosten van de Nederlandse verzorgingsstaat.
Ten tweede brengen de informatietechnologie en de daaruit voortvloeiende global village met zich mee dat het steeds moeilijker zal worden om precies vast te stellen waar de winsten en kosten worden ge maakt. Dat werkt belasting- en lastendrukontwijking alleen maar in de hand. De bereidheid om voor de kosten op te draaien neemt af en de mogelijkheden om zich daaronder uit te wurmen, nemen navenant toe. Voor de concurrentiepositie van het Nederlandse bedrijfsleven is buitendien een kostbare verzorgingsstaat met vele inkomensoverdrachten niet bevorderlijk. ‘Op zijn Hollands’ zal dat leiden tot enige aanpassing en voor het overige tot veel inventief ontwijkinggedrag, hetgeen de belastingmoraal nog verder zal ondermijnen.
Maar ook hier zal op den duur de wal het schip keren, zij het met grote problemen. Die blijmoedig aangekondigde uitbreiding van de bevolking zal naast economische, ruimtelijke en ecologische spanningen ook de nodige culturele botsingen opleveren. De islamitische cultuur verschilt immers op een aantal zeer wezenlijke punten van de onze. Te denken valt in dit verband aan de scheiding van kerk en staat, de positie van vrouwen en homoseksuelen ten opzicht van heteroseksuele mannen of wat daarvoor door moet gaan en de verhouding tussen volwassenen en kinderen, Als ‘paars’ het dus heeft over de ‘agenda van de volgende eeuw’ dan staan deze problemen er prominent op. Paars onderkent dat echter mondjesmaat en stort zich liever op de fysieke infrastructuur. Dat is overzichtelijker en daar kun je goed mee scoren.
Nederland begint langzaam maar zeker de contouren van een land te verliezen. Een land kent immers naast steden en dorpen ook veel open ruimte. In Nederland woonden aan het eind van de vorige eeuw ruim vijf miljoen mensen, aan het begin van de volgende eeuw zijn dat er achttien miljoen, ondanks de drastische geboortebeperking van de oorspronkelijke bevolking. Open ruimte bezitten wij nu al nauwelijks meer en als al die plannen van Vinex-locaties tot en met nieuwe bedrijfsterreinen doorgaan, dan bestaan er straks gewoon geen open ruimten meer. Een enkel landschapspark en dat is dat. Ongetwijfeld heeft dat ook ingrijpende gevolgen voor onze psychologische gesteldheid. Nederland is op weg om één grote stad te worden met alle problemen die aan metropolen kleven. In het ruimtelijk beleid wordt deze notie ondertussen niet verwerkt. Nog steeds wordt er veel aandacht en geld verspild aan natuurbeleid. Een tunnel onder het Groene Hart van een miljard gulden. Waarom eigenlijk? Straks verrijst er bovenop die tunnel woningbouw of een bedrijvenpark of wordt er grootschalig gerecreëerd, activiteiten die uitstekend te combineren zijn met een spoor lijn, waar tien keer per dag een trein overheen dendert.
Meer in het algemeen heeft, op enkele gebieden na, een natuurbeleid in dit land geen zin. Laten we dat maar bekostigen in landen die nog wel over ruimte beschikken. Interessant is natuurlijk de vraag of we op weg naar de virtuele wereld van de informatietechnologie al die traditionele infrastructuur in deze megalomane mate nog wel nodig zullen hebben. Eén ding staat vast, ‘paars’ denkt daar in ieder geval niet over na. We zijn tenslotte weg- en waterbouwers en willen dat maar al te graag weten.

Gepubliceerd in Carros, 4e nr. 1, maart / april 1997

Wankele rechtsstaat


Nederland is het afgelopen jaar tal van keren opgeschrikt door uitbarstingen van wat men ‘zinloos geweld’ is gaan noemen. Veelal uitgeoefend door een groep, de meest laffe vorm van geweld. Over de precieze oorzaken en achtergronden tasten we in het duister. De juridische processen leveren evenmin een eenduidig beeld op. Wel is duidelijk dat het in vrijwel alle gevallen gaat om geweld, uitgeoefend door jonge mannen. Natuurlijk zitten daar sociale ‘losers’ tussen, maar er zijn er nok die een doorsnee maatschappelijke positie bekleden: jong gezin, eengezinswoning en een redelijke haan.
Historisch gezien neemt liet gebruik van geweld eerder af dan toe. Het beschavingsoffensief en de hogere en betere scholing van de bevolking hebben hun vruchten afgeworpen. Ook de sterk verbeterde huis vesting en gezondheidszorg hebben bijgedragen aan de afname van het geweld in de samenleving. Meer dan ooit zijn we er aan gewend ge raakt dat we conflicten uitpraten in plaats van daarvoor op de vuist te gaan.
De huidige geweldsincidenten schokken ons zo, omdat we het gebruik van bruut geweld ontwend zijn geraakt en omdat we daar uitgebreid en direct kennis van nemen via tv-beelden en de talrijke programma’s met wanhopige nabestaanden, de rechtszittingen en al die omstanders en deskundigen die hun mening geven. Een affaire komt daardoor dagen- zoniet wekenlang in het nieuws en dat versterkt het gevoel dat er veel geweld wordt toegepast in het openbare leven.
Bij elk incident volgt, als een soort Pavlov reactie, de roep om meer blauw op straat en strengere straffen. Een meerderheid van de bevolking is zelfs voor de herinvoering van de doodstraf. Dat er veel mankeert aan een effectieve inzet van politie en justitie is met de rellen vorig jaar in de Groningse Oosterparkbuurt weer eens gebleken. Woningen en interieurs werden getransformeerd tot volledige puinhopen, terwijl de aanwezige politie werkeloos toekeek. Te bang om het met een clubje van tien agenten op ie nemen tegen zo’n zestig relschoppers. Te gek voor woorden. Een paar schoten in de lucht en de meelopers waren weggerend, waarna de harde kern effectief kon worden aangepakt. De politie is echter een goede afspiegeling van de buurtbevolking. Menig stevig gebouwde huisvader wist niet beter te bedenken dan zenuwachtig om politiehulp te roepen. En dat terwijl een gerichte actie van potige huisvaders, die bovendien bekend zijn met de relschoppers - veelal eigen kinderen en vriendjes daar van -, wonderen had kunnen verrichten. Bang voor de eigen jongens en hun kornuiten.
De vraag is echter of nog meer agenten en nog zwaardere straffen zullen helpen. Agenten hebben we genoeg, alleen zijn ze door die afschuwelijke, door hun vakbonden verdedigde dienstroosters zelden beschikbaar op de momenten dat ze nodig zijn. En dat bij een zesendertig-urige werkweek en een werkjaar van ruim negen maanden. Van de gevangenis worden mensen niet beter, zo heeft wereldwijd onderzoek inmiddels uitentreuren aangetoond. Hoe langer de gevangenisstraf, hoe slechter men eruit komt en hoe moeilijker het is om een niet-crimineel bestaan op te bouwen. De doodstraf helpt ons van de dader af, maar verhindert geen nieuwe geweldsmisdrijven.
Naast openlijke geweldpleging stimuleert de zware georganiseerde misdaad steeds driester optreden van politie en justitie. De roep om meer bevoegdheden voor deze instanties is onophoudelijk en de politiek zwicht daar in toenemende mate voor. We hebben inmiddels de twijfelachtige reputatie van het land met de meest uitgebreide afluisterpraktijk ter wereld. De resultaten zijn er ondertussen niet naar. In de drugscriminaliteit gaan miljarden om en de echt grote vissen blijven steeds buiten beeld.
Dat deze bevoegdheden niet alleen worden gebruikt tegen criminelen moge blijken uit het zogenaamde beursschandaal en het oppakken van demonstranten ten tijde van de Eurotop in Amsterdam. Met behulp van het beruchte artikel 140, waarin het lidmaatschap van een criminele organisatie strafbaar is gesteld, worden tal van mensen in preventieve hechtenis genomen. Ons strafrecht is gebaseerd op het beginsel dat justitie schuld moet bewijzen en niet de verdachte zijn onschuld. Al deze preventief opgepakte lieden mogen in het gevang ondertussen bewijzen dat zij geen lid zijn van een criminele organisatie in de zin van artikel 140. Dat is ontzettend moeilijk, want als je zaken hebt gedaan met bijvoorbeeld een beurshandelaar die wordt verdacht van belastingontduiking, dan wordt verondersteld dat je deel uitmaakt van een complot, dus van een criminele organisatie. Artikel 140 was ingevoerd ter bestrijding van goed georganiseerde misdaadbendes en is inmiddels opgerekt. Als het hele beursschandaal niet méér oplevert dan een aantal veroordelingen voor belastingontduiking, dan zijn de ingezette politionele en justitiële middelen buitenproportioneel geweest, tot grote psychische en materiële schade - deels onherstelbaar - van betrokkenen.
Een goed functionerende rechtsstaat behoeft goede justitiële en politionele middelen en effectieve inzet daarvan, alsmede van de rechtshandhavingorganisaties. Daartegenover dient een goede democratische en gerechtelijke controle te bestaan, alsmede proportionaliteit van de inzet van middelen en organisaties. De roep om meer bevoegdheden en nog zwaardere straffen draagt daaraan niet bij en is een beschaafde rechtsstaat onwaardig. Bedenk bij dit alles dat ook u een keer kunt worden opgepakt, zelfs als u volstrekt onschuldig bent.

Gepubliceerd in Carros, 5e jaargang nr 1, maart / april 1998

Locale verkiezingen


De gemeenteraadsverkiezingen zijn achter de rug en een ongekend laag aantal kiesgerechtigden is naar de stembus gegaan, met name in de grote steden. In Amsterdam, Den Haag en Rotterdam lag het opkomstpercentage beneden de vijftig procent. Bolkestein (VVD) is daar snel klaar mee. De niet-stemmers zijn tevreden burgers.

Zo simpel is het niet. Desinteresse van burgers in het lokale openbare bestuur in een geëmancipeerde samenleving als de onze tast de legitimatie van dat bestuur aan. Betonrot noemen we dat in vaktermen. Het gebouw lijkt solide, maar het sluipende gevaar van instorting is voortdurend aanwezig. Meestal stort zo'n gebouw in op een moment dat je er niet op bedacht bent.

Deze desinteresse is een serieus probleem en zegt iets over het weinig aansprekende karakter van het beleid en de desbetreffende personen in het college van B en W. Politici zouden daar structurele en personele conclusies aan moeten verbinden. De gekozen burgemeester bijvoorbeeld, stopzetting van de schaalvergroting in het lokale openbare bestuur en het aantrekken van aansprekende personen als wethouder. Als het salaris een belemmering vormt moet dat gewoon worden opgetrokken, dat zijn immers de peanuts op de meeste gemeentelijke begrotingen.

Van Paars horen we niets over dit alles. Nu er problemen zijn, zijn het ineens lokale verkiezingen, terwijl tijdens de campagne niets werd nagelaten om het beeld van nationale verkiezingen weg te nemen. Dat kinderachtige gezeur bijvoorbeeld tussen Kok (PvdA) en Bolkestein over wie er straks de baas mag worden. Een gotspe van de eerste orde, daar wij in dit land de minister-president niet eens mogen kiezen. Ook zo'n aardige verandering waar de tijd meer dan rijp voor is en waar de democratie een flinke oppepper van zou krijgen. Gekozen premier en burgemeester formeren vervolgens volgens eigen inzicht en met inachtneming van de politieke verhoudingen een kabinet dat gaat regeren in land en gemeente. Aardige, vitale en goede ideeën van D66, die nu maar eens moeten worden ingevoerd

Hoezeer de landelijke partijen ook hebben geprobeerd om van de gemeenteraadsverkiezingen een landelijke campagne te maken, de kiezer heeft hen in het stof laten bijten. De lokale partijen hebben deze verkiezingen gewonnen en niet de landelijke partijen. In een plaats als Utrecht of Hilversum is de lokale partij zelfs uitgegroeid tot de grootste, in Utrecht bovendien in één keer. Je zou als eenvoudig burger verwachten dat deze overwinning wordt beloond en daarmee de kiezer gerespecteerd. Niets is minder waar. De zittende lokale politieke elite van de landelijke partijen loopt onmiddellijk te hoop om de nieuwkomers uit het college van B en W te weren.

Het omgekeerde zou moeten gebeuren. De zittende elite zou dit teken van de burger moeten respecteren en er alles aan moeten doen om de nieuwkomers in het college op te nemen. Dat zij nog geen bestuurservaring hebben is absoluut geen argument en dat hun programma aanmerkelijk afwijkt van dat van de zittende partijen al helemaal niet. Daar zijn deze lieden nu juist om gekozen. Blijkt het na vier jaar de kiezers niet te bevallen, dan zullen zij dat zelf wel corrigeren. Dat is democratie, en niet deze incestueuze relatie van een stelletje bangeriken dat meer geïnteresseerd is in het behoud van hun eigen wethouder dan in het ten uitvoer brengen van de wensen van de kiezer. Het zou de landelijke partijen sieren indien zij hun lokale vertegenwoordigers op dit punt tot de orde zouden roepen.

Dan is daar nog het wegvagen van wat in dit land extreem rechts wordt genoemd. Politie en justitie doen hun best Janmaat te treiteren door hem voor elk wissewasje voor de rechter te dagen. Bijvoorbeeld omdat hij zegt dat Nederland vol is. Ik ben het graag met hem en met al die milieuactivisten eens. Nederland is barstensvol en we zouden daar eens wat conclusies aan moeten verbinden. Een uiterst restrictief toelatingsbeleid voor vreemdelingen, met name voor die vreemdelingen die aan de economische voortgang van dit land geen bijdrage kunnen leveren, nu niet en in de naaste toekomst niet.

Welnu, extreem recht is dus weggevaagd. Betekent dit nu ook dat men in ons land over het vreemdelingenvraagstuk minder rechts is gaan denken? Nee, natuurlijk. Het probleem met Janmaat is tweeërlei. Ten eerste is het niveau van deskundigheid van Janmaat en zijn partijkader te beperkt om werkelijk iets te betekenen in de landelijke en lokale politiek. Het is teveel een verzameling van roepers en neezeggers en daarmee maak je geen politiek, landelijk noch lokaal. Ten tweede is het politieke issue ingelijfd door de elite van de middelgrote partijen, de VVD voorop. Het verguisde gedachtegoed van Janmaat is grotendeels geruisloos overgenomen door de VVD en de PvdA en in iets mindere mate door het CDA en D66. Janmaat heeft nu het nakijken.

Tot slot spreek ik twee wensen uit voor het nieuwe kabinet. Eén: realiseer na 1998 een uiterst restrictief vreemdelingentoelatingsbeleid zodat we niet langer hoeven dweilen met de kraan open. Twee: zet een deltaplan op voor de integratie van vreemdelingen in de steigers op sociaal, cultureel, onderwijskundig en economisch niveau. En van mij mag dit deltaplan van specifiek op hun integratie gericht beleid miljarden kosten, zoiets als de Maasvlakte en de Betuwelijn tezamen, twintig miljard gulden om mee te beginnen dus. Dat is echter goed besteed geld, het is investeren in de toekomst en zal zich met rente terugbetalen.

© Pim Fortuyn - 14 maart 1998

‘Blij dat ik rij’ moet terug!


Tegenwoordig wordt er eerder met de milieulobby onderhandeld dan met de gekozen volksvertegenwoordiging. Geeft de milieulobby zijn nihil obstat, dan moet het wel héél gek lopen wil het parlement niet met het voorgenomen beleid instemmen. Zelfs de groene lobby van de landbouw heeft een dergelijk sterke positie in haar hoogtijdagen nimmer gekend, de gekozen vertegenwoordigers konden immers nog altijd roet in het eten gooien. Hoe anders is het nu: met de milieulobby wordt van alles en nog wat afgestemd, van de uitbreiding van Schiphol tot en met de Vinex-locaties, van de maximumsnelheid tot en met de milieunormen voor ons bedrijfsleven. Op elk denkbaar terrein waar het milieu om de boek zou kunnen komen kijken, is de milieulobby aanwezig en staan hoge ambtenaren en bestuurders in het gelid. Zelfs de belangenverenigingen voor rijdend Nederland proberen een wit voetje te halen bij de milieubelangenbehartigers en presenteren zich als milieuvriendelijk.
Een van de belangrijkste resultaten die de ‘groene lobby’ op verkeersgebied heeft geboekt, is dat ‘men’ in Nederland nu officieel van mening is dat mobiliteit (A) slecht is, (B) dient te worden teruggedrongen en (C) dat de auto een grote vervuiler is.
Dat laatste is, om mee te beginnen, een grove ideologische misvatting. De lucht- en bodemverontreiniging komt slechts voor zo’n vijf procent voor rekening van het verkeer, de overige vervuiling kent hele andere oorzaken, waarvan de landbouw niet de geringste voor z’n rekening neemt. Bovendien is het terugdringen van de milieuvervuiling door het verkeer een successtory zonder weerga: het autoverkeer is sterk toegenomen, terwijl vervuiling tegelijkertijd aanmerkelijk werd teruggedrongen. Een prestatie waar weinig bedrijfstakken op kunnen bogen. En het einde is nog lang niet in zicht; het gaat dan ook zéker niet te ver om te stellen dat tussen nu en twintig jaar de moderne auto geen wezenlijke belasting meer voor het milieu zal zijn. Maar als je ze in Den Haag hoort kakelen, de PVDA en GroenLinks voorop, dan zou je dat niet denken.
Wat men daarnaast nog vergeet, is dat de mobiliteit hét instrument van emancipatie is. Iedere burger, arm of rijk, is vandaag de dag mobiel. Niemand zit meer vastgeklit in dorp of stadswijk. Dat geeft een ongekende vrijheid, niet alleen in de realiteit maar - wellicht nog belangrijker - ook in het gevoel. En het mobiliteitsinstrument bij uitstek is de auto. Dit is niet zomaar een technisch ding, maar een kameraad en bovendien veruit het belangrijkste emancipatie-instrument van onze samenleving, zonder aanzien des persoons, zonder voorkeur voor sexe, huidskleur, sexuele geaardheid of de inhoud van de portemonnee.
Politici schijnen echter nog steeds te denken dat de auto slechts een technisch vehikel is dat je van A naar B brengt. De auto is echter veel méér: het ja het uitingsmiddel van onze vrijheid, van onze emancipatie, en (zoals kleding dat is) hét middel om ons kenbaar te maken. Daardoor is de strijd van de politiek tegen de auto op voorhand een verloren strijd. Wat de moderne mens dus wil, is een overheid die naarstig meehelpt om problemen van verkeerscongestie en files op te lossen.
Nederland wordt met Paars II echter getrakteerd op een overheid die steeds meer geld vraagt voor de automobiliteit, maar die daar geen enkele prestatie tegenoverstelt. Sterker nog: paars heeft de automobilist alleen maar tot nóg grotere melkkoe gemaakt. Daarom is het ook zo spijtig dat het ons ontbreekt aan belangenorganisaties die deze misstand aan de kaak stellen of die met ideeën komen voor een beter gebruik van ons wegennet. Ze zijn in hun schulp gekropen, bakken zoete broodjes met de milieulobby en zijn, als het om de belangen van de automobilist gaat, in geen velden of wegen meer te bekennen.
De leus Blij dat ik rij’ verdient een nieuw leven!

Gepubliceerd in Carros, 5e jaargang nr. 4, september / oktober 1998

De hardheid van de auto-industrie


In Carros doen we doorgaans verslag van de leuke kanten van het autorijden, maar het is niet alles goud wat er blinkt. De automobielindustrie is van oudsher een zakelijke, soms keiharde branche. Het gaat nog steeds om massaproductie, ook waar het dure automobielen betreft, waar de winstmarges kritisch zijn. Efficiënte en effectieve productie maakt het verschil uit tussen winst of verlies maken. Doet men het goed, dan zijn de winsten uitstekend, laat men steekjes vallen, dan zit men zomaar in de rode cijfers.
De auto is naast een product van schoonheid en smaak een product waarbij de veiligheid nauw luistert. Schoonheid en smaak zijn zo belangrijk, omdat er geen product denkbaar is - behoudens kleding misschien - waarin de bezitter zo veel van zijn identiteit legt en zoekt. Men hoeft de liefdevolle behandeling van de automobiel door zijn bezitter maar te aanschouwen om in één oogopslag te zien dat het hier om meer gaat dan om een machine op vier wielen. Veel van de eigenaars poetsen het lakwerk totdat het blinkt en menigeen streelt zelfs de auto na een flinke poetsbeurt. Het zijn vooral de mannen die zo staan tegenover hun automobiel, vrouwen hebben dikwijl een nuchterder houding. Over waarom dat zo is, valt menig balletje op te gooien. 1k laat het maar in het midden, want voor je het weet, word je beschuldigd van seksisme.
Ford bewees ooit hoe ver de hardheid van de auto-industrie kan gaan. Dat merk heeft overigens een traditie op dat terrein die teruggaat tot de grondlegger van het concern, Henry Ford himself. Van hem was al bekend dat de klant elke kleur mocht kiezen, als het maar zwart was en dat elke publiciteit, ook de negatieve, goed was, als er maar over zijn auto’s geschreven en gesproken werd.
Zo’n dertig jaar geleden bracht Ford een populaire auto op de markt, de Pinto, met de benzinetank op een betrekkelijk kwetsbare plek achterin. En u raadt het al: als je achterop zo’n auto vliegt, gaat de boel makkelijk in de fik. Het bijzondere nu was dat Ford in een lang geheim gehouden rapport had laten uitzoeken wat duurder was: het aan brengen van de benzinetank op een meer veilige plaats of het betalen van schadevergoeding aan de slachtoffers danwel hun nabestaanden. Het was allemaal met een akelige precisie uitgerekend en het bleek goedkoper schadevergoeding te betalen dan de benzinetank te verplaatsen. Ford had echter buiten de strenge Amerikaanse overheid gerekend. Het rapport lekte uit toen er al vele exemplaren van deze auto op de weg reden en de eerste schadevergoedingen al waren uitgekeerd. De Amerikaanse overheid greep hard in en legde het concern een grote boete op. Bovendien kon het de benzinetank alsnog verplaatsen.
Hieruit blijkt maar weer dat de Amerikaanse samenleving harder is dan de meeste Europese, maar ook dat het twee kanten op werkt. Winst maken is in de VS een eerbare activiteit, de markteconomie is nergens zo ver en consequent ontwikkeld als daar, maar als je als producent verwijtbare fouten maakt dan ben je op dezelfde keiharde ma nier ontzettend de klos.
De auto-industrie gaat liet komende decennium nog een spectaculaire ontwikkeling tegemoet die de hele branche, van producent tot dealernetwerk, op zijn kop zal zetten. Op de golven van de informatietechnologie zullen de productiestructuur, de afzetstructuur en de onderhoudsstructuur nog ingrijpend veranderen. De consument zal een actieve rol gaan spelen hij de totstandkoming van het eindproduct en wel via internet. Tal van opties zullen de consument worden geboden, waardoor de auto qua vormgeving en technische mogelijkheden nog persoonlijker wordt dan hij nu al is. Net zo goed als we straks allemaal in kleding rondlopen die op maat is gesneden, van spijkerbroek tot kostuum, zullen we straks in auto’s rondrijden die in alle opzichten appelleren aan onze persoonlijke voorkeuren. De werkelijke doorbraak daarin vindt plaats op het moment dat de virtual reality de huiskamer betreedt. Dan kan de consument op een uiterst realistische manier zijn voorkeuren bewonderen. Het product bestaat dan oog alleen virtueel, maar toont zich als echt. Op dat moment kan er oog van alles worden veranderd. Is de beslissing genomen dan volgt de productie ‘tailor made’. Dat vereist een ingrijpende aanpassing van de productiestructuur, de verkoop- en marketingstructuur en van het dealernetwerk. Door de gemoduleerde opzet van de auto zal reparatie gebeuren door het vervangen van defecte modules. De afgekeurde module gaat dan naar een regionaal centrum waar deze óf wordt gerepareerd óf wordt gerecycled. In enkele uren kan de auto het servicecentrum weer verlaten om zijn weg te vervolgen.
Dit alles vereist grotere concerns die een dergelijke logistiek en fine-tuning aankunnen en kunnen financieren. De druk op kostenbesparing zal navenant toenemen. Maar de branche is gewaarschuwd. Geld verdienen mag, maar niet ten koste van de consument, laat staan van diens veiligheid.

Gepubliceerd in Carros, 6e jaargang nr. 1, maart / april 1999

Tien Geboden met Pim Fortuyn


'Ik ben nog altijd even mateloos'

door Arjan Visser
1999-04-17
Pim Fortuyn (Velsen, 1948), doctor in de sociologie, oud-hoogleraar aan de Erasmusuniversiteit, zorgt nogal eens voor opschudding. Voor de een is hij het 'kritisch geweten van Nederland', voor de ander een 'beroepsonruststoker'. Hij houdt lezingen, is columnist van Elsevier en auteur van ondermeer 'Babyboomers' en 'Tegen de islamisering van onze cultuur'. Professor Fortuyn beantwoordt de tien geboden zoals ze voor de rooms-katholieke kerk gelden.

1.       Gij zult de Heer uw God aanbidden en hem liefhebben met geheel uw hart, geheel uw ziel en met al uw krachten.

Hoe kun je gebieden God lief te hebben? Is God dan zo kenbaar? Zo persoonlijk? Voor sommige mensen misschien wel, maar voor mij niet. Ik ben naar Hem op zoek geweest. Door te bidden, door deel te nemen aan de liturgie, heb ik mij voor een Godservaring opengesteld, maar deep down wist ik dat ik er niet werkelijk in geloofde. Ik heb niets afgezworen - ik weet het gewoon niet. Ik vind iemand die zichzelf een overtuigd atheïst noemt dom. Hoezo: God bestaat niet? Vanuit de sterrenkunde bezien, ben ik zelfs geneigd te zeggen: kunt u zich niet wat bescheidener opstellen? Omgekeerd vind ik dat theologen die beweren het Godsbewijs te leveren net zo stompzinnig bezig zijn. God is niet van een wetenschappelijke orde. Een twist over het al dan niet bestaan van God is een discussie tussen doven. Ik ken slechts een religieus besef van nietigheid. Ik benijd de mensen die wel een Godservaring hebben gehad. Voor hen zijn de zingevingsvraagstukken in dit leven min of meer opgelost. Als je een leven leidt als het mijne, word je voortdurend met je neus op die Grote Vragen geduwd: periodes van vitaliteit, waarin de zin van het leven het leven zelf is, wisselen zich af met tijden van stilstand, van leegte. En het ervaren van die leegte is - ik kan niet anders zeggen - buitengewoon onplezierig.''

2.       Gij zult de naam van de Heer uw God niet zonder eerbied gebruiken.

Vloeken werd bij ons thuis niet op prijs gesteld. Het heeft met goede manieren te maken: zinnen afmaken, schoenen poetsen, niet vloeken. Ik heb er nog altijd een hekel aan. En vloeken in het bijzijn van gelovigen vind ik al helemaal onnodig. Waarom zou ik dat doen? Ik word gezien als iemand die graag provoceert, maar dat is beslist niet waar. Misschien pakt iets wat ik heb geschreven soms als een provocatie uit, maar dat is dan eerder een onbedoeld dan een bedoeld gevolg. Ik ben in de omgang, over het algemeen, een heel aardig en wellevend iemand. Dat mag wel eens gezegd worden. Er zijn ook weinig mensen over wie ik iets stekeligs heb geschreven, die - als ze mij leren kennen - een hekel aan mij weten te ontwikkelen. Zo heb ik toch al het een en ander over Wim Kok gezegd, maar die man heeft - hoe graag hij het misschien ook zou willen - geen hekel aan mij. Dat weet ik. Ik liep hem laatst, bij het afscheid van Henk Koning als president van de Rekenkamer, nog recht in de armen. Het was een welgemeende, hartelijke begroeting, van twee kanten. Daar staan mensen dan heel raar bij te kijken, maar Wim en ik mogen elkaar. Punt. Wat ik ook over hem zeg.''

3.       Gij zult de dag des Heren heiligen

Het is meer dan nostalgie die mij een mooie kerk doet binnengaan. Er hangt vaak een serene sfeer die ik plezierig vind; een sfeer die boven mijzelf uitstijgt. Het heeft iets met mystiek te maken, met het besef dat er meer is dan ik kan bedenken. Ik kan soms terugverlangen naar de tijd waarin het nog vanzelfsprekend was dat ik mij in de kerk bevond, maar ik ben ook te nuchter om daar al te lang bij stil te staan. Daar zie je het dubbele in mij. Van mijn vader heb ik het achterwaarts leven, de melancholie meegekregen - van mijn moeder de nuchterheid. Heimwee? Daar schiet ik niets mee op.''

4.       Eer uw vader en uw moeder.

 

,,Mijn moeder is behoorlijk ziek. Ik lees in ieder boek en hoor van al mijn vrienden en vriendinnen dat ik nog van alles met haar moet bespreken, voor het te laat is. Maar ik heb niets te bespreken. Ik heb het wel eens jammer gevonden dat zij niet erg lijfelijk is. Ze hield er niet van om te worden aangeraakt, maar ik heb nooit gedacht: ik zal zorgen dat zij hierin gaat veranderen. Dat is ook een kwestie van respect. Ze is 84. Moet ik iemand die een leven lang zo heeft gefunctioneerd nu ineens ter verantwoording roepen? Ik kan hoogstens zeggen: zo wil ik zelf niet zijn. Nou, zo ben ik dus ook niet. Verwijten maken heeft geen enkele zin. Ik ben dankbaar voor wie zij is geweest, voor wat ze voor mij heeft gedaan. Haar dood zal de belangrijkste gebeurtenis in mijn leven tot dat moment zijn. Het houdt mij zeer bezig. Ik weet ook zeker dat haar dood mij zal veranderen, maar daarmee zal onze verbintenis niet beëindigd worden. Die verbintenis blijft totdat ik zelf dood ben. Ik heb mij nooit los willen scheuren van mijn moeder: ik ben nog steeds haar prinsje. Althans: zo voelt dat wel. Met mijn vader ligt dat anders. Tussen hem en mij is veel meer afstand en dat vind ik ook prettig. Ik heb er geen behoefte aan die afstand te verkleinen. Waarom zou dat moeten? Mijn vader heeft waardering voor mijn prestaties op het maatschappelijk vlak, mijn moeder heeft mij hoog staan om wie ik ben. Zo is nu eenmaal de rolverdeling, ik heb daar niets op aan te merken. Ze zijn, op hun manier, goede ouders geweest. Misschien hebben ze niet alles goed gedaan, maar de intentie om het goed te doen is er wel geweest. En dat geldt ook voor mij. Nog steeds. Ik ga iedere week bij hen op bezoek. Koffie drinken, kletsen, aanwezig zijn. Het is allemaal niet zo hoogdravend; ik voer geen diepzinnige gesprekken of zo. Ik ga er ook niet heen omdat er nog zo nodig iets aan onze relatie moet worden toegevoegd. Het is wat het is. Het is goed. En het is tussen ons, ten diepste, ook altijd goed geweest.''

5 Gij zult niet doden.

,,Dat is juist. Maar wat moet je met zo'n ethisch beginsel terwijl er oorlog in de Balkan woedt? Ik weet het niet. Hoe graag ik het ook zou willen: absoluut pacifisme is in deze eeuw - na de uitroeiing van zes miljoen joden - iets heel moeilijks geworden. Wat moeten we nu doen? Ik kan de redenen die worden aangevoerd om de bombardementen te rechtvaardigen wel begrijpen, maar ik vraag me af of het op de lange duur zal helpen. Niets doen lijkt even gemakkelijk te beargumenteren als ingrijpen. Ik word van die almaar durende televisiebeelden verschrikkelijk depressief. Ik ben een commentator, dus ik kan het mij niet veroorloven om niet te kijken, maar een stelling betrekken is ongelooflijk moeilijk. Ik vind het niks. Deze oorlog voelt niet goed, dat is een ding wat zeker is. Het staat voor mij wel vast dat we hier de komende decennia last van zullen blijven houden. De situatie is volstrekt onoplosbaar geworden. In deze brandhaard beleven mensen een veldslag tegen de Turken, die meer dan zeshonderd jaar geleden heeft plaatsgevonden, nog als de dag van gisteren. Welke plaats zal deze oorlog in hun geschiedenis krijgen? Het land wordt in puin gegooid. Niet alleen kazernes worden bestookt, ook bruggen, verwarmingscentrales en weet ik wat al niet meer; de hele infrastructuur van dat land wordt een woestenij. Nu hebben buitenlandse investeerders er helemaal niets meer te zoeken. Wanneer is dat allemaal weer opgebouwd? Hoe moeten die mensen straks verder? Gedachten over die oorlog verpesten mijn leven. Ik heb er haast fysiek last van. Ik snap ook niet hoe zoveel mensen gewoon door kunnen gaan, alsof het hier feest is. Ik probeer me voor te stellen hoe dat voelt: mijn huis, en alle dingen die mij dierbaar zijn, verwoest. Familieleden verjaagd of vermoord. Dagen op de vlucht. Geen paraplu om onder te schuilen als het gaat regenen. Maar wat hadden we dan moeten doen? Misschien hadden we de boel moeten isoleren, een totale boycot. Maar goed: dat is gepraat achteraf. Het geeft geen pas om over dit onderwerp een grote mond op te zetten. Welke keuze je ook maakt, ze is in alle gevallen afschuwelijk. Dat is het dilemma.''

6 Gij zult geen onkuisheid doen

,,Onkuisheid bestaat alleen tussen de oren. Zo lang mensen dingen doen die ze zelf, of in samenspel met anderen, prettig vinden, is dat onderwerp wat mij betreft afgehandeld. Je bent vooral onkuis bezig als je alleen naar jezelf kijkt, je eigen genot najaagt en geen rekening houdt met de ander. Toch werd lange tijd zo'n beetje alles wat met seks te maken had als onkuis bestempeld. Je mocht je niet aftrekken want dan waren hel en verdoemenis je deel. En je kon er nog ziek van worden ook. Maar ik heb dat van stonde af aan niet geloofd: ik kon niet inzien wat er verkeerd aan was. Ik heb nooit seks gehad die met schuld beladen was. Natuurlijk ken ik het schuldgevoel wel - het is ook aan mij opgedrongen - maar het heeft zich nooit in mij geworteld. Laat ik er maar geen doekjes om winden: in gelovig perspectief doen de dark rooms die ik frequenteer nog steeds niet onder voor Sodom en Gomorra. Dat mag de kerk best vinden, maar ik verzet mij tegen de veronderstelling dat het er een normenloze bende zou zijn. Een van de allerbelangrijkste codes in zo'n 'vrije' seksualiteit is dat je de ander respecteert. Dat je dus niet iets doet wat een ander niet wil. Mensen kunnen allemaal naakt zijn, maar dat wil niet zeggen dat je je mag gaan misdragen. Het is een grote speelruimte, maar in die ruimte zijn sommige normen veel scherper dan daarbuiten, waar iedereen zijn kleren aan heeft. Een verkrachting vindt niet plaats in een dark room, dat kan ik u wel vertellen. In een huwelijksbed misschien nog wel.''
,,Het is zeker niet mijn bedoeling blasfemisch te zijn, maar ik moet u zeggen dat ik de sfeer van de katholieke liturgie terugvind in bepaalde handelingen in de dark room van zo'n herenclub. De dark room die ik in Rotterdam bezoek is niet helemaal verduisterd; daar valt, net als in een oude kathedraal, het licht gefilterd naar binnen. Onder dergelijke omstandigheden de liefde bedrijven draagt soms een religieus aspect in zich. Religiositeit en versmelting - die je soms in de seks bereikt - kunnen twee kanten van dezelfde medaille zijn. En het mooie van de dark room is dat je er het hele scala van emoties aantreft dat ook binnen een relatie bestaat: van het snuiten van je neus tot de intiemste vorm van samenzijn. Een versmelting hoeft niet per se in de eigen slaapkamer te gebeuren. Ik heb geleerd dat zoiets niet afhankelijk is van de ambiance, maar van wat er tussen twee mensen gebeurt. Daar komt bij dat een dark room erotisch opwindend is, jazeker. Opwindender dan de kerk? Dat hoort u mij niet beweren. Ik vond het ook heel spannend om misdienaar te zijn hoor; laten we alles op z'n merites beoordelen.''

7 Gij zult niet stelen.

,,Heb ik nooit hoeven doen.''

8 Gij zult tegen uw naaste niet vals getuigen.

,,Mensen met een streng gereformeerde achtergrond liegen altijd. Waarom? Omdat ze in hun vroegste kinderjaren zijn opgescheept met een stelsel van normen en waarden waar menselijkerwijs niet mee te leven is. Zij zijn dus altijd maar bezig de werkelijkheid te veranderen. Voor die mensen is de werkelijkheid nooit goed genoeg. Mijn grote liefde had zo'n verleden. Hij loog over alles, ook als het helemaal niet nodig was. En ik trapte er iedere keer weer in. Want, hoe goed ik mensen ook kan doorzien: zodra het te dichtbij komt, vertroebelt mijn blik. Je maakt, bij iemand van wie je houdt, voortdurend retouches. Ik ga er in beginsel van uit dat men mij de waarheid vertelt en kom dus wel eens bedrogen uit. Dat is nu eenmaal de prijs die je betaalt voor vertrouwen. Dat is ook niet zo erg. Het is in ieder geval beter dan leven in achterdocht.''

9 Gij zult geen onkuisheid begeren.


,,Is het niet raar dat het hebben van bepaalde gedachten al verworpen moet worden? Er is al zo'n tekort aan genegenheid in de wereld. Ik zit nu zelf met een probleem op dit vlak: tussen een jongeman die voor mij allerlei dingen in het huishouden doet en mij heeft zich iets van liefde ontwikkeld. De heisa die zijn partner daarover maakt is ongekend. Terwijl we nog niet eens met elkaar naar bed zijn geweest! Ik zal niet zeggen dat het er nooit van komt, maar daar gaat het niet om; het is vooralsnog niets anders dan een wederzijdse genegenheid. Natuurlijk zit er ook een erotische kant aan, wat wil je als je allebei homoseksueel bent en elkaar nog leuk vindt ook? Maar de partner van deze jongen stelt dat zij elkaar voor honderd procent toebehoren. Alsof het over auto's gaat. Of huizen. Niemand behoort iemand toe. Monogamie is een situatie die is, niet een situatie die je kunt afdwingen. En wat nu als iemand een groot hart heeft? Mag er dan toch maar één ander mens in zijn leven zijn? Zou ik mijn begeerte moeten onderdrukken omdat een ander niet met jaloezie weet om te gaan?''

10 Gij zult niet begeren wat uw naaste toebehoort.


,,Als je een sappelend bijstandsmoedertje vraagt of ze wil ruilen met de koningin, zal zij in eerste instantie antwoorden: nou, graag! Vervolgens zeg je: maar dan moet u wel het hele pakket overnemen: dus de rijkdom, de bewondering, maar ook Claus, de onvrijheid en de eenzaamheid. Uiteindelijk zal zo'n vrouw dan toch voor haar eigen leven kiezen. Het heeft geen enkele zin om dit gebod te overtreden; je moet het met je eigen mogelijkheden zien te redden.''
,,Toen ik klein was, wilde ik paus worden. Het was een jongensfantasie die ik in mijn puberteit heb opgegeven, maar hij staat misschien wel model voor mijn mateloosheid. Waar een ander katholiek knaapje nog het ambt van bisschop ambieerde, wilde ik het allerhoogste bereiken. Ik heb het wel eens mijn devies genoemd: alles of niets. Zo zou ik het nu niet meer willen omschrijven; ik weet inmiddels dat mijn leven zo in elkaar steekt. Zo ben ik. Ik ben in de loop der jaren niet minder begerig geworden, ik ben nog altijd even mateloos. Niet in materiele zin - je kunt ook in emotioneel opzicht het onderste uit de kan willen halen.''
,,Ik wil graag geloven dat het beste nog moet komen, maar ik kan niet anders dan toegeven dat ik in een impasse verkeer. Het heeft waarschijnlijk ook met de ziekte van mijn moeder te maken; die twee zaken zijn gelijk op gegaan. Ik heb op mijn vijftigste een boek geschreven, Babyboomers, waarin ik al min of meer de balans van mijn leven heb opgemaakt. Ik heb alles al zo'n beetje uitgesproken. Hoe moet ik nu verder? Mijn spreekbeurten gaan steeds meer de kant van de maatschappelijke, levensbeschouwelijke vraagstukken op, maar daar is geen droog brood in te verdienen. En ik moet mijn boeltje wel in stand houden. Voor iemand met mijn karakter is het heel moeilijk om te accepteren dat ik even geen uitweg meer zie. Ik ben als een visser die zijn hengel heeft uitgegooid. En nu maar wachten tot ik beet heb. Geduld oefenen. Dit soort perioden heb ik wel vaker meegemaakt - alhoewel het nu wel dieper gaat - en ik weet dat het leven mij op een gegeven moment weer bij de arm zal pakken. Nee, ik ben niet somber, dat is het rare van de huidige situatie. Zo'n impasse vervult je zo nu en dan met angst, dat is logisch, maar ik ben niet chagrijnig. Dat merkt u toch wel? Ik ben een levenslustige man, op het oppervlakkige af. Maar ik zou ook niet durven beweren dat ik een gelukkig mens ben. Ik ken mijn gelukkige momenten. Veel meer is er denk ik niet.''


De Betuwelijn en verder


De aanleg van de Betuwelijn ontwikkelt zich momenteel tot een wel erg kostbare soap-opera. De minister van Verkeer en Waterstaat, Netelenbos (PvdA), heeft haar mond voorbij gepraat en daardoor onbedoeld het hele project weer ter discussie gesteld. Door de aanleg van de noordtak in twijfel te trekken heeft zij de wind in de zeilen geblazen van al diegenen die het nut van het hele project al sedert jaar en dag betwijfelen. Uw columnist behoort tot diegenen die het nut van dat dure stuk staal niet inzien. De binnenvaart maakt momenteel een spectaculaire ontwikkeling door en kan in de naaste toekomst met gemak de goederenstroom absorberen,niet alleen die van het toekomstige spoor maar als het moet kan hij ook als substituut dienen voor het vervoer over de weg. Het aardige daarvan is dat het milieuvriendelijk is en dat er nauwelijks grote infrastructurele werken voor nodig zijn en dat is mooi meegenomen in een overvol land als het onze.Ik zou ondertussen nog een stapje verder willen gaan en de aanleg van de tweede maasvlakte willen verbieden.Het bedrijfsleven moet maar leren om efficienter om te gaan met de beschikbare grond. Dat dit kan hoeven wij niet meer uit te vinden ,een haven als Singapore heeft het ons reeds voorgedaan. Daar staan de containers dertien hoog gestapeld ipv zoals bij ons 3 hoog. Moet je natuurlijk wel de logistiek een beetje beter regelen als bij ons, maar voor de IT is dat een fluitje van een cent en voor het overige komt het alleen maar neer op het disciplineren van vervoerders en verladers en ja dat gebeurt vanzelf als zij daar door schaarse ruimte toe worden gedwongen.
Overigens denk ik dat het de hoogste tijd is om het hele concept Nederland distributieland, Nederland gate Way to Europe ter discussie te stellen. Het gaat daarbij altijd om meer, meer,meer. Meer mensen en meer goederen, via de mainports Schiphol en de Rotterdamse en Amsterdamse haven. En waarom eigenlijk? Het is bekend dat de toegevoegde waarde van deze activiteit in vergelijking met andere sectoren laag is. Een bedrijf als Nedloyd heeft niet voor niets het bijltje er bij neergegooid. Schiphol kan blijven liggen waar het ligt en met de huidige capaciteit volledig toe, als men daar maar eens gedwongen wordt om te kiezen. Het heeft geen enkel nut om als draaischijf voor doorreizende passagiers te willen dienen. Daar worden alleen die paar winkeltjes en horecavoorzieningen van Schiphol beter van. Indien Schiphol zich zou beperken tot het passagiers en vrachtverkeer dat nodig is voor Nederland en voor het overige goede internationale aansluitingen zou bieden dan zijn wij meteen af van die melagolomie die ons economisch gezien weinig opbrengt en een voortdurende belasting vormt voor het milieu ,zowel qua ruimtebeslag als qua lucht- en geluidsverontreiniging. Voor de Rotterdamse haven geldt dit in nog sterker mate. Eigenlijk is die haven alleen echt rendabel waar het gaat om de aanvoer en verwerking van aardolie en cehmische grondstoffen. Al dat gesjouw met containers ,stukgoed en pakjes levert steeds minder werkgelegenheid op en de toegevoegde waarde van al deze noeste arbeid is bedroevend. In het verleden is meer dan eens bepleit om iets te doen met al die vervoersstromen, ze te bewerken zodat ook het lucratieve deel van de goederenverwerking de Rotterdamse haven ten goede zou komen. Havenindustrialisatie werd dat genoemd. Sedert 1987 wordt daar al voor gepleit op basis van een hele serie min of meer wetenschappelijke onderzoeken. Er is weinig of niets van terecht gekomen, blijkbaar verandert men een zakelijke cultuur die zijn basis heeft in vervoer en overslag niet zo maar in een meer lucratieve activiteit.
Rotterdammers zien hun haven graag als de motor van de Nederlandse economie. Lange tijd was dat zo, maar tegenwoordig is dat steeds minder het geval. Nederland ontwikkelt zich in hoog tempo tot een dienstenland met name op het gebied van aan IT gerelateerde diensten. Een vorm van dienstverlening die naar zijn aard weinig beslag legt op de beschikbare ruimte, die uiterst lucratief is en als we vdie goed leren toepassen bovendien nog eens een belangrijke bijdrage kan leveren aan het terugdringen van de werkmobiliteit. Ondertussen geven de gevestigde krachten in het bedrijfsleven het verkeerde signaal af. Zij willen zelfs zover gaan om het werkverkeer voorrang te geven op onze wegeninfrastructuur. Dat nu moet helemaal niet gebeuren. Mobiliteit is leuk zolnag we het voor ons plezier doen. Het bedrijfsleven kan juist door het goed toepassen van IT een belangrijke bijdrage leveren aan een spectaculaire terugdringing van het woon-werkverkeer. Dat kan door de bedrijfstijden minder rigide te maken, maar dat kan bovenal door in al die prachtige woonwijken IT-apviljoens te openen. In deze paviljoens kunnen medewerkers van zeer uiteenlopende bedrijven alsmede die van departementen en ambtelijke diensten beschikken over een werkplek bij wijze van spreken om de hoek van de deur van hun huis. Nederland is qua wonen een gesegregeerd land ,ook al willen we dat niet weten. Al die goed betaalde werkers in de collectieve en private sector wonen lekker bijelkaar indezelfde buurt, welnu breng het werk dan maar naar ze toe. Een slimme toepassing van IT maakt dat in negen van de tien gevallen mogelijk. Bijkomend en moeilijk in te schatten voordeel is dat die werkers uit uiteenlopende sectoren elkaar in die paviljoens ontmoeten en wie weet wat voor een moois aan productontwikkeling een dergelijke kruisbestuiving nog kan opleveren.Nederland is nog teveel gericht op beton en groot, beter, best. Een volledig achterhaald concept, als men op een vooraanstaande manier mee willen doen aan en profiteren van de IT-economie, die zich thans ook in ons land in razend tempo ontwikkelt. Het vervelende is evenwel dat die IT-economie naar zijn aard zo slecht is georganiseerd. Men heeft de overheid nauwelijks nodig, alleen voor de datainfrastructuur is een duwtje in de rug van de overheid welkom voor het overige bedruipt de IT-economie zich graag zelf en kan ze de overheid missen als kiespijn. Gevolg daarvan is dat zij zich niet als zodanig manifesteert en de keuzes van het traditionele bedrijfsleven in kwesties van fysieke infrastructuur niet op een machtige en gezaghebbende manier aan de orde stelt. Dat is jammer voor het land, want de machtige lobby van Nederland distributieland verdient een minstens zo machtige counter-vailing power. Nu zijn we veel geld aan het uitgeven aan de infrastructuur van gisteren ipv te investeren in die van morgen!



Rotterdam, september 1999
Pim Fortuyn
Europoort Kringen

De moderne schandpaal


Het onderwerp pedofilie is niet van de krantenpagina's te slaan. Na Dutroux in België heeft Nederland zo zijn eigen affaires, rijp en groen. Van moord tot het elkaar seksueel betasten van kinderen onderling.
Toen ik jong was, viel dat laatste onder het hoofdstuk 'doktertje spelen'. Geen moeder die daar een woord aan vuil maakte. Wij hadden een groot huis met een zolder en gingen daar met vriendjes en vriendinnetjes op spelen, en als vanzelf ontaardde dat in doktertje spelen. Als het te stil werd, kwam mijn moeder snel met een dienblad vol glazen ranja binnenlopen. Zij deed dan of ze niets zag. Ons spel ging daarvan op een natuurlijke wijze over op iets anders.

Sedert de kolonisatie van de wereld van het kind door volwassenen zijn dergelijke eenvoudige oplossingen nog zelden voorhanden. Het valt onmiddellijk onder het hoofdstuk ongeoorloofde en ongewenste intimiteiten, en voordat de kinderen het doorhebben, is er een stoet van gogen die zich over hen ontfermt. Daardoor wordt iets wat geen probleem was - het ontdekken van de wereld van de andere sekse - ineens een levensgroot probleem. En als die kinderen ergens van getraumatiseerd zouden kunnen raken, is het wel van deze bespottelijke aandacht en zorg om niets.

Inmiddels houdt ook de premier zich met dit gewichtige vraagstuk bezig, weliswaar niet uit eigen beweging, maar toch. En dan gaat het vooral over pedoseks: seksuele aandacht van een volwassene voor en handelingen met een kind, jongetje of meisje. Al snel komt daar tegenwoordig justitie aan te pas, en als het kan worden aangetoond, verdwijnt de desbetreffende volwassene voor een tijdje in de lik.

Pedofilie is net als hetero- of homoseksualiteit. Het is iets dat in de genen zit, je kunt er dus weinig of niets aan en tegen doen, je bent wie je bent. De sociale context doet er nauwelijks toe, vroeg of laat komt de neiging onweerstaanbaar naar boven. Het is net zomin als hetero- of homoseksualiteit te genezen. De kans op herhaling is dus levensgroot aanwezig. Daar wringt precies de schoen. Tijdens en na het verblijf in de lik wordt de pedofiel er weliswaar op gewezen dat dit niet kan en dat hij of zij zich moet zien te beheersen, maar ja het zijn mensen als u en ik. Dus 100 procent zekerheid dat de pedofiel niet in herhaling valt, is niet te geven.

In Amerika hebben ze daar, als zo vaak, iets op gevonden. De naam van de dader wordt, na terugkeer in de maatschappij, bekendgemaakt in de buurt waar hij gaat wonen opdat de ouders zijn gewaarschuwd en ze hun kroost bij deze mogelijke recidivist weg kunnen houden. Barbaarse toestanden natuurlijk, maar het werkt, en in Amerika draaien ze hun hand niet om voor de strafrechtelijke vervolging van een jongetje van elf jaar dat het broekje van zijn zusje omlaag heeft getrokken en zijn beklede kruis tegen haar ontblote bipsje heeft aangedrukt. Dit alles op basis van een getuigenis van een buurvrouw, foei toch!

Inmiddels is het niet meer nodig dat de autoriteiten de naam van de dader aan de buurt bekendmaken, internet bewijst zijn moderne diensten, de ouders kunnen het zelf. In geval van verhuizing van de dader is ook dat karwei via internet zo gepiept. Goed voorbeeld doet goed volgen, dus is er nu ook in Nederland het burgerinitiatief om veroordeelde pedofielen op het internet te zetten. Een moderne schandpaal!

In reactie op een aantal uit de hand gelopen affaires denkt de minister van Justitie nu na over mogelijke vormen van begeleiding van pedofielen die hun straf hebben uitgezeten. Gedacht wordt aan de inschakeling van de wijkagent en verplichte begeleiding door de reclassering. Maar ja, de minister ziet de eisen om meer geld al op zijn bordje liggen, en dus zal er wel niks van komen. Dat het land maar weinig veroordeelde pedofielen telt, zal op politie en reclassering weinig indruk maken, zij kunnen deze taak er onmogelijk bij doen, zo gaat dat hier.

Intussen verzet de premier zich krachtig tegen de publieke schandpaal van internet, maar hij kan daar ten eerste helemaal niets aan doen - het medium is terecht vrij - en ten tweede staat hij met lege handen, daar van begeleiding van de gestrafte pedofiel geen sprake kan zijn in verband met de kosten. Het gezonde verstand zal zegevieren en de bewoners zullen het via dit publieke meldsysteem zelf wel oplossen. Verschrikkelijk, maar waar!

De rechtsfilosoof en pedofiel Brongersma, jarenlang senator voor de PvdA, heeft zijn leven lang gestreden voor begrip voor de pedofiele medemens. Hij begon daar onverschrokken aan na het uitzitten van een gevangenisstraf voor ongewenste intimiteiten met een minderjarige. De desbetreffende minderjarige had het helemaal niet ongewenst gevonden, maar justitie oordeelde in de jaren vijftig anders.

In de jaren zestig en zeventig kreeg Brongersma langzaam maar zeker voet aan de grond. Na de uitvinding van de pil was er de bevrijding van de seks. Homoseks werd geaccepteerd, en waarom zou dan - onder de strikte voorwaarde dat het kind het wil en dat het niet wordt gedwongen - pedoseks niet zijn toegestaan? Dit verlichte standpunt is inmiddels verlaten en onder invloed van de gogen is het kind neergezet als geheel en al vrij van seksuele lusten, in elk geval tegenover volwassenen.

We zijn ver verwijderd van het begrip dat Brongersma trachtte te kweken, overigens tot schade van onszelf, want alles wat bespreekbaar is, is in beginsel ook beheersbaar, moet u maar denken!

Pim Fortuyn

De geweigerde column


Ik heb er tot nu toe hardnekkig het stilzwijgen toegedaan, omdat ik het 'echtpaar' op geen enkele manier de moeite van het becommentariëren waard vind. Maar ja, het echtpaar is tezamen minister van Binnenlandse Zaken zoals het voorheen burgemeester van Rotterdam was. Niemand heeft om mevrouw gevraagd, maar eerst de stad en nu het land krijgt haar er gratis bijgeleverd, twee voor de prijs van een, zal ik maar zeggen!

Het paar is uiterst bekwaam, zou wijlen Wim Sonneveld zeggen, maar is bovenal bekwaam in het zichzelf handhaven. Deze nonvaleurs (om oud premier Van Agt (CDA) te parafraseren), die als beleidsmakers zeker iets in hun mars hebben maar als mensen helemaal niets, terroriseren nu al sedert jaar en dag stad en land of om met mijn oude vriend Wiegel (VVD) te spreken: de ordentelijke mensen in het land.

Maar ik zou zeggen genoeg is genoeg, weg met het echtpaar, ondanks de verdediging te vuur en te zwaard van het stel door de o zo onkreukbare timmermanszoon uit Hendrik Ido Ambacht, de premier der Nederlanden, consensus-masturbant en niet te vergeten staatsman: Wim Kok (PVDA). Kortom, elk land en volk krijgt de regering die het verdient en kennelijk wilt u het echtpaar en de staatsman verdienen.

De cabaretier Youp van 't Hek heeft intussen in zijn column in NRC-Handelsblad de kern van de zaak blootgelegd. Natuurlijk is er door Neelie Peper-Smit en haar echtgenoot geen fraude gepleegd op het Rotterdamse Stadhuis. Neelie en Bram zijn tenslotte niet van de straat, heel vroeger wel maar dat hebben zij reeds lang achter zich gelaten. Nu zijn zij een dame en heer in bonus en dat betekent dat de overheid en haar geldpotten gewoon hun eigendom zijn, zoals dat vroeger gebruikelijk was bij absolute monarchen.

24 uur per dag in de weer voor stad en land, dus schaamteloos gebruik maken van alle diensten en emolumenten die dat biedt. Geen kwartje, wat zeg ik geen stuiver, overdragen van je belastingvrije onkostenvergoeding aan de overheid, wij dus, die zo goed voor je zijn. Zelfs niet de schijn meer hoeven ophouden, dat je als echtpaar financieel bijdraagt in het schemergebied dat workaholics van deze soort nu eenmaal creëren, want ja, wat is werk en wat is privé.

Is bijvoorbeeld de Kalfjes van De Bank ontvangen nu privé of zakelijk, immers De Bank doet grote projecten in de stad. Een knappe accountant die hier een salomonsoordeel over duft te vellen, nee dus en gelijk heeft hij. Het gaat zoals Van 't Hek terecht stelde om de mentaliteit en die deugt niet, dus het echtpaar deugt niet en van geen kanten! Iedereen in Rotterdam weet dat al die verhalen over het echtpaar waar zijn, over persoonlijke kofferdragers en alle andere ongein. Overigens waren de kofferdragers niet de bodes van het stadhuis, maar het hoofd voorlichting of een andere hotemetoot.

Stadhuize, want het echtpaar was dol op vernederingen door hooggeplaatsten van tav hen ondergeschikten. Het is te hopen dat deze schijthuizen met kilo's boter op hun hoofd nu eindelijk eens hun bek durven open te trekken, zodat niet alleen het hoofd van de keuken, een enkele bode en beveilingsbeambte disciplinair worden gestraft, want deze vorm van klassenjustitie zit de bevolking van Rotterdam hoog!

Het zat goed fout ten stadhuize zoals het goed fout zat op het Ministerie van Verkeer en Waterstaat ten tijde van Minister Smit-Kroes (VVD). 20 Miljoen gulden subsidie verstrekken aan frauduleus tankcleaningbedrijf (TCR) te Rotterdam en dat alles na door de advocaat-generaal Mr Feber bij het Hof te Den Haag gewaarschuwd te zijn voor dit bedrijf en deze directie. Het openbaar ministerie was immers heel ver gevorderd in een onderzoek naar de criminele activiteiten van directie en bedrijf.

Daar wist ons Neelie (VVD) wel raad mee, ze belde haar vriendje de Minister van Justitie Hirsch Balin (CDA) en deze sufkeukel gaf het Openbaar Ministerie op verzoek van zijn vriendin de minister opdracht het strafrechtelijk onderzoek met onmiddellijke ingang te staken. En ja, ambtenaren zijn gehoorzaam en het onderzoek wordt door de hogelijk verbaasde advocaat-generaal bij het Hof, door ons Neelie publiekelijk uitgemaakt voor een gefrustreerd konijn, gestaakt.

Neelie heeft echter haar hielen nog niet gelicht of de nijvere advocaat-generaal, een uitstekend en consensieus ambtenaar, zet zijn onderzoek voort en met resultaat: de frauduleuse directie verdwijnt voor enige jaren achter slot en grendel en zwijgt ter terechtzitting over de rol van hun (amoureuze- zo wil een zeer hardnekkig gerucht-) vriendin, mevrouw de voormalige Minister van Verkeer en Waterstaat.

Elke rechtgeaarde journalist zou onmiddellijk geïnteresseerd zijn in de reden van dit opmerkelijke stilzwijgen, want een jaar of wat gevangenis is natuurlijk niet niks voor de Rotterdamse elitebaasjes. Zulke journalisten kent ons land niet, dus loopt ons Neelie nog steeds frank en vrij op vrije voeten rond, wat zeg ik roert het brutaaltje zich stevig en plein public ten faveure van haar mannie, haar beertje!

In een normaal land als Italië staan politici en hoge ambtenaren niet buiten of boven de wet en hebben zij zich net als u en ik te verantwoorden voor de rechter, zeker indien zij hun positie misbruiken om de rechtsgang te belemmeren. Een doodzonde in een land waar de onafhankelijkheid van justitie en rechtelijke macht worden gerespecteerd, maar zo niet in het bananen Koninkrijk der Nederlanden, daar ga je als oud-minister gewoon vrij uit, er komt geen Openbaar Ministerie en geen rechter aan te pas, dat regelen wij als politieke elite onderling wel.

En uitgerekend deze vrouw, die waarschijnlijk in de lik thuis hoort, is de publieke verdediger van die andere ongelikte beer, de Minister van Binnenlandse Zaken, de waker over de integriteit van ons ambtenarencorps, die Prof. Dr.A.Peper heet (PvdA).

Lief echtpaar, elk woord van deze column, wat zeg ik elke letter daarvan, is bedoeld als een afront tegen jullie misselijkmakende praktijken. Ik en ik alleen ben hiervoor verantwoordelijk! Ik daag jullie publiekelijk uit een proces tegen mij aan te spannen wegens smaad. Ik lust jullie rauw, of zoals ze bij ons in Holland zeggen, ik maak jullie in met boter en suiker. Komt maar op als je durft, houdt de weinige eer die jullie nog rest aan jullie zelf en spoedt jullie weg met het eerste het beste vliegtuig dat gaat, nonvaleurs van de ergste soort!

Pim Fortuyn

Bram II


Het was al met heel veel tegenzin dat ik mijn eerste column over het 'echtpaar' schreef, met enige schroom schrijf ik nu een vervolg. De tegenzin zat hem in het weinig interessante van het echtpaar, de schroom zit hem in de stevige schrobbering die ik mocht ontvangen van Youp van 't Hek in zijn column in NRC-Handelsblad van jongstleden zaterdag onder de titel 'Brammetje'.

Ik ben over het algemeen een groot liefhebber van het werk van Van 't Hek in woord en geschrift. Dan valt het niet mee om uitgerekend door hem uitgemaakt te worden voor dom, ijdel, smakeloos en zo nog het een en ander. Het moet gezegd, ik ben het bij nader inzien geheel met Van 't Hek eens, ik zie het in!

Opvallend is dat hij niet van het bestaan van internet op de hoogte is. Youp maakt triomfantelijk aan de lezer duidelijk dat hij op slinkse wijze in het bezit van de door ELSEVIER geweigerde column is gekomen, terwijl deze reeds lang en breed op internet was gepubliceerd. Buitendien is Van 't Hek ervan overtuigd dat ik al mijn academische titels gratis heb gekregen. Dat is niet juist: de Vrije Universiteit te Amsterdam en de Rijksuniversiteit Groningen leveren deze titels bij de Persil, maar dan moet je wel hard en veel wassen en dat heb ik gedaan! Dit zijn slechts kleinigheden, de kern van zijn betoog aangaande mijn persoon staat als een huis, waarvan akte.

Intussen gaat het onderzoek naar de bestuurscultuur van het echtpaar onverdroten voort. Het Algemeen Dagblad, De Volkskrant en De Nieuwe Revu hebben er onderzoeksjournalisten voor vrij gemaakt. De oogst daarvan belooft het een en ander. Zo zou Neelie als president van Nijenrode op de hoogte zijn van een omvangrijke zwarte kas op dat instituut en heeft het disciplinair gestrafte hoofd van de keuken van B & W van Rotterdam - ja een eigen keuken en ook nog eens een keukenhoofd! - een compleet dossier gedeponeerd bij de juridische dienst van zijn vakbond de ABVA-KABO. Het gestrafte hoofd van de keuken wil er niet meer over kwijt dan dat dit dossier zowel belastend is voor hemzelf als voor prof. Peper. Hij heeft het bij zijn bond gedeponeerd om terug te kunnen bijten, indien B & W van Rotterdam het in hun hoofd halen hem na het onderzoek van de commissie uit de gemeenteraad opnieuw te straffen. B & W zijn dus gewaarschuwd.

Met die commissie uit de gemeenteraad is wel iets opmerkelijks aan de hand. Voor de PvdA zit daar de heer Middelkoop in, een man die er gedurende de hele ambtsperiode van Peper met zijn snufferd bovenop heeft gezeten. Voorts zit er voor het CDA Franz Jozef van der Heiden in. Een man die Peper in de krant verdedigt met de anekdote dat hij als kamerlid maar met Peper hoefde te bellen of hij kreeg gratis en voor niemendal de partyboot van de gemeente Rotterdam om in stijl een delegatie van buitenlandse kamerleden te ontvangen.

De Tweede Kamer heeft voor dit soort representatieve verplichtingen gewoon een budget, maar onze Franz Jozef komt niet eens op het idee om Bram om een ordentelijke rekening te vragen. Is dit spijkers zoeken op laag water? Zeker niet, immers diezelfde Franz Jozef moest als Kamerlid oordelen over investeringsbeslissingen van het Rijk in het Rotterdamse, maar ja moest die wel afwegen tegen investeringsbeslissingen van het rijk in Groningen, Maastricht etc, omdat zelfs het Rijk een gulden maar een keer kan uitgeven.

Als Kamerlid moet je in zo'n geval te allen tijde de schijn van belangenverstrengeling vermijden en moet je niet terecht komen in een sfeer waarin een verleende dienst een wederdienst veronderstelt. Tenslotte is de vrouw van de Minister van Justitie, Korthals (VVD), voor de VVD lid van deze commissie. Wat nu als er onverhoopt toch sprake blijkt van frauduleuze praktijken? Dan is haar man aan zet en dit zal, lijkt mij in de ministeriële echtelijke slaapkamer leiden tot onverkwikkelijke taferelen.

Kortom de Nederlandse politiek begint een behoorlijk incestueus karakter te tonen, overigens zonder dat de betrokken politici daar erg in hebben. Tenslotte zit Peper als Minister van Binnenlandse Zaken straks weer tegenover Vrins, de voorzitter van de grootste ambtenarenbond (ABVA-KABO), om te onderhandelen over de nieuwe arbeidsvoorwaarden van al die honderdduizenden ambtenaren die ons land rijk is. Nu is er natuurlijk officieel een 'Chinese wall' tussen de juridische dienst van de bond en de bestuurders, maar ja Vrins is ook maar een mens, dus wie weet heeft hij toch een steelse blik weten te werpen in het wellicht brisante dossier van het voormalige keukenhoofd. In dat geval bevindt de Minister zich in een chantabele positie en dat zou hij niet moeten willen.

Ondertussen moeten we wachten op het rapport van de commissie uit de gemeenteraad. Het stadhuis aan de Coolsingel zit momenteel potdicht en dat is natuurlijk terecht. Ze slaan daar ook volledig op tilt. Ik vond het wel zo fatsoenlijk om hetgeen ik te weten ben gekomen te melden aan de commissie, opdat deze het niet zou hoeven te vernemen via internet. Dat kostte meer dan een half uur, elke ambtenaar aan de telefoon schoof deze hete aardappel volgaarne door aan een meerbevoegde collega en zo eindig je tenslotte bij het hoofd voorlichting dat niet anders kon doen dan de boodschap in armoede in ontvangst nemen.

Enfin wordt vervolgd, zal ik maar zeggen.

Pim Fortuyn
Rotterdam 12 november 1999

Zwijgplicht


Onlangs kwam er weer een topmanager bij mij langs om in de biechtstoel zijn hart te luchten en zijn geweten te ontlasten. In de loop der jaren is het een nationale biechtstoel geworden van op een zijspoor gezette topmanagers.

Mensen die je niet weten te vinden in tijden van voorspoed, maar in tijden van tegenspoed des te beter. Daarover beklaag ik mij overigens niet, want dat zij op hun moeilijke ogenblikken mij zien als een waardevolle gesprekspartner is een opsteker van de eerste orde.

Onderwerp van gesprek is natuurlijk het overhaaste vertrek bij het bedrijf dat men dikwijls vele jaren heeft gediend. Een beslissing, zoals dat in die kringen heet, die is genomen in wederzijds overleg tussen commissarissen en directie. De werkelijkheid is dat de betrokkene geen andere keuze restte dan op te stappen, omdat commissarissen het vertrouwen in hem dreigden op te zeggen.

Op die momenten hebben commissarissen in Nederland onwaarschijnlijk veel macht: er komt geen aandeelhouder, kapitaalverschaffer of werknemersvertegenwoordiging aan te pas. Dit gebeurt in alle beslotenheid en ook de gegeven redenen zijn meer dan curieus. 'Verschil van inzicht' is wel de meest vergaande.

Waar dat verschil van inzicht dan wel over mag gaan, dat mag men raden. Niemand zegt er iets over, ook niet de aan de kant geschoven topmanager. De laatste heeft bij zijn afscheid een gouden handdruk gekregen en een wurgcontract dat hem absolute zwijgplicht oplegt op straffe van het verlies van de handdruk en een eventuele schadeclaim. De manager houdt dus stevig zijn kiezen op elkaar.

Niet dat we daar veel respect voor moeten hebben. Wie laat zich nu de mond snoeren voor een aantal miljoen gulden? Het is als je ziel aan de duivel verkopen, maar helaas is er op deze regel tot nu toe geen enkele uitzondering te bekennen. Allemaal gaan ze voor die paar rotcenten, hoe fundamenteel dat verschil van inzicht ook was.

Ik heb meegemaakt dat niet minder dan het voortbestaan van de onderneming in het geding was. Een prachtig bedrijf bijvoorbeeld dat zogenaamd vanwege de schaalgrootte zou moeten fuseren. Lariekoek, indien wordt bedacht dat het een der grootste en beste ter wereld is. De opkoper is in werkelijkheid een speculant met een dikke buidel geld, die straks door het opsplitsen van het bedrijf nog heel veel meer geld hoopt te verdienen.

Werknemers hebben bij deze gang van zaken in ieder geval geen enkel belang en of de aandeelhouder er goed uitspringt valt nog helemaal te bezien. En toch zetten commissarissen door, hoewel ze nog niet zo lang geleden op het verse graf van de stichter van het bedrijf hebben gezworen het bedrijf nimmer te vervreemden. En dit is maar een voorbeeld dat ik moeiteloos met tientallen voorbeelden kan uitbreiden.

Nu is het altijd moeilijk uit te maken wie gelijk heeft: de commissarissen of de aan de kant geschoven topmanager. Zonder belang is dat intussen niet; niet zelden is het zelfs van levensbelang voor de onderneming. We zullen hier naar mijn oordeel iets aan moeten doen, in het belang van de werknemers, de aandeelhouders, de kapitaalverschaffers en last but not least in het belang van de Nederlandse economie en samenleving.

Die samenleving heeft tenslotte ook geïnvesteerd in het bedrijf en heeft recht op openheid in dit soort conflicten, temeer daar we in ons soort samenlevingen in toenemende mate belang hechten aan de vrije markt. Het toenemend gewicht van marktpartijen en het effect dat hun handelen heeft op de samenleving als geheel noopt als vanzelf tot grotere openheid en tot het afleggen van verantwoording.

Mijn voorstel is tweeërlei.
Ten eerste een klein wetje dat het vastleggen van zwijgplicht inzake de reden van vertrek verbiedt. Dat laat onverlet dat de vertrokken topmanager gehouden is om bedrijfsgeheimen voor zich te houden.
Ten tweede zou ik het recht willen toekennen aan werknemers van het betrokken bedrijf, de aandeelhouders en de kapitaalverschaffers, om betrokken verantwoordelijken onder ede te horen over het conflict en de reden van vertrek. Dat zou bijvoorbeeld ondergebracht kunnen worden bij de ondernemingskamer die toeziet op een correcte gang van zaken inclusief eedsaflegging en verslaglegging van het besprokene. Blijkt er achteraf gezien gelogen te zijn, dan kan de leugenaar vervolgd worden wegens meineed.
Een zeer preventieve maatregel!

De macht van commissarissen in ondernemingen behoeft hoognodig controle. Ook zij hebben zich te verantwoorden en dienen dat tenminste te doen tegenover de directe belanghebbenden: kapitaal en arbeid. Het huidige regime biedt hen te gemakkelijk de mogelijkheid om kapitaal en arbeid zonodig met een kluitje in het riet te sturen, en dat is een geïndividualiseerde maatschappij met veelal hoogopgeleide mensen als de onze, beslist onwaardig!


Pim Fortuyn
Rotterdam 2 januari 2000

Havana mon amour


Zojuist teruggekeerd van een bezoek aan het Havana van de seniele revolutionair Fidel Castro. Net als van de dictator, rest van de hoofdstad van zijn koninkrijk niets meer dan een schim. Welk een onbeschrijfelijke armoede, verval en inertie teisteren dit beeldschone land, dat qua natuurschoon in een reclamespot voor een Bacardi-Cola, in mijn tijd nog een Cuba Libre geheten, niet zou misstaan.

De machtige buur, de Verenigde Staten van Noord Amerika, heeft deze dwerg onder de staten economisch, militair en politiek in de ban gedaan. Een grotesk en zielig gebaar dat met een bedreiging van de VS van welke aard dan ook, niets heeft uit te staan.

Zouden de VS kunnen besluiten morgen de grenzen gewoon open te gooien en het economisch verkeer met Cuba te hervatten, dan zijn Fidel Castro c.s. binnen enkele maanden zonder enig bloedvergieten van het toneel verdwenen. Het regime staat op het punt van instorten en kan zich nog slechts staande houden door repressie en door de absolute inertie van de bevolking. Zo gauw die bevolking een (economisch) wenkend perspectief wordt geboden is het met deze orde snel gedaan.

Ter voorbereiding van mijn reis, die had moeten uitmonden in een vraaggesprek met de grote leider, heb ik menig journalistieke reportage over land en bevolking doorgeworsteld. Dikwijls romantische verhandelingen over het natuurschoon, de leuke vijftiger jaren auto's die daar nog rondtouren in aanzienlijke aantallen, het lekkere weer en de vrolijke bevolking.

Na mijn bezoek aan dit land vraag ik mij af of de dames en heren journalisten zich niet in het land van hun genietingen hebben vergist. Alleen de aankomst vanaf het vliegveld in de hoofdstad al. Het lijkt wel of de stad net een verwoestend bombardement achter de rug heeft. Vrijwel geen gebouw staat ongeschonden overeind.

Bijna vijftig jaar lang zijn alle overheidsgebouwen, particuliere gebouwen en woningen van welke snit dan ook compleet uitgewoond, door ze overbevolkt te laten zijn en ze nimmer van enig onderhoud te laten genieten. Ik heb het dan niet over de krottenwijken van Havana, want die zijn er ook te kust en te keur, maar over het centrum van de stad.

In de huizen van de elite van voor Fidels revolutie wonen nu talloze gezinnen in 'appartementjes'. Primitieve scheidingen palen de woonruimte van een hele familie af, vaak niet veel meer dan veertig vierkante meter en dat is al royaal. Bezitten doet zo'n familie vrijwel niets. Wat oud krakkemikkig meubilair, wat bedden en een ruimte die moet doorgaan voor keuken annex badkamer, een toilet wordt vaak gedeeld met meer families.

Waterdruk is er niet, dus zie je maar enigszins schoon te houden en dat zijn de mensen dan ook niet. Kopen kun je er vrijwel niets, winkels zijn er nauwelijks. Als je iets koopt moet dat in dollars - de munt nota bene van de aartsvijand! - en dat geldt niet alleen voor de buitenlanders, maar ook voor de Cubanen zelf. Overleefd wordt er in een soort ruileconomie.

Elke avond vervolgens die zielige propaganda van het regime over geweldige stappen voorwaarts die worden gemaakt op ieder denkbaar (economisch) terrein, terwijl de bevolking dag in dag uit gratis en voor niets de leugenachtigheid daarvan eigenhandig kan vaststellen.

Elke fut is er overigens uit. Weinig ondernemingszin, veel gehang de hele dag door en een ontstellende apathie. Indien de bevolking het zou opbrengen gedurende een aantal maanden te demonstreren op het centrale plein van de stad, dan zakt het regiem als een plumpudding ineen. Zelfs dat wordt niet meer opgebracht.

Ons buitenlanders ontbreekt het tegen fikse betaling overigens aan niets in hotels die voldoen aan alle maatstaven van het hoogontwikkelde westen. Als je de politieke, economische en maatschappelijk situatie negeert, is het wel romantisch en een verademing: al dat gebrek en die schrijnende armoede, en ja, natuurlijk, die enige auto's uit de jaren vijftig. Havana mon amour, moet u maar denken!

Pim Fortuyn
12 januari 2000

Peper en Havana


Onlangs heb ik voor een groot landelijk weekblad een werkbezoek gebracht aan Havana, de hoofdstad van de 'operette' dictatuur van de seniele revolutionair Fidel Castro, met de bedoeling een tweegesprek aan te gaan over de toekomst van zijn land, de Amerikaanse handelsboycot, de rol van de EU, ons land en inzonderheid van de Rotterdamse haven. Ter voorbereiding had ik een stapel journalistieke producten doorgeworsteld, lopend van politiek-economische analyses tot en met nostalgische verhandelingen over de rustieke Cubaanse samenleving, waarin Amerikaanse auto's uit de jaren vijftig nog over 's-Heren wegen zoeven. Mij hadden deze verhandelingen al met het nodige wantrouwen vervuld, temeer daar ik redelijk goed bekend was met de situatie in Oost- en Midden-Europa voor de val van het ijzeren gordijn. De bezoeken aldaar hadden mij diep geschokt en ver doen afdrijven van mijn progressieve vrienden en universitaire collega's. Zozeer zelfs, dat ik mij zeer heb ingezet voor de plaatsing van kruisraketten ten tijde van de grote protesten in Nederland. In een grote noordelijke krant bood ik zelfs mijn keukenbalkonnetje aan voor de plaatsing van zo'n monster. U begrijpt, dat is mij duur komen te staan.
Naïef kon ik me dus niet noemen bij aanvang van mijn Cubaanse avontuur. En toch, ik bleek het bij nader inzien wel te zijn. De situatie daar is nauwelijks met een pen te beschrijven en dat op ieder denkbaar terrein. De armoede is er verschrikkelijk. Niet alleen in de buitenwijken van Havana, wij zouden zeggen sloppenwijken, maar ook in het centrum van de stad. De situatie is nog het meest te vergelijken met die na een langdurig bombardement. Alle soorten gebouwen -van publieke gebouwen tot woonhuizen, van voormalige winkelstraten tot wooncomplexen- staan op het punt van instorten of zijn ingestort door ruim veertig jaar niet of gebrekkig onderhoud.
Het publieke domein is na de ineenstorting van de Sovjet-Unie en het daarmee wegvallen van een grote subsidiestroom vervallen tot niets. Straatverlichting doet het gebrekkig, fonteinen spuiten niet en zijn in verval, de wegen vertonen overal gaten. En tenslotte: je kunt er niets kopen, ook de plaatselijke bevolking niet, zonder te betalen in de munt van de vijand, de dollar. Dit toont aan dat het regime volledig aan het einde van zijn krachten is en noch de bevolking noch de propaganda meer iets te bieden heeft. Zelfs de schone schijn valt niet meer op te houden.
Ik ben op bezoek geweest bij leraren, ambtenaren en leidinggevenden; ook zij wonen onder de meest minimale omstandigheden. Een heel gezin op zo'n veertig vierkante meter met elementaire sanitaire voorzieningen van de primitiefste soort. Ik weet niet hoe het de nomenclatura vergaat, die heb ik links laten liggen. Castro kreeg ik niet te spreken en aan contact met de rest van zijn kliek had ik naarmate de tijd vorderde geen enkele behoefte. De werkelijkheid om je heen sprak boekdelen, daar had ik hun visie niet meer bij nodig. Die visie kon je overigens iedere avond bewonderen op TV. Verslagen van grote vorderingen en geweldige stappen voorwaarts op ieder denkbaar terrein, ook dat van de economie. Niet eens meer weerzinwekkend, maar gewoon zielig. De eigen bevolking kan dag in dag uit noodgedwongen de volstrekte leugenachtigheid van deze propaganda vaststellen. Er is geen discussie over mogelijk, met de beste wil van de wereld valt geen sprankje werkelijkheid in de propaganda van het regime te ontdekken.
Het is met dit land en inzonderheid met deze stad en haven, waarmee Rotterdam bijzondere banden zou onderhouden. Het is van economisch belang deze banden te koesteren. Wanneer doen de terzake kundigen in Rotterdam hun mond eens open? Wanneer komt het Rotterdams Havenbedrijf eens met een eerlijke analyse van het belang van de Cubaanse haven voor de Maasstad? Dat belang ís er gewoon niet, omdat aan zo'n volledig kaalgeplukte kip niets te verdienen valt, ook niet in de naaste toekomst. Gedurende mijn verblijf lag er welgeteld een oude barrel van een vrachtschip in die haven. Onze PvdA-politici liepen voorop bij de boycot van het apartheidsregime van Zuid-Afrika, waar wel degelijk iets te verdienen viel, en zwijgen nu niet alleen als het graf maar maken ook nog eens snoepreisjes naar dit volstrekt verarmde land. Ze laten zich er uitgebreid fêteren door het regime. Ik heb gezien waar Peper heeft gelogeerd. Een soort compound van alle luxe voorzien, zulke hotels kennen we hier nauwelijks, goed afgeschermd maar te midden van de grootste armoede. Na gedane zaken ging men naar weer een andere compound buiten Havana, met nóg grotere luxe temidden van de weelderige natuur van Cuba en de schitterende stranden. Peper -de ideoloog van de PvdA- doet dit; wat heeft dit nog met integer Nederlands socialisme te maken? En waarom? Nogmaals, er werd geen enkel zakelijk belang mee gediend. Bekijkt men de zaak politiek en moreel, dan wordt het nog erger. Niet eens dat gebruik van onze belastingcenten voor dit soort non-doelen, arm zijn we tenslotte niet; maar de idee dat je dit doet terwijl het volk bezwijkt, niet alleen in materieel en economisch opzicht, maar ook mentaal, qua vitaliteit en qua gevoel van eigen waarde. Daarin onderscheidde de situatie in Zuid-Afrika zich positief van Cuba; er was verzet en dat schept perspectief. De bevolking van Cuba is gewoon murw gebeukt door de jarenlange massieve onderdrukking en hersenspoeling. Koning Peper en echtgenote waren daar op bezoek, namens ons en in ons belang. We moeten ons daarvoor diep schamen. De Rotterdamse PvdA en het Havenbedrijf doen er verstandig aan publiekelijk schoon schip te maken. Fouten toegeven en excuses maken, om met een schone lei verder te kunnen gaan. De bevolking helpen is nu onze morele plicht. Kunnen we wat betekenen voor hun haven op uitvoerend niveau, akkoord. Maar geen contacten op hoog niveau met een door en door verrot en onderdrukkend regime. De PvdA zal dit alles echter wel niet nodig vinden, waarom zou men tenslotte slapende honden wekken?

E-commerce


Er is op het ogenblik een waar gevecht gaande tussen aanbieders van informatieproducten en de distributeurs daarvan. Een klassiek gevecht in de logistieke keten, dat immer ontstaat op het moment dat technologische vernieuwingen een andere, veelal efficiëntere en dus profijtelijker, manier van werken mogelijk maken.

Tot nu toe waren het meestal degenen die inhoudelijk iets te bieden hadden, een product of een dienst, die aan het langste eind trokken. Bijvoorbeeld als het gaat om het fysieke transport van goederen zijn het zij die zich beperken tot het transport op zich die genoegen moeten nemen met de magere rendementen. De regisseur van een dergelijke logistieke keten gaat er vandoor met de grote winsten.

Een bedrijf als het Rotterdamse Nedlloyd bijvoorbeeld, eens een van onze vlaggenschepen op het gebied van maritiem transport, houdt het om die reden voor gezien en gaat de voormalige HAL achterna, de eens trotste verzorger van de transatlantische route van passagiersvervoer per schip. Het wordt waarschijnlijk omgevormd tot een beleggingsmaatschappij, die zich gezien zijn expertise, zal bezighouden met beleggingen in transport en aanverwante zaken.

In de wereld van de telecommunicatie lijkt het nu anders te gaan en zijn het niet zozeer de aanbieders van inhoudelijke producten die aan het langste eind trekken, maar degenen die de transportnetwerken organiseren en in handen hebben. Bedenkelijk in die ontwikkeling is wel dat netwerk en inhoudelijke producten in een hand terechtkomen en dat doet het ergste vrezen voor de concurrentie. Het is hetzelfde als een grote transportonderneming de weg waarover hij moet rijden in handen krijgt en mag bepalen wie er wel en wie er niet op die weg wordt toegelaten.

Voor definitieve conclusies is het overigens nog te vroeg, daar het fusie- en overnamegeweld nog in de beginfase verkeert en het moeilijk te voorspellen is welke structuur van vervoer en inhoud er overblijft als de stofwolken van dit adembenemende gevecht zijn gaan liggen. Het lijkt overigens niet te ver te gaan om de verwachting uit te spreken dat daarna overheidsingrijpen noodzakelijk zal zijn om faire vormen van mededinging opnieuw af te dwingen.

Een interessant vraagstuk, daar in dit geval het afdwingen zal moeten gebeuren door een forum als de G-8 omdat een nationale overheid, zelfs die van de VS, op te kleine schaal werkt om zoiets effectief te organiseren, gezien het grensoverschrijdend karakter van IT. Zo bezien zou een 'wereldregering' wel eens dichterbij kunnen liggen dan de visionair Hollands econoom en Nobelprijswinnaar Tinbergen ooit had kunnen denken.

In dat kader is het van groot gewicht hoe het gevecht tussen de Amerikaanse overheid en Microsoft afloopt. Mocht de Amerikaanse overheid dit gevecht winnen, dan is er een belangrijke piketpaal geplaatst voor het tegengaan van ongewenste monopolievorming. Een piketpaal die richtinggevend zal zijn voor de beoordeling van de nieuw te vormen conglomeraten.

Overigens kan het best zo zijn dat het diezelfde techniek is die de overheden ongewild te hulp snelt in hun strijd om faire mededinging af te dwingen. Immers, die techniek heeft ons tot nu toe in staat gesteld om met steeds verfijndere apparatuur steeds kleinschaliger te werken. En wat belangrijker is, die techniek maakt het steeds weer mogelijk dat nieuwe partijen toetreden.

Aan de ontwikkeling van de computer valt deze gang van zaken goed af te lezen. Eerst enorme apparaten, die slechts weggelegd was voor grote, technische instellingen en bedrijven, daarna het mainframe, ook nog een exclusief apparaat, maar met al een aanzienlijk grotere verspreiding, toen de pc, zonder meer booming qua verspreidingsgraad, en straks elk apparaat zijn eigen "computer". De productie van chips met een steeds grotere capaciteit en steeds meer mogelijkheden ligt daaraan ten grondslag.

Hoe dan ook, het is duidelijk dat we aan de vooravond staan van een complete restyling van onze economie en samenleving. E-commerce is daarbij de nieuwe loot aan de stam. Dit systeem zal een enorme bijdrage leveren aan prijs- en kwaliteitstransparantie. Met een druk op de knop worden geïnformeerd over de kwaliteit en de prijs van goederen en diensten waar ook ter wereld geproduceerd. Dit zal de concurrentie enorm aanjagen en van de economische wereld nog meer een dorp maken dan thans het geval is.

De trekkers van deze ontwikkeling, te onzent iemand als Roel Pieper, verwachten hiervan een complete herstructurering van het huidige bedrijfsleven. Tot nu toe heeft Pieper steeds gelijk gekregen, zelfs in het geval van Philips. Als dat zo is, kunnen we onze borst wel nat maken. Spannend is het in ieder geval. Het zal een toevloed opleveren van nieuwe rijken, maar zeker ook van nieuwe armen. Rijkdom went snel, voor de nieuwe armen zal het gelag wat zwaarder vallen, maar als IT zijn pretenties waarmaakt dan is het ook voor hen: nieuwe ronde, nieuwe kansen, en dat steeds maar weer.
Ik word er wel eens moe van, u ook ?


Pim Fortuyn
Rotterdam 20 januari 2000

Hoofddoekjes en tulbanden


In de krant van afgelopen maandag, in mijn geval NRC Handelsblad, stond het min of meer terloops op pagina 2. De Raad van Hoofdcommissarissen gaat minister Peper (PvdA) van Binnenlandse Zaken een voorstel doen om het Nederlandse politie-uniform te verrijken met hoofddoekjes en tulbanden. Uiteraard naar uniform centraal ontwerp door een vooraanstaand couturier.

Even dacht ik hier dat het een grap van de krant was en ik moest er dan ook hartelijk om lachen. Maar ja, mijn krant maakt nooit grapjes en zeker niet op nieuwspagina en liet mij dus in ongeloof en een zekere vertwijfeling achter. Het is gewoon waar, dit wordt met droge ogen voorgesteld. De reden die wordt opgegeven is dat Nederland een multicultureel land is en op deze manier de politie herkenbaarder wordt bij delen van de bevolking en dat uit die delen van de bevolking dan ook gemakkelijker politiefunctionarissen zouden zijn aan te trekken.

Zelden een krommere redenering gehoord. De politie niet als wets- en ordehandhaver in de maatschappij, maar als een softe instelling van maatschappelijk werk uit de jaren zeventig. Dat kan er nog wel bij na de publieke uitlatingen van politievoorlichter Klaas Wilting, dat de politie er vooral is voor de sloebers in onze maatschappij en niet voor de welvarende burgers.

Wat hier op het spel wordt gezet is veel en een uiting van volstrekt misplaatst cultuurrelativisme, alsmede van verlies van elk begrip van wat de rechtsstaat inhoudt in een parlementair-democratische orde als de onze. We hebben er in onze contreien wat eeuwen overgedaan en er rivieren bloed voor vergoten, maar het uiteindelijk voor elkaar gekregen : de scheiding van Kerk en Staat. Het eerste basisbeginsel van onze parlementair-democratische rechtsorde, niet meer en niet minder.

Godsdienstige overtuiging en kerkelijke organisatie zijn volstrekt particuliere zaken. Het is de zaak van de burger zelf en de overheid treedt daar zeer terughoudend tegenover op. Tegenhanger daarvan is dat niemand in het publieke domein op ongevraagde en ongewenste manier wordt geconfronteerd met deze overtuiging, het is een kwestie van particuliere keuzen en vrijwilligheid.

Het introduceren van hoofddoekjes en tulbanden in het publieke domein door ambtsdragers treedt dit grondbeginsel van onze parlementair-democratische rechtstaat met voeten. Als burger heb ik het recht verschoond te blijven van de godsdienstige opvatting van een politieagent. Hij mag er uiteraard een hebben, maar ik mag daar door hem niet ongevraagd mee worden geconfronteerd, dat moet hij maar in zijn vrije tijd doen en zelfs dan is dat aan de regel van vrijwilligheid gebonden. Als ik er niet mee lastig wil worden gevallen is dat mijn recht.

Hoofddoekjes en tulbanden zijn de uiting van een godsdienstige opvatting - die ik overigens om goede redenen verwerpelijk vind, maar dit terzijde - waarmee de politie mij in functie niet mag lastig vallen . Dat is mijn recht als burger. Staan we dit wel toe, dan mag met hetzelfde recht een christenagent het vissenteken op zijn uniform spelden, de homoagent het homoteken, de katholieke agent een lam of een kruis of beiden, de boeddhist een beeltenis van Boeddha etc.

Dit kan dus gewoon niet en ik hoop dat politiek Den Haag na even nadenken dit begrijpt. Het werkt ook volstrekt contraproductief. De politie heeft al niet zoveel gezag meer en verspeelt op deze manier dat beetje gezag dat het nog heeft. Het uniform, het woord alleen zegt het al, is er niet voor niks. Voor iedere burger is de politie uniform, letterlijk en figuurlijk. Naast het feit dat voor de politie iedere burger voor de wet gelijk is en daarnaar behandeld dient te worden, dus zonder onderscheid naar persoon en functie, is zijn uniforme verschijning de legitimatie van zijn optreden in het publieke domein.

Onschuldig zijn de hoofddoekjes en tulbanden dus niet bij de politie. Zet men dit onheilige voorstel toch door, dan is het te hopen dat alle agenten massaal besluiten hun pet te verwisselen voor een tulband of hoofddoekje, dan zijn we in een moeite van de godsdienstige betekenis van deze hoofdbedekking af.


Pim Fortuyn
Rotterdam 27 januari 2000

Haider


Eerlijk gezegd heb ik met verbijstering gekeken en geluisterd naar de politieke reacties in ons land en in veel andere lidstaten van de EU op de vorming van een regering in Oostenrijk, waaraan de partij van Jörg Haider, de FPÖ deelneemt. Ter bepaling van onze gedachte, deze partij heeft een even grote kiezersaanhang als bij ons de PvdA. Op deze manier ingrijpen in de nationale soevereiniteit van een land, het recht om op basis van de kiezersuitspraak een regering te vormen, is nog nooit eerder vertoond en belooft niet veel goeds voor de toekomst.

De verklaring voor deze overkill zoek ik in het slechte geweten van veel politici als het gaat om het hanteren van het vreemdelingenvraagstuk. De EU is niet in staat gebleken dit belangrijke vraagstuk ook maar enigszins gezamenlijk te regelen. Het liefst schuift men de hete aardappel van het eigen bord op dat van de buurman. We weten de toestroom niet te matigen en in geen van de lidstaten is het integreren van vreemdelingen in de eigen samenleving een succes. Het lukt uiterst moeizaam tot helemaal niet. Dit wordt weliswaar in allerlei onderzoek naar het verschijnsel kwalitatief en kwantitatief onderkend, maar politiek min of meer doodgezwegen.

Geen regering of politieke partij die deel uitmaakt van het establishment, durft te erkennen dat we met de handen in het haar zitten. Zij die dat wel durven erkennen, worden steevast in de hoek geplaatst van vreemdelingenhaters en racisten. Op politiek niveau wordt de ernst van de problematiek nog steeds niet erkend. Men blijft de indruk wekken dat het beleid al deze problemen in de naaste toekomst zal oplossen en benadrukken dat de ontsporingen slechts incidenten zijn.

Ondertussen is het land dat het woord apartheid uitgevonden heeft, bezig met rigoreuze segregatie van de samenleving. Over ruim tien jaar worden, aldus berekeningen van het CBS, de meeste van onze steden bevolkt door burgers waarvan meer dan de helft wortels heeft in den vreemde. In het onderwijs voltrekt zich die segregatie inmiddels razendsnel. Een zogenaamde zwarte school lijkt een paspoort voor slechte of mislukkende integratie en belabberde toegang tot de arbeidsmarkt. Voor de gevangenissen en opvoedingsgestichten valt hetzelfde verhaal te vertellen.

De oorzaak daarvan is in veel gevallen slechte integratie. Over de mogelijkheden tot integratie en het tempo daarvan is de politiek tot nu toe niet alleen veel te optimistisch geweest, maar heeft zij steeds een volstrekt verdraaid beeld gegeven. De multiculturele samenleving bestaat alleen in hun hoofden, nauwelijks in de werkelijkheid.

Haider drukt de Nederlandse politiek vroeg of laat met de neus op deze feiten en dan levert alle commotie toch nog iets goeds op. Voor het overige is het een schaamteloze vertoning, waarin het belang van Haider in Oostenrijk volledig uit zijn verband wordt gerukt. Onze politieke elite is nog bezig met de vorige oorlog en dus is Haider een mini-Hitler.

Was het maar zo eenvoudig, de geschiedenis herhaalt zich zelden en zeker niet in dit geval. Oostenrijk heeft in achtertuin de Balkan, voor ons vooralsnog een ver van ons bed show, voor hen een zeer nabije dagelijkse realiteit. Dat men in dat land zo angstig is voor een muliculturele samenleving is geen waanidee, maar een realiteit waarvan men de catastrofale gevolgen bij de buren dagelijks kan ervaren.

In dat licht bezien en gevoegd bij het onverwerkte nazi-verleden van Oostenrijk is de FPÖ een burgermanspartij die ten dele met angst kijkt naar de toekomst en het eigene tracht te bewaren en te koesteren en anderzijds aansluiting probeert te vinden met de nieuwe tijd. Ware evenwichtskunst, niet iets om te isoleren.
Laten we maar eens afwachten wat hun regering te brengen heeft, ondertussen hebben wij onze handen meer dan vol met het eigen volledig falende vreemdelingenbeleid.


Pim Fortuyn
Rotterdam 3 februari 2000

EU immigratiegebied?


Langzaamaan dwarrelt het stof neer na alle commotie rond de deelname van Jörg Haider en zijn partij aan de nieuwe regering van Oostenrijk. De regeringsverklaring bevatte niets waarvoor de EU zich zou moeten schamen, integendeel, nuchter en helder.

Tot ergernis van sommigen behoor ik tot de weinigen die onmiddellijk hebben gewezen op het gevaar van de onbekookte reacties van de regeringsleiders van de EU op de coalitiebesprekingen in Oostenrijk. Het heeft de EU alle instrumenten uit handen geslagen om op een subtiele en effectieve manier druk uit te oefenen op Oostenrijk indien dat nodig zou zijn. Buitendien is aan de besluitvorming terzake geen enkel parlement te pas gekomen.

Op een moment dat het maatschappelijk en economisch leven op een ongekende schaal individualiseert en democratiseert, krijgt politieke besluitvorming over wezenlijke zaken steeds autoritairder trekken. De feitelijke democratie is in het domein van de politiek echt in de gevarenzone aan het komen en dat geldt voor alle lidstaten van de EU. Het kan en mag niet zo zijn dat het publieke domein iets wordt waarin een betrekkelijk geïsoleerde politieke elite, zonder echt verantwoording af te leggen, de dienst uitmaakt. Dat roept op den duur spanningen op die moeilijk beheersbaar zijn.

Langzaam maar zeker draait nu de publieke opinie bij en begint men in te zien dat een bedachtzamer optreden tegenover Oostenrijk verre de voorkeur verdient. Kritisch volgen en waar nodig optreden, is nu het parool. De EU zal deze weg weliswaar niet qua retoriek, maar zeker in de praktijk inslaan, hetgeen al blijkt uit het feit dat nu ook de Oostenrijkse ministers gewoon worden uitgenodigd voor het informele overleg van EU-ministers in weerwil van alle gespierde taal en voornemens. De discussie gaat er nu over of je nu wel of niet met hen kunt lunchen.
Kortom men staat voor gek en heeft een enorm gezichtsverlies geleden.

Enfin dat gaat ook weer voorbij en wat in ieder geval is bereikt, is dat nu een EU-politiek ten aanzien van immigratie - ja of nee, en zo ja op welke schaal en van welke soort hoog - op de politieke agenda staat, niet in de laatste plaats na de onlusten in Zuid-Spanje, onlusten van een onversneden racistisch karakter. En dat in het Spanje dat zich zoveel beter waant dan Oostenrijk. Het wordt de hoogste tijd daarover eens níet te moraliseren, maar om de oorzaken daarvan koel en rationeel te analyseren.

Spanje maakt ruim gebruik van illegale arbeidskrachten, met name uit Marokko. Deze mensen worden niet alleen slecht betaald, maar hebben ook geen rechten. Niet op fatsoenlijke huisvesting, gezondheidszorg, onderwijs etc., velen van hen wonen in een soort bidonvilles en pogingen tot integratie worden niet eens ondernomen.
Toestanden die men in het deels xenofobe Oostenrijk niet aantreft.

De mensen van buiten die er zijn worden goed behandeld en men probeert hen te integreren in de samenleving. Problemen geeft dat genoeg en dat is ook mede de basis voor de opgang van de FPÖ. Er is eigenlijk geen lidstaat in de EU waar men niet met grote integratieproblemen kampt. Ook ons land kampt daarmee, ook al trachten we zoveel mogelijk van die problemen onder het tapijt te vegen.

Ondertussen weten we er al wel een hoop van, aan onderzoeksresultaten geen gebrek. We weten dat over tien jaar de 24 grootste steden van Nederland voor de helft of meer zullen bestaan uit bewoners van buitenlandse herkomst, waarvan een flink deel zal behoren tot moeilijk te integreren groepen. Dat is voornamelijk een cultuurprobleem. Het gaat dan met name om mensen afkomstig uit culturen die moeite hebben met de westerse moderniteit en daar maar al te vaak zelfs vijandig tegenover staan.

De vraag die we ons nu moeten stellen is of we deze problematiek aankunnen en zo ja of we dan bereid zijn om daar veel in te investeren, men moet dan denken aan een soort deltaplan. Zo nee, dan zullen we ons moeten afvragen hoe de toestroom in te dammen en hoe we ervoor kunnen zorgen dat in dat geval het werk naar de mensen komt, in plaats van omgekeerd.
Wezenlijk politieke vragen, die slechts beantwoord kunnen worden in een open politiek en maatschappelijk debat.

Dat debat kan slechts open zijn indien daar niet onmiddellijk de fundamentalistische meetlat van racisme en vreemdelingenhaat naast wordt gelegd. Onze politici zijn nog teveel bezig met de vorige oorlog in plaats van zich in te zetten om een nieuwe oorlog te voorkomen, hetzij in de letterlijk vorm van het woord, hetzij in de vorm van toenemende maatschappelijke en culturele ontwrichting. Wat dat betreft is het vijf voor twaalf.
Naar ik hoop brengt ons alle gedoe rond Oostenrijk ons dit noodzakelijke open debat.


Pim Fortuyn
Rotterdam10 februari 2000

Ad Melkert


Een rare vertoning vorige week. Een vernietigend rapport over de aanwending van EU subsidies door Nederland voor de werkgelegenheid. Het toont de gekte aan in Brussel waaraan hoognodig een einde moet worden gemaakt.

Een puissant rijk land als het onze krijgt subsidie, ja u leest het goed subsidie, van Brussel om iets te doen aan de werkgelegenheid. Ten eerste waar bemoeien zij zich mee in Brussel, we kunnen onze eigen broek wel ophouden en ten tweede wat een geldverspilling. Een complete bureaucratie die geld aan het rondpompen is, want die subsidie is natuurlijk wel een sigaar uit eigen doos. Sterker nog, Nederland is een netto betaler aan de EU, betaalt meer dan het ontvangt, van de eerste orde.

Dat hebben we te danken aan de voorganger van premier Kok (PvdA), minister president Lubbers (CDA), die met een hoge contributie het voorzitterschap van de EU dacht te kopen. Niet dus en rechtgezet is het nog steeds niet. Kok leende niet het handtasje van Margareth Thatcher, the Iron Lady, om daarmee bij de collega regeringsleiders op tafel te meppen onder de kreet: ‘I want my money back!’

Voor het probleem dat Nederland gezien de omvang van zijn bevolking teveel betaalt, is een typische EU oplossing uit de bus gerold, de oorzaak van alle problemen rond de EU werkgelegenheidssubsidies. Nederland mocht ondanks zijn rijkdom delen in de pot voor arme EU landen om de werkgelegenheid te stimuleren. De EU bureaucraten hebben nu bedacht dat dit niet volgens de regeltjes is gebeurd en eisen een groot deel van het geld, vermeerderd met een boete, terug. Vervolgens is er geen politicus in Nederland die zegt: ‘terug in jullie hok of we stellen de zaak opnieuw aan de orde in de Raad van regeringsleiders’. Het gaat hier immers om een compensatie voor te veel afgedragen contributie. Beter is het natuurlijk om de zaak nu maar definitief, goed en ten principale te regelen, d.w.z. een contributie die in overeenstemming is met de omvang van onze bevolking en derzelve rijkdom.

Wat daarvan zij, de reactie van de politiek op het rapport Koning, oud president van de Rekenkamer, was het poldermodel op zijn smalst. De enige die verantwoordelijkheid namen, en dat nog royaal ook, waren de vakbonden FNV en CNV. De werkgeversbonden vonden het sop de kool niet waard en in de politiek hadden we het weer met zijn allen gedaan. Ad Melkert voelde zich gesteund door de feiten: hij had geen fraude gepleegd. Het zou er nog bij moeten komen, dat dit wel zo was!

De feiten zijn er intussen niet minder om. De onder de politieke verantwoordelijkheid van toen nog minister Melkert (PvdA), minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid in het kabinet Kok I (PvdA, VVD en D66 1994 -1998) opererende Arbeidsvoorziening, heeft er op administratief gebied een zooitje van gemaakt. In veel gevallen valt niet eens meer vast te stellen of de EU subsidiegelden volgens de voorschriften zijn aangewend, omdat er geen deugdelijke administratie van is. Je gelooft je ogen niet. In het land waar nog geen mus van het dak kan vallen zonder vergunning, administreert Arbeidsvoorziening als het zo uitkomt maar helemaal niet. Melkert wist dat als minister en maande deze vreselijke organisatie, die beter gisteren dan vandaag kan worden opgeheven (pleitte ik al voor in 1986! toen ik nog werkzaam was voor de WRR, het wetenschappelijk adviesorgaan van de Nederlandse regering), een en ander maal schriftelijk zijn zaakjes op orde te brengen. Hij verzuimde echter te controleren of ze dat wel deden, sic!

Dat is gezien vanuit de politieke ministeriële verantwoordelijkheid onvergefelijk en beslist geen reden nu achterover te leunen en de verantwoordelijkheid over dit misgaan uit te smeren over velen, dus over niemand. Dat is eigenlijk het meest ergerlijke van dat hele poldermodel. We hebben het, als er iets mis gaat, altijd met zijn allen gedaan. Als het goed gaat, bijvoorbeeld met de economie waar ze helemaal niet over gaan, dan staan onze polderaars in het voorste gelid om de credits daarvan op te eisen, zo ook onze goede Melkert (PvdA). Zijn partij in het algemeen en Kok en hij in het bijzonder, hebben gezorgd voor een prachtige werkgelegenheidsontwikkeling. Al die zwoegende MKB-ondernemers natuurlijk niet, dat begrijpt u! Melkert is een vent zonder ballen, die de verantwoordelijkheid niet neemt maar mijdt als het hem dat zo uitkomt. Het is heel wel mogelijk om deze verantwoordelijkheid zonder omwegen op je te nemen en toch lijsttrekker te zijn bij de Tweede Kamer verkiezingen van 2002. Het is dan aan de kiezer om te bepalen in hoeverre hij vergeeft en Melkert een royale nieuwe kans gunt.

En zo hoort het ook .


Pim Fortuyn,
Rotterdam, 07 september 2001

Opstand der werkers


De opkomst van de informatie- en commucicatietechnologie heeft grote gevolgen voor de inrichting van de samenleving, de wijze van werken en de manier waarop ondernemingen en instellingen hun arbeidsorganisatie moeten inrichten. De hele zaak zal op zijn kop moeten en dat is niet minder dan een revolutie.

Ingesleten gewoonten zullen we achter ons moeten laten. Kennis en vaardigheden van de medewerkers van ondernemingen en instellingen moeten optimaal benut worden, zonder de tussenschakels waarin zich macht en invloed ophopen, waarin we nu nog grossieren.

Nog weer anders gezegd: we bedienen met onze vingers de toetsenborden van de ICT-economie en -samenleving, terwijl we met onze hoofden, cultuur, mentaliteit en organisatiearrangementen nog in de industriële economie zitten. Een economie die bepaald werd door het ritme, de vormgeving en het vermogen van de machine en de daaraan geparenteerde bureaucratie. Als iets kenmerkend is voor de industriële economie, dan zijn het wel grootschaligheid en eenvormigheid, welke zich ook weerspiegelt in de organisatie van de arbeid: sterk gericht op procedures, hiërarchisch (commandostructuur), voornamelijk georiënteerd op de productie van goederen en diensten en pas in de tweede plaats op de klanten en afnemers.

De ICT manier van werken stelt de klant/afnemer centraal, niet wat kan maar wat gevraagd wordt is het uitgangspunt, handelt strategisch grootschalig (alle kennis op de wereld is in beginsel binnen te halen) en is qua uitvoering in staat de kleinste schaal te bedienen. Dat vereist een uitermate flexibele arbeidsorganisatie, werkend in netwerken van andere arbeidsorganisaties. Niet de procedure maar de klus staat centraal en niet de hiërarchie maar de uitvoering en dus de uitvoerenden (bezitters van kennis en vaardigheden) bepalen de mogelijkheden.

De industriële economie wordt op zijn hoogtepunt verbeeld door de manager, opgenomen in een bureaucratische structuur van management. De ICT-economie is de manager en zijn bureaucratie voorbij en legt een grote verantwoordelijkheid en veel initiatief bij de uitvoerenden in de organisatie. Dit betekent niet minder dan een forse kaalslag onder het management en voor de kleine groep overgebleven managers een geheel andere manier van werken. Deze kleine groep nieuwe managers zal veeleer optreden als regisseurs van het logistieke proces dan als bevelvoerders daarvan. In het bedrijfsleven begint dit besef langzaamaan door te dringen - in de collectieve sector allerminst.

Onderwijs en Zorg, de twee sectoren waar de politiek nu weer veel geld in wil investeren, worden geplaagd door een volstrekt industriële manier van werken en van organiseren van de arbeid. Grootschaligheid is nog steeds het oplossingsmiddel voor de zeer omvangrijke problemen in die sectoren. Bureaucratie, procedures en een zeer omvangrijk management bepalen de gang van zaken, met als gevolg een uitermate schraal product dat nauwelijks is toegesneden op de wensen en behoeften van de afnemer. Er is sprake van een gigantische overhead, dus een zeer kostbare vorm van produceren van diensten, die eerder de kwaliteit van het dienstverleningsproduct schaadt dan het verbetert.

Alvorens meer geld te pompen in deze sectoren, zullen zij volledig op de schop moeten. Er zal fors moeten worden gesneden in de overhead, dus in het management, in de bureaucratie en in al die kundes die vanuit het management losgelaten zijn op de uitvoerenden en hen veelal hinderen in hun werk in plaats van ze te ondersteunen. Management en zogenaamd ondersteunende kundes hebben de macht in deze sectoren en de uitvoerenden zijn letterlijk uitvoerenden van hun directieven.

Minister Zalm (VVD) van Financiën lijkt dat in te zien, maar zwicht desondanks voor de druk van PvdA en D66 om meer geld voor deze sectoren beschikbaar te stellen. In het bedrijfsleven weten we dat dat op dit moment goed geld naar kwaad geld gooien is. Het is duidelijk dat deze manier van werken in de ICT-maatschappij niet langer houdbaar is. Net als in het bedrijfsleven zullen de uitvoerenden centraal moeten staan: de dokters, verpleegsters, onderwijzers en dergelijke en zullen deze moeten worden afgerekend op het dienstverleningsproduct dat zij voortbrengen.

Dat vereist een opstand van de uitvoerenden in deze sectoren tegen het eigen management, niet meer en niet minder dan dat. Voor de afnemers en de werkers in deze wijngaarden des Heren is het te hopen dat deze onvermijdelijke opstand er op korte termijn komt. Dan wordt het weer leuk en aantrekkelijk om te werken in deze boeiende sectoren en daar hebben we allemaal baat bij. Ik zou zo zeggen: dames en heren dokters, verpleegsters en onderwijzers, kom van hoog tot laag in opstand en neem de macht over van al die betweters die jullie tot op heden aansturen en daarmee onderdrukken!




Pim Fortuyn
Rotterdam 17 februari 2000

Politieke malheur


Het gaat niet goed met de politiek in ons deel van de wereld. Het schandaal rond de partijfinanciering van de CDU in de Bondsrepubliek Duitsland doet de politiek in dat land op zijn grondvesten schudden. Het gaat niet meer alleen om de CDU, maar om het vertrouwen van de burger in de politiek in het algemeen.

Dat is ook wel terecht. Er zijn niet veel redenen om aan te nemen dat die andere grote politieke partij, de SPD, in de grond veel beter en netter is dan de CDU. Het is een kwestie van de gelegenheid die de dief heeft gemaakt. De jarenlange onafgebroken macht van de CDU en met name de positie van de 'eeuwige kanselier' Helmuth Kohl, heeft een sfeer doen ontstaan bij de kanselier en de hem omringende politici dat zij boven de wet staan.

Zij wanen zo belangrijk voor het land en hun verdiensten zo groot, dat voor hen andere normen, waarden en regels gelden dan voor de gewone sterveling. Een van de grondbeginselen van de democratische rechtsstaat en de parlementaire democratie is evenwel dat eenieder, niemand uitgezonderd, gelijk is voor de wet. Een voor machthebbers nogal moeilijk grondbeginsel, zoals blijkt uit tal van ontsporingen, ook in ons land.

De handhaving van dit grondbeginsel is evenwel van eminent belang. Het is naast de parlementaire controle de enige manier om de uitvoerende macht in het gareel te houden. Met name door het soms tekort schieten van die parlementaire controle is dit het veiligheidsslot op het hele systeem.

Toch is er meer aan de hand dan wat incidentele ontsporingen door groepen die te lang aan de macht zijn. Het functioneren van de politiek zelf is in de loop der jaren grondig veranderd en ook zijn positie in de maatschappij is niet meer dezelfde als zo'n twintig jaar geleden. Op golven van welvaart, onderwijs en technologische ontwikkeling heeft zich een geweldige democratisering voltrokken in economie en maatschappij. Minder dan ooit is afkomst bepalend voor positie en loopbaan van het individu. Niet dat het er niet meer toe doet; de positie van veel allochtonen wijst dat wel uit - geen grondige kennis van de Nederlandse taal betekent geen carrière. Maar het is zeker niet meer alles bepalend. Iemand met talenten heeft tal van mogelijkheden om zich te ontplooien en een positie te verwerven. Een goede afkomst kan daarbij helpen, maar is geen noodzakelijke voorwaarde meer.

De politiek daarentegen beweegt zich precies in de tegenovergestelde richting. Politieke partijen hebben nauwelijks een maatschappelijke inbedding en verworden meer en meer tot een carieremechanisme ten dienste van hen die een rol willen spelen in het publieke domein. Politiek wordt daarbij steeds meer verengd tot besturen, tot de uitoefening van macht en invloed. Een technocratische aangelegenheid van daarin gespecialiseerde functionarissen.

Besturen wordt daardoor een onderonsje van deze functionarissen met alle ontsporingen van dien, maar ook met alle vervreemding van dien. Er wordt steeds meer beleid ontwikkeld dat weinig van doen heeft met vitale maatschappelijke en economische behoeften. In die technocratische sfeer is daar ook geen discussie over.

Een mooi voorbeeld daarvan is de keuze van ons land om de 'Gateway to Europe' te willen zijn middels onze twee mainports: de Rotterdamse haven en Schiphol met alle infrastructuur op het gebied van wegen, spoorwegen en dergelijk, en dat in overvol land en een meer dan volle Randstad. Een keuze die zelfs in onze ICT-maatschappij niet ter discussie staat Er is geen enkele politieke partij die daar tegen in gaat en bijvoorbeeld via ICT een alternatief aanbiedt. Voor de burger valt er dus niets te kiezen.

Meer in het algemeen depolitiseert de op technocratie georiënteerde politiek vrijwel alle gewichtige politieke vraagstukken, met als toppunt de depolitisering van het vreemdelingenvraagstuk. Eenieder die dit gewichtige vraagstuk tracht te politiseren, is onbeschaafd en wordt zo snel mogelijk door de politieke elite geisoleerd.

Zolang de politiek zich blijft opsluiten in zichzelf en elk vraagstuk van gewicht op een technocratische manier depolitiseert, zal de kloof tussen kiezer en gekozene groeien. Een huiveringwekkend vooruitzicht in een wereld waarin voor de parlementaire democratie en de soevereine staat vooralsnog geen betere alternatieven voorhanden zijn.


Pim Fortuyn
Rotterdam 25 februari 2000

Internet en Nina Brink


Alle sluizen staan nu open. Nina Brink en haar bedrijf WorldOnline gaan op een onwaarschijnlijke manier cashen met hun beursgang. Een bedrijf dat alleen maar verliezen maakt en in Nederland beschikt over een driekwart miljoen abonnees. Het kan allemaal, zo lijkt het. De prangende vraag is echter: zijn wij hier bezig met het opblazen van een gigantische luchtbel, die op enigerlei moment knapt of staan we aan de vooravond van een grote sprongsgewijze economische groei met behulp van internet?

De eerst aangewezenen om op deze vraag een antwoord te geven zijn mensen als Nina Brink. Je zou zo'n antwoord verwachten in het prospectus bij de beursintroductie. Niets van dit al, het gaat alleen maar over verwachtingen aangaande de impact van het medium internet en niet over concrete plannen wat men na de collecte op de beurs met dit gigantische vermogen gaat doen om het rendabel te maken.

Dat het bedrijf van mevrouw Brink dat niet kan, kan een kind zien. Ze beschikt gewoon niet over producten die haar zeer hoge beursnotering waar zullen maken. De enige manier om die notering waar te maken is zorgen dat zij als de wiedeweerga die producten in huis heeft door slimme acquisities te doen die een zodanige productcombinatie met haar internetnetwerk opleveren, dat zij een gigantische toegevoegde waarde creëren.

Bijvoorbeeld Nina Brink koopt, na de beursintroductie van WorldOnline, ING op en weet met haar internet dusdanige bank- en verzekeringsproducten te introduceren, dat zij nieuwe markten aanboort en het marktaandeel van ING aanzienlijk weet te vergroten. Of ze haalt Philips consumentenelektronica binnen en begint er een internetwinkel mee die zodanig groeit dat ze daarna Ahold weet toe te voegen en zo nog het een en ander.

Zouden we iets van dien aard vernemen, een strategie die collega AOL nu uitprobeert na zijn aankoop van Time Warner, dan zouden we iets geruster adem kunnen halen. Vooralsnog lijkt het mevrouw Brink en haar medeaandeelhouders slechts te doen te zijn om het grote geld zo snel mogelijk binnen te halen en dan weg te wezen.

Dat is trouwens een opvallend aspect aan veel van die internetfondsen die de beursgang maken. Het lijkt de eigenaren alleen maar te doen te zijn om het grote geld. Zouden zij zelf in de verwachtingen van de belegger geloven dan stap je er niet zo snel mogelijk uit, maar blijf je er in. Dit snelle uitstappen zou te denken moeten geven. Die uitstappers zien kennelijk elders lucratievere mogelijkheden en dit zijn nog wel de mensen die het bedrijf en de producten, en bovenal de mogelijkheden daarvan kennen als geen ander.

Meer in het algemeen zit hierin de bottleneck van internet en ICT. Zonder enige twijfel zullen zij het aanzien van de wereld, onze economie en de structuur van het bedrijfsleven ingrijpend veranderen. De vraag is alleen in welk tempo. De verwachtingen zijn, onder meer van mensen als Roel Pieper, dat dit gebeurt in een adembenemend tempo en dat is de reden van de zeer hoge beursnoteringen.

Mijn verwachting is dat dit nog heel wat meer voeten in aarde zal hebben en dat ligt volgens mij aan het lage tempo van de ontwikkeling van nieuwe producten en diensten, en interessante combinaties daarvan. Ik ben niet zo onder de indruk van de creativiteit in deze sector en al helemaal niet van hun zogenaamde gerichtheid op de consument.

Veel producten vind ik apert gebruikersonvriendelijk. Hoeveel beslissingen moet ik - consument - niet nemen alvorens te kunnen e-mailen of te internetten. De telefoon hoef je maar van de haak te nemen en je kunt aan de slag. En waarom zoveel adresnoteringen voor een persoon. Waarom is mijn telefoonnummer niet gepersonaliseerd om dan tevens te dienen als fax-, internet- en woonadres. Technisch allemaal mogelijk, maar van integratie is in de verste verte nog geen sprake.

Meer in het algemeen zal men in deze sector veel moeten doen om het gebruikersgemak te verhogen door drastische terugdringing van het aantal beslismomenten, door terugdringing van de complexiteit, door integratie van communicatiemedia en door product- en dienstencombinaties, kortom door de weg te wijzen hoe de hoog gespannen verwachtingen waar worden gemaakt door producten en diensten met een hoge toegevoegde waarde.
Mevrouw Brink bent u daar nog of zit u al te genieten van de consumptie van uw miljardencollecte op de beurs?


Pim Fortuyn
Rotterdam 8 maart 2000

Miljardendans


De miljardendans in politiek Den Haag is begonnen. Men verwacht een meevaller van 15 miljard gulden voor de komende twee jaar. Grotendeels als gevolg van hogere belastinginkomsten door de aanhoudende economische groei en voor een kleiner deel als gevolg van minder uitgaven voor de sociale zekerheid daar de werkeloosheid nog steeds terug loopt.

De vraag die dan vervolgens opkomt is wat te doen met al dat geld? Het antwoord daarop zou heel eenvoudig kunnen zijn: gebruik het om een begin te maken met de aflossing van de torenhoge staatsschuld. Dat zou ook niet meer dan rechtvaardig zijn tegenover de jonge mensen van nu. Immers mijn generatie heeft die schulden gemaakt in een periode van ruim 25 jaar.

Het is ook mijn generatie, die der babyboomers, die straks zal zorgen voor substantieel verhoogde uitgaven voor de gezondheidszorg en de AOW, de zogenoemde vergrijzingsproblematiek. Om te zorgen dat de werkers van dan nog iets ter eigen besteding overhouden, is het goed om in de publieke financiën daarvoor reeds nu de ruimte te scheppen. Dat is niet meer dan een kwestie van rechtvaardigheid en een bijdrage aan het voorkomen van een toekomstige 'oorlog' tussen de generaties.

Politiek Den Haag voelt daar natuurlijk niet voor. Veel partijen willen met een flink deel van dit geld leuke dingen voor de mensen doen, zoals daar zijn onderwijs, gezondheidszorg en milieu. Nobele doelen natuurlijk, maar worden daar het onderwijs, de gezondheidszorg en het milieu ook echt beter van?
Ik denk het niet. Zowel in het onderwijs als in de gezondheidszorg is sprake van een gigantische grotendeels bureaucratische overhead.

Bij een hbo-instelling in het oosten van het land werken 1200 leerkrachten en tussen de vier- en vijfhonderd krachten die zogenaamde ondersteunende diensten verlenen. In het ICT-tijdperk is dit van de gekke, zoals het ook voordien natuurlijk ook al van de gekke was. Veel van die zogenoemde diensten houden de uitvoerende van hun echte werk af: goed onderwijs geven.

Iets soortgelijks, maar nog veel grotesker is eraan de hand in de zorg sector. Daar komt men nu zo langzamerhand achter. Het centraal stellen van de patiënt en niet van de behandelaar en de behandelwijze, blijkt ineens te leiden tot efficiënter en effectiever optreden en wachtlijsten smelten weg als sneeuw voor de zon.
Dat smaakt dus naar meer.

Pomp je extra geld in deze sectoren, waarin al vele miljarden omgaan, dan zal deze voor de hand liggende oplossing niet verder worden doorgevoerd. Het zijn ook daar net mensen. Meer geld neemt gewoon de prikkel weg om je zaakjes beter te organiseren. Het is net als in het bedrijfsleven, een slecht functionerend bedrijf gaat niet beter werken door er meer geld in te pompen. Integendeel, dat is goed geld naar slecht geld gooien.

Het is van het grootste belang dat de sectoren onderwijs en zorg flink worden geherstructureerd en dat de aanzienlijke overhead, de bureaucratie en het veel te uitgebreide management worden teruggedrongen. Tevens moeten de uitvoerenden meer verantwoordelijkheid krijgen en daar ook op worden afgerekend, zowel in positieve als in negatieve zin.

Zoiets bereik je alleen door de geldkraan niet verder open te draaien. Het is de onderwijzers, verpleegsters en dokters van harte gegund beter te gaan verdienen, maar dan wel gefinancierd uit de bestaande budgetten door effectiever en efficiënter te gaan werken. De arbeidsproductiviteit in deze sectoren ligt veel en veel te laag en kan dan ook aanzienlijk omhoog.

Investeren in het milieu is helemaal van de gekke, men weet zich daar met het geld geen raad en zal dit dus gaan besteden aan meer functionarissen, betere arbeidsvoorwaarden en meer bureaucratie. Dat dit niet zo maar een mening is kan men zien bij de Nederlandse politie. In de loop van de tijd is daar een paar honderd miljoen gulden extra ingepompt en het resultaat is nog steeds heel mager. Het geld is weggevloeid via bestaande kanalen en de burger heeft het nakijken.
Zeker geen voorbeeld om na te volgen.


Pim Fortuyn
Rotterdam 16 maart 2000

Peper exit


Vijf maanden lang hebben de forensische accountants van KPMG, een deftige term voor fraudespecialisten, moeten spitten in de gemeentelijke administratie van Rotterdam om het declaratie gedrag van B&W, in het bijzonder van ex-burgemeester Peper (PvdA), in kaart te brengen.

En naar nu blijkt is het accountantsrapport nog niet volledig. Dit zegt iets over de weinig inzichtelijke manier waarop door de gemeente Rotterdam het declaratiegedrag van B&W werd vastgelegd. Een fout van de ambtenaren en dan in het bijzonder van de gemeentesecretaris die daar op had moeten toezien?

In zekere zin wel, een moedige gemeentesecretaris had dit niet gepikt. Een dergelijke secretaris was er in de toenmalige bestuurscultuur wel linea recta uitgevlogen, omdat met name burgemeester Peper van mening was, en is, dat dit tot zijn eigen bevoegdheden behoort. Als dat zo is behoort ook het afleggen van deugdelijke verantwoording over deze uitgaven tot zijn plichten.

Die plicht heeft hij tot op de dag van vandaag schromelijk verzaakt. In zijn verdediging via de media maakt Peper KPMG uit voor een stelletje amateurs en op de wedervraag waarom hij, als hij het dan allemaal zo goed weet, de betreffende stukken niet tevoorschijn tovert, stelt hij botweg dat dit niet zijn taak is. Het is echter wel zijn taak, daarover kan geen twijfel bestaan.

Een burgemeester, een door de Kroon benoemde ambtsdrager, is verplicht toe te zien op de rechtmatigheid van het bestuur van de gemeente en dient ervoor te waken dat er door het ambtelijk apparaat zodanig wordt gewerkt dat daar te allen tijde verantwoording over kan worden afgelegd. Zeker in een gevoelige materie als de persoonsgebonden uitgaven van het college van B&W.

Hier wringt hem nu juist de schoen. Peper is van mening dat hij dat eigenlijk niet hoeft, omdat hij zeven dagen per week 24 uur per dag burgemeester was en omdat hij onbeschrijfelijk veel voor de stad heeft gedaan en betekend. Peper vond en vindt het beledigend dat er überhaupt een onderzoek is gedaan naar zijn declaratiegedrag en heeft dan ook feitelijk geen medewerking verleend aan het onderzoek daarnaar door de commissie uit de gemeenteraad.

Afgezien nog van het feit of Peper het nu wel of niet zo nauw heeft genomen met zijn declaratiegedrag is het je niet willen verantwoorden en er niet voor zorgdragen dat dit ook goed en snel kan, een doodzonde in het openbaar bestuur.

KPMG had niet meer dan een paar weken nodig moeten hebben om de bevindingen ter zake te rapporteren. Bij een deugdelijke administratie was dat ruim voldoende geweest. De burgemeester heeft daar niet alleen niet op willen toezien - hij voelde zich daar verre boven verheven - maar ook heeft hij pogingen om dat te verbeteren actief en passief, en naar nu blijkt met succes, weten te verhinderen.

Het is door dit gedrag van Peper dat een geur van bederf opstijgt uit het rapport aan de gemeenteraad.
Een geur die niet meer valt te verjagen, welke documenten nu nog op tafel komen.
Peper zegt verslingerd te zijn aan het openbaar bestuur van ons land. Zijn gedrag is daar niet mee in overeenstemming geweest. Dat getuigt eerder van minachting voor de gemeenteraad en de burgers van Rotterdam, met name nu hij met modder begint te gooien in plaats van zich minutieus en degelijk te verantwoorden. Alle Rotterdammers worden zelfs gestraft, hij zal geen voet meer op onze bodem zetten.
Waarvan akte!

Peper stelde: er is een ex-burgemeester, een ex-minister, maar geen ex-Bram Peper.
Zo is het maar net en had hij in zijn werkzame leven nu ook maar zo glashelder de scheilijn getrokken tussen ambt en persoon, dat had het openbaar bestuur een bezoedeld blazoen bespaard.


Pim Fortuyn
Rotterdam 23 maart 2000

Wachtlijsten


Nederland is weer eens geschokt. Na extra geld te hebben gepompt in de zorgsector blijken wachtlijsten, met name in de thuiszorg en van de verzorgings- en verpleegtehuizen, niet gekrompen maar gegroeid. Men is er inmiddels achter dat de registratie zo gebrekkig is dat men niet precies weet waarop wordt gewacht. In het registratiesysteem staat niet de zorgvrager - in modern jargon de klant - centraal, maar de zorgverlener.

Langzaam begint het besef door te dringen dat dit niet alleen voor bedrijven fnuikend is, maar ook voor de dienstverleners in de zorgsector.
Jaren geleden heb ik erbij de verzekeraars al op aangedrongen om een voorbeeld te nemen aan de bloemen- en plantenveiling in Aalsmeer, daar wordt het product geautomatiseerd gevolgd, dat zou ook moeten gebeuren met de zorgvrager. Op die manier doet men een schat aan informatie op die kan bijdragen aan een effectievere en bovenal efficiëntere zorgverlening.

Dat levert een beter bij de zorgvrager passend product op en het zal schelen in de hoogte van de kosten daarvan. In het geval van de wachtlijsten weet men dan bijvoorbeeld precies wie waar op wacht en op welke plaats. Dan ook kan men zien of de wachtlijst voor de ene vorm van hulpverlening een wachtlijst veroorzaakt voor de andere vorm. Bijvoorbeeld als men eigenlijk wacht op een verpleegtehuis wordt men tijdelijk doorgeschoven naar de thuiszorg en daar belandt men dan ook weer op een wachtlijst.

Goede, patiëntgerichte administratie geeft in ieder geval inzicht in waar eigenlijk op wordt gewacht en dus waar men capaciteitsproblemen moet oplossen. Het is heel wel mogelijk dat een verruiming van de capaciteit van verpleegtehuizen de wachtlijst in de thuiszorg doet verdwijnen of in elk geval sterk doet verminderen. Nu tast men is het duister.

Meer in het algemeen weet men helemaal niet of er wel efficiënt wordt gewerkt in die vormen van zorg. Het is mijn stellige indruk dat de overhead, management, bureaucratie en kundes, een onevenredig groot deel van het beschikbare budget opslokt. De inrichting van de zorgkantoren die de zorg moeten distribueren over de vragers van zorg, is weer zo'n nieuwe vorm van bureaucratie die uit hetzelfde budget moet worden betaald. Het is nog maar de vraag of deze zorgkantoren het functioneren van de afstemming van vraag en aanbod zal verbeteren.

Het lijkt mij de hoogste tijd worden om in de zorgsector het particulier initiatief in te schakelen, niet van burgers maar van bedrijven. Ga de boer maar op bij de uitzendbureaus en de cateraars. Ga met hen praten over de aanbieding van totaalproducten. Waarom zouden deze bedrijven geen verpleeg- en verzorgingstehuizen kunnen exploiteren en geen thuiszorg kunnen geven op maat. Zover ligt dat niet van hun huidige business af.

Het grootste probleem in de zorg is gebrek aan uitvoerend personeel. Dat heeft velerlei oorzaken. Het zit hem in de honorering van de uitvoerenden (dokters, verplegers, gezinsverzorgers e.d.) die aan de lage kant is, in de bureaucratie die de werkdruk niet verlaagd maar verhoogd (denk aan de eindeloze vergader- en administratiecultuur) en in een te uniform aanbod.

Particulier initiatief kan hierin veel veranderingen ten goede brengen, zo wijst de ervaring uit. Meer in het algemeen zal het die kant toch uit moeten. Straks doen ook welgestelde mensen beroep op zorg en zij willen zorg die bij hen past en niet de eenheidsworst die thans wordt gepresenteerd.

Natuurlijk hangt daaraan ook een prijskaartje, maar dat kunnen zij zeker betalen. Het betekent ook onderscheid in de zorg naar kapitaalkracht. Maar wat is daar eigenlijk op tegen. De villabewoner deelt zijn leven nu ook niet met die van de modale flatbewoner, maar moet dat in het verzorgings- c.q. verpleegtehuis van nu wel doen.

De hele discussie hierover wordt verlamd door een moralistisch beroep op gelijkheid. Onderscheid hoeft nog helemaal niet te betekenen dat de kwaliteit van de geboden zorg daaronder lijdt. Het handhaven van een standaardkwaliteit is zeker een overheidstaak, daarboven moet men duizend bloemen laten bloeien.

Indien het particulier initiatief zijn intrede doet in het zorgveld, zullen ook de traditionele instituties hun kwaliteit, hun effectiviteit en hun efficiëntie verbeteren. Dat is beter dan maar hersenloos een nieuw blik geld open te trekken.


Pim Fortuyn
Rotterdam 30 maart 2000

Ons Nina


Nina Brink, president van WorldOnline heeft vals gespeeld. Haar aandelen voor een flink deel verkocht, een paar maanden voor de beursgang en wel tegen het luttele bedragje van ruim 6 euro per aandeel, met de clausule dat zij 50% van de winst krijgt bij doorverkoop.

Ons Nina denkt overal aan, in de eerste plaats aan zichzelf. Ten tijde van het door haarzelf in gang gezette mediaspektakel beweerde zij bij hoog en bij laag niet geïnteresseerd te zijn in geld. Het gaat haar in het leven om andere, meer spirituele zaken. Dat blijkt nu gewoon ronduit een leugen te zijn.
Voorts heeft zij in het prospectus bij de beursgang de belegger op zijn minst misleid. Uit het prospectus kan men na enig zoeken opmaken dat Brink haar aandelen elders heeft ondergebracht, maar van verkoop is geen sprake.

Het juridische carrousel begint nu langzaam maar zeker warm te draaien. Schadeclaims worden voorbereid tegen het bankenconsortium dat WorldOnline naar de beurs bracht. En door de fameuze strafrechtadvocaat Spong wordt zelfs de mogelijkheid onderzocht van een strafproces wegens oplichting tegen het bedrijf zelf en tegen Brink.

Ik hoop dat het er allemaal van komt, want dat maakt meteen duidelijk dat dit geen tweede keer meer moet gebeuren. De Raad van Commissarissen van WorldOnline doet intussen helemaal niets. Hij heeft Brink een- en andermaal (her)bevestigd als president van het bedrijf. Men schijnt daar te denken dat dit soort spierballenvertoon op belegger indruk zal maken!

Niets is minder waar, het aandeel glijdt steeds verder weg en het enige zinnige advies dat de belegger nu nog valt te geven is: zo snel mogelijk verkopen die handel. De Raad had Nina Brink onverwijld weg moeten sturen en voorts moeten aankondigen op welke terreinen het bedrijf zijn internetactiviteiten wil ontplooien en op die terreinen ook acquisities moeten doen. Dat had indruk gemaakt en het vertrouwen van de belegger in het aandeel WorldOnline kunnen herstellen. Goed voor de belegger en meer in het algemeen goed voor het vertrouwen in de ICT-fondsen, die door alle affaires momenteel stevig onder druk staan.

Dit alles is echter niet gebeurd en de reden daarvoor is nogal simpel. Een Raad van Commissarissen behoort onafhankelijk te zijn. Hij oefent toezicht uit op het management, behartigt de belangen van bij de onderneming betrokkenen, zoals aandeelhouders, personeel en management, en draagt zorg voor de continuïteit van de onderneming.

Deze Raad heeft evenwel slechts de belangen behartigd van Nina Brink en van zichzelf natuurlijk. Commissarissen zijn gerekruteerd uit de kring van investeerders van het eerste uur in de onderneming WorldOnline. Het is aannemelijk dat zij op de hoogte waren van de verkoop voor de beursgang door Brink van een flink deel van haar aandelen. Bovendien hebben zij ook zelf flink gecasht.

Van onafhankelijkheid van de Raad en het evenwichtig behartigen van alle betrokken belangen is in de verste verte geen sprake geweest en ook nu gebeurt dit nog niet (wellicht ligt hier ook nog een mogelijkheid van een schadeclaim). Integendeel, de Raad heeft de belangen van het personeel geschaad (velen van hen zitten nu dik in de schulden door hun aandeel in het bedrijf tegen de introductiekoers van 43 euro) en bovenal heeft de Raad de belangen van de beleggers (aandeelhouders) geschaad. Door dit alles heeft de Raad de continuïteit van de onderneming nodeloos in gevaar gebracht.

Het bestuur van de beurs en het bankenconsortium valt ook het nodige aan te rekenen. Zij zijn duidelijk tekort geschoten in hun toezichthoudende en voorlichtende functie. Zij hebben het spel met de leiding van WorldOnline meegespeeld en gezien de aard van deze instellingen valt nauwelijks aannemelijk te maken dat zij naïef zijn geweest.
Dat dit alles heeft kunnen gebeuren is voor een belangrijk deel terug te brengen op de ongeëvenaarde en sterk om zich heen grijpende hebzucht van velen, inclusief de hebzuchtige belegger.

Enig wantrouwen was op zijn plaats geweest, zeker na die opgeblazen mediacampagne, die ik eerder heb omschreven als gebakken lucht. Had een bedrijf uit de oude economie bij een beursgang een sootrgelijk prospectus gepresenteerd als WorldOnline heeft gedaan, dan was het niet eens aan een beursintroductie toegekomen.

In die zin was de belegger dus wel degelijk gewaarschuwd en gaat adagium voor hen voluit op:
Wie zijn kont brandt moet even op de blaren zitten!


Pim Fortuyn
Rotterdam 6 april 2000

De Majesteit en verder


Er is een ware publicitaire hype ontstaan rond het optreden van de Majesteit. Twee boeken van journalisten die een stevig onderzoek hebben gedaan - weliswaar op basis van anonieme bronnen - naar de handel en wandel van de Majesteit en de partijleider van D66 Thom de Graaf, die voorstellen doet om het koningschap te moderniseren. Dat wil zeggen: het terug brengen van het koningsschap tot een louter ceremoniële functie omdat er een democratisch gat zou gapen.

De reacties op de voorstellen van De Graaf in politiek den Haag, waren hilarisch. Het leek wel of er een haan werd losgelaten in een kippenhok dat het maanden zonder haan moest stellen. De verontwaardigde commentaren en sympathiebetuigingen aan de Majesteit buitelden over elkaar heen. Zelfs the Queen under the Queens, de vice president van de Raad van State, Herman Tjeenk Willink, verbrak zijn plechtig stilzwijgen en mengde zich op zijn eigen deftige manier in het gekrakeel. Hij deed een oproep om de grenzen van het majesteitelijk handelen juist niet in te perken, maar nog verder op te rekken vanwege haar vele en bovenal voortreffelijke kwaliteiten. Zij is koningin bij de gratie Gods, maar als we de paladijnen rond de troon mogen geloven ook een beetje God zelve.

Dat de Majesteit met verve de grenzen van het staatsrecht verkent en alles probeert om haar invloed en macht uit te breiden is al langer een publiek geheim en door velen, onder meer door mijzelf, bij relevante gelegenheden in de pers aan de kaak gesteld. Menselijk gezien doet de Majesteit niets meer dan in deze ambitieuze tijd van ambitieuze mensen mag worden verwacht: zoveel mogelijk inhoud aan haar functie geven. En ja, na zo'n twintig jaar wil je ook wel eens zelf met de majesteitelijke vingers aan de knoppen zitten! Staatsrechtelijk moet dit niet mogen en daar wringt de schoen.

Hiermee wordt het erfelijk koningschap in de moderne tijd gewoonweg een onmenselijke functie. Geen zinnig mens, die nu nog een bestel zou ontwerpen, waarin het staatshoofd publiekelijk geen mening mag hebben over belangrijke maatschappelijke vraagstukken. Zeker niet als deze politiek gevoelig liggen en het aanstaande staatshoofd verordonneren om zijn huwelijk goed te laten keuren door de Staten - Generaal. Of nog erger: een uitgebreid antecedentenonderzoek eisen naar zijn bruid en naaste familie, met name naar de vader van de bruid.

Wij vinden geheel terecht dat wij daar niets mee van doen hebben en dat het gedrag van de vader de bruid niet mag worden aangerekend. Maar ja dat moet wel, wil het staatshoofd onschendbaar zijn en de ministers verantwoordelijk. Kortom, als we mensen niet meer in een dergelijke onhanteerbare spagaat willen dwingen dan is er maar een oplossing en dat is de afschaffing van deze constructie. Dat was consequent geweest, maar daarvoor ontbrak de Graaf de moed. De familie Van Oranje wil dat niet en ook het overgrote deel van het volk wil het niet. Er blijft dus weinig anders over dan voortmodderen onder het motto: als het volk poppenkast wil dan krijgt het zo briljant mogelijk gespeelde poppenkast.

Ondertussen is er met deze plotselinge belangstelling van D66 voor de modernisering van het koningschap wel iets merkwaardigs aan de hand. Sedert haar oprichting pleit de partij voor het uitbrengen van twee stemmen door het kiezersvolk: een op de macht en een op de controle daarop. Dat wil in de praktijk zeggen dat we onze volksvertegenwoordigingen kiezen, maar ook de premier, de commissaris ven de koningin en de burgemeester. Deze laatste functionarissen formeren hun kabinet, college van gedeputeerde staten en college van B&W op basis van het mandaat dat ze van de kiezer hebben gekregen.

Als de minister-president wordt gekozen vervalt vanzelf de rol van de koningin bij de kabinetsformatie en meer in het algemeen zal de premier handelen op basis van het mandaat van de kiezer en dus het erfelijke staatshoofd als vanzelf op afstand houden van het politieke bedrijf. Zonder wijziging van de grondwet aangaande de positie van het staatshoofd is dan alles gerealiseerd wat de Graaf wil bereiken door de modernisering van het koningschap en nog veel meer dan dat.

Pas dan is het democratische gat echt gedicht, want kan de kiezer rechtstreeks zijn regering kiezen en is dat geen onderdeel meer van de fameuze achter- en torenkamertjes politiek die de polder tot nu toe moet gedogen. Voor de familie van Oranje wordt het er natuurlijk niet leuker op, maar zolang zij het zelf willen en het volk er niet vanaf wil is er niets aan de hand.


Pim Fortuyn
Rotterdam 13 april 2000

Global Economy


In economisch opzicht raakt de wereld steeds meer vervlecht, althans de moderne wereld, dat wil zeggen: al die landen die beschikken over een technologisch goed ontwikkelde economie. Er zijn ook veel landen die daarover helemaal niet of maar zeer ten dele beschikken. Het Afrikaanse continent doet bijvoorbeeld, behoudens segmenten van de Zuid-Afrikaanse economie, gewoon in zijn geheel niet of nauwelijks mee.

Het ziet er naar uit dat de tweedeling van de wereld op het gebied van de economische ontwikkeling alleen nog maar verder zal verscherpen en verdiepen. De ICT-economie en ICT-maatschappij schiet in de landen van het Afrikaanse continent slechts op een passieve manier wortel. Men gebruikt de ICT-technologie waar mogelijk, maar een vooraanstaande positie in de ontwikkeling daarvan neemt men niet in, zelfs niet op segmenten daarvan. En het is ook hier wie het eerst komt die het eerst maalt.

De succesvolle innovatieve bedrijven gaan aan de haal met de grote rendementen en dragen op die manier direct en indirect bij aan de dynamiek van de economie van de betreffende landen en aan de steeds toenemende welvaart van hun bevolkingen. De niet ontwikkelde economieën hebben het nakijken en kunnen slechts profiteren en dat meestal nog beduidend later van de producten die deze elkaar in hoog tempo opvolgende innovaties opleveren. In dat licht bezien is de tweedeling in landen met moderne economieën, van deelnemers aan die economie en van een onderklasse van niet-deelnemers, slechts een relatief, zij het in zwaarte toenemend probleem.

Als gevolg van de economische vervlechting van de moderne economieën, vervat in de metafoor van the global village, komen langzaam maar zeker kleine volksverhuizingen opgang. Een deel van de mensen vindt het niet meer gek om tijdelijk of voor goed te verkassen naar het buitenland. Het minst levert dit problemen op voor goed opgeleidde mensen. In de meeste gevallen hebben die hun zaakjes, inclusief werk en woning al geregeld voor vertrek. Problematischer wordt het indien men laag opgeleid is, niets heeft kunnen regelen voor vertrek en op goed geluk vertrekt van een arm naar een rijk land.

Indien dat rijke land officieel geen immigratie land is en dus niet over een immigratie beleid beschikt, dan doet men dit onder het mom van asielzoeker te zijn. Ons land is zo'n land en krijgt mede daardoor het asielzoekersvraagstuk maar niet in de vingers. Het bestand wordt bij voortduring vervuild door grote groepen mensen die zich aanmelden als asielzoeker, maar feitelijk opzoek zijn naar een situatie waarin zij welvarender dan in eigen land kunnen leven.

In het onnavolgbare jargon van de polder, worden deze mensen economische vluchtelingen genoemd. De meeste van hen komen na aankomst in de onderklasse terecht. Sommigen emanciperen na betrekkelijk korte tijd, maar de meeste zullen er een a twee generaties over doen om te emanciperen en bij delen van Turkse en Marrokkaanse etnische groepen lukt het zelfs voor de derde generatie nog niet.

Daar het mijn verwachting is dat de tweedeling in de wereld eerder zal verdiepen en verscherpen dan verminderen en verzachten, is het alleszins aannemelijk te verwachten dat de toestroom van economische vluchtelingen naar de rijke landen eer toe dan af zal nemen. Het wordt steeds goedkoper en gemakkelijker om zich te verplaatsen. De economie van de global village duldt geen potdichte grenzen dus het wordt ook steeds gemakkelijker om binnen te komen. Een maal binnen is de weg terug heel erg moeilijk.

Bovendien verspreidt de informatie over de westerse vleespotten zich als een lopend vuurtje onder de bevolkingen van de arme landen, met name door de zegeningen der ICT-technologie. De eetlust wordt al doende opgewekt en de animo om te vertrekken neemt alleen maar toe, vooral onder de jonge mensen.

Het valt goed te vergelijken met de trek van het platteland naar de stad die plaats gevonden heeft in vrijwel alle landen ter wereld. De stad is nu het rijke westen en het platteland zijn de arme landen. Voor de landen van de huidige Europese Unie komt daar straks met de toetreding van nieuwe leden uit Oost en Midden Europa nog een probleem bij. Dan wordt de trek van die landen van mensen naar het veel rijkere West-Europa een fluitje van een cent en is deze ook met geen mogelijkheid meer tegen te houden.

Het is duidelijk dat van deze grote volksverhuizingen een behoorlijk ontwrichtende werking kan uitgaan. Zo bezien dient het minderhedendebat geplaatst te worden binnen de veel omvattender context van de aanstormende global village. Dat is de schaduwzijde daarvan, waarop de rijke wereld zelfs het begin van een antwoord nog niet heeft gevonden.


Pim Fortuyn
Rotterdam 21 april 2000

De shit van de nieuwe economie


De glans van de nieuwe economie is er een beetje vanaf. Beursfondsen van de nieuwe economie gaan als een jojo heen en weer, sommigen, zoals WorldOnline, zakken gestaag helemaal weg, en de inflatie wakkert aan in het beloofde land van de nieuwe economie: de Verenigde Staten van Amerika en dat terwijl de goeroes van deze economie ons beloofden: nooit meer inflatie!

De redenering was even simpel als misleidend, schaarste, die zorgt voor prijsopdrijving in de oude economie, komt in de nieuwe economie niet voor. Daarin staat niet de schaarste centraal, maar de overvloed, hoe meer zielen hoe meer vreugd, hoe lager de prijzen en hoe groter de verdiensten. Kortom het perpetuum mobile heeft in zijn intrede gedaan en de oude economie afgedaan. Winst was voor de dommen, het gaat om de ideeën (kennis, creativiteit ) en de hooggespannen verwachtingen daaromtrent en ja dan? dan is de sky the limit!

Inmiddels belanden we langzaam maar zeker weer met beide voeten op aarde, de aloude vaste grond!
Betekent dit nu dat al die verwachtingen van de nieuwe economie op drijfzand zijn gebouwd? Zeker niet, die verwachtingen zijn terecht, maar de doorlooptijd wordt zwaar onderschat en het aantal nieuwe producten valt tegen, de toepassingen zijn niet direct duidelijk en de gebruiksvriendelijkheid laat veel te wensen over.

In de nieuwe economie heeft men bedacht dat men een product direct op de markt moet zetten. Flopt het, dan voer je het even snel weer af, is het een top dan ben je snel binnen. Gevolg van deze strategie is dat de consument wordt overspoeld met onrijpe producten, die bovendien nogal eens gebruiksonvriendelijk zijn.

Deze strategie is vanuit de producent in de nieuwe economie goed te begrijpen, via trial and error tracht hij zijn slag te slaan. Dat die trial and error over onze ruggen gaat is niet zijn zorg, maar bederft wel het vertrouwen van de consument in de IT-markt zoals het dat gedaan heeft met het vertrouwen van de belegger in de IT-fondsen.

De enige remedie om dit tekort aan vertrouwen bij beleggers en consumenten te stoppen is net als in de oude economie: degelijkheid! Consumenten en beleggers niet langer als proefkonijnen, respectievelijk melkkoeien gebruiken, maar als gewaardeerde afnemers en kredietverschaffers. Leert de nieuwe economie deze klassieke lessen niet, dan wordt het op den duur tobben. Consumenten en kredietverschaffers zullen meer dan thans de kat uit de boom kijken.

Met een voorproefje daarvan wordt Microsoft momenteel geconfronteerd. Windows 2000 is niet het kassucces aan het worden waarop men had gehoopt. Het nieuwe product heeft te weinig nieuws te bieden om de afnemer massaal te bekeren tot dit product.

Integendeel, het gebruik daarvan roept nog tal van complicaties op. Die complicaties dacht Microsoft, geheel in traditie van deze branche, te verhelpen over de ruggen van het eerste cohort gebruikers heen. Op basis van hun ervaringen, zonder dat Microsoft een cent voor deze ervaringen hoeft betalen (sic!), zal het programma worden aangepast en naar we hopen worden verbeterd.

Deze houding nu, zal men in de IT-branche moeten laten varen. Een product zal gebruiksvriendelijk dienen te zijn en voor introductie op de markt uitvoerig te zijn getest op bruikbaarheid en fouten daarin. Vindt deze cultuuromslag niet plaats uit eigen beweging, dan straft de markt deze houding wel af door afwachtend te zijn in koopgedrag en door voorzichtig te zijn met beleggen.
Dat zou veel van de huidige dynamiek in de IT-branche teniet doen en dat zou buitengewoon jammer zijn voor de consument, de belegger en niet in de laatste plaats voor onze nieuwe loot aan de economische stam: de IT-producent!


Pim Fortuyn
Rotterdam 27 april 2000

De toekomst van het Boek


Onlangs is de complete directie van Bruna, een van de grootste boekenuitgevers van ons land, opgestapt met medeneming van enkele belangrijke stafmedewerkers. Zij beginnen voor zichzelf een nieuwe uitgeverij, waarin toepassing van ICT, e-commerce en internet een belangrijke rol zal spelen. In de omgeving van de oude uitgeverij Bruna ontmoetten zij teveel weerstanden en te weinig bereidheid om in deze nieuwe ontwikkelingen te investeren. Intussen lieten ze mijn boek, 'De derde revolutie', dat precies op dat moment verscheen, als weeskind achter.

In de daaraan voorafgaande jaren werd almaar opnieuw bezuinigd. De Bruna-boekwinkelketen was al eerder afgestoten, omdat deze niet tot de core-business zouden horen, zo hadden de financiële managers in hun wijsheid besloten. Met de verkoop van deze keten was de uitgeverij meteen zijn greep kwijt op het voor hen belangrijkste distributiekanaal naar de boekenconsument en daarmee ook het directe contact met die consument.

Als auteurs hebben we dat direct mogen merken. Voor de verkoop van je boek is het van groot belang dat de boekhandelaar iets in jouw boek ziet en het op een goede plek in zijn winkel wil leggen. Vanaf toen waren we van deze betrekkelijke willekeur vrijwel geheel afhankelijk, met als gevolg dat een en hetzelfde boek in de ene stad liep als een tierelier en de andere stad helemaal niet.

Toen eenmaal de boekwinkelketen was verkocht namen de financiële managers van de holding de macht in de uitgeverij over en werd deze jaar op jaar getrakteerd op nieuwe targets en steeds weer nieuwe bezuinigingen. Had ik in het begin nog een uitgever van niveau als gesprekspartner, aan het einde was dat de voormalige tekstcorrector, dat was wel zo goedkoop!

Intussen is de verkoop van boeken via internet aan een vliegende start begonnen. Mijn collega professor Heertje heeft zojuist zonder tussenkomst van een uitgever en de boekhandel een nieuw boek op de markt gebracht dat alleen nog digitaal kan worden besteld.

Ook de druktechniek is volop in beweging. Boeken worden nauwelijks meer klassiek gedrukt, maar in toenemende mate via digitale technieken met behulp van zeer geavanceerde kopieerapparaten geproduceerd. Vorige jaar mei mocht ik op een beurs in de RAI de nieuwste loot aan deze stam van Xerox introduceren. Een voorpublicatie van twee hoofdstukken uit mijn 'Derde revolutie' werd als demonstratie in twintig seconden geproduceerd, gebrocheerd en met omslag en al.

De kwaliteit kon nog niet wedijveren met de klassieke paperback, maar de mogelijkheden waren duidelijk. Binnen een jaar haalt men die kwaliteit wel en dan is het mogelijk het boek gedecentraliseerd aan te maken. Zo'n machine kost nu nog een miljoen gulden en is dus alleen binnen handbereik van de grote boekhandel en de grote internetverkoper, maar dat is slechts een kwestie van tijd. Over enige jaren is dat een betaalbare machine en dan kan men bij wijze van spreken zijn boek eventjes laten produceren bij een vestiging van Albert Heijn.

Deze ontwikkelingen schudden de hele logistieke keten van auteur, uitgever, boekverkoper en consument door elkaar. Technisch is het nu mogelijk dat de auteur vrijwel rechtstreeks met de consument communiceert, zonder tussenkomst van uitgever en boekverkoper. Daarbij kan de auteur zijn tekst op elk gewenst moment actualiseren en is de doorlooptijd van een boek in zijn definitieve tekstvorm terug gebracht tot nul.

Vroeger deed een goed non-fictie boek zo'n vijf jaar, nu is dat krap een jaar, straks zonodig bij wijze van spreken een dag. Zo zal het overigens maar ten dele gaan. Een boek en een artikel hebben een omgeving nodig, een auteur heeft een stabiele discussieomgeving nodig wil hij kwaliteit produceren. Dat betekent dat er hoog gekwalificeerde redacties en uitgevers nodig zijn, mensen die inhoudelijk weten waarom het draait. Die in staat zijn concepten te ontwikkelen en een voor de auteur goede werkomgeving weten te creëren.

Het is precies dat, waarop de uitgevers keer op keer hebben bezuinigd. Die ontwikkeling zal in de nieuwe omgeving van productie, verspreiding en verkoop moeten worden gekeerd, wil het boek, het tijdschrift, nog de moeite van het lezen waard blijven. Kortom, er is een hoop werk aan de winkel voor de mensen die bezig zijn met ICT en boeken en tijdschriften. Het is niet alleen kwestie van nieuwe technologie en marketing, maar evenzeer een kwestie van inhoud ofwel content, zoals ze dat in die kringen noemen.


Pim Fortuyn
Rotterdam4 mei 2000

Als het kalf verdronken is, dempt men de put


Het was even groot nieuws, maar inmiddels al weer van het tv-scherm verdwenen. Het I love you virus dat als een verwoestende orkaan met de snelheid van het licht over de wereld ging.

Inmiddels zijn er, net als bij een echt virus, een hele reeks varianten en klonen verspreid die zo mogelijk nog meer schade aanrichten. Opmerkelijk is wel dat die verwoestende werking alleen opgaat als mensen zo nieuwsgierig en onvoorzichtig zijn om het bijgevoegde bestand te openen.

Nieuwsgierige en onvoorzichtige mensen zitten kennelijk niet alleen op de particuliere markt, maar ook in tal van bedrijven en vitale overheidsinstellingen tot en met Pentagon, FBI en CIA aan toe. Met name bij deze laatste drie instellingen wekt dat verbazing. Het is tenslotte niet de eerste keer dat een grappenmaker inbreekt via internet in de systemen van aangeslotenen.

Je zou verwachten dat deze instellingen procedures voor hun medewerkers hebben ontwikkeld over wat te doen met email waarvan de herkomst twijfelachtig is. Nee dus, zoals kennelijk de systemen van deze organisaties niet in mootjes zijn gehakt om olievlekwerking te voorkomen. Kennelijk is men zich onvoldoende bewust van de grote gevaren die men loopt met software waar buitenstaanders, naar nu weer eens blijkt, betrekkelijk makkelijk in kunnen binnendringen.

Als men geen afdoende maatregelen neemt is het nog slechts een kwestie van tijd of een terroristische, godsdienstig en/of politiek geïnspireerde actie volgt en dan gaan niet alleen systemen plat, maar vallen er ook doden. Het is helemaal niet hysterisch om te denken dat daar op dit moment groepen mensen mee bezig zijn, en je hoeft ze niet eens op het idee te brengen, het succes van I love you zet ze er simpelweg toe aan.

Als je het goed tot je laat doordringen is het allemaal nogal huiveringwekkend. De meeste wapenbesturingssystemen, vliegtuigbesturingssystemen en, zoals bleek ten tijde van de oorlogen in de Golf en Kosovo, de aansturing van complete oorlogen verlopen via computers en algemene software.

En dan hebben we het nog slechts over de militaire sector, ook de civiele sector kent tal van systemen die bij ontsporing levensgevaarlijk zijn, zoals (kern)energie en telecommunicatie, en wat te denken van chemische fabrieken, grote raffinagecomplexen en wat dies meer zij.

Zijn we ons van deze tijdbom bewust dan is de laconieke houding van de pers onbegrijpelijk. Het is nieuws en niet meer dan dat; op naar de volgende hype. Ook de houding van softwarefabrikant Microsoft toont een misdadig gebrek aan verantwoordelijkheidsgevoel. Men volstaat daar met het afwijzen van iedere verantwoordelijkheid en schuwt totaal manke vergelijkingen niet.

Het zou hetzelfde zijn als de PTT verantwoordelijk stellen voor het bezorgen van een bombrief en de wegenbeheerder voor ongelukken op zijn wegen. Het grote verschil met de PTT en de wegenbeheerder zit hem erin dat die geen invloed hebben op de inhoud van de enveloppe en op de reacties van de autobestuurders. En dan nog aanvaarden ze een zekere verantwoordelijkheid door post te scannen en door wegen steeds beter te bouwen en te anticiperen op mogelijke reacties van de weggebruiker.

De softwarefabrikant levert echter niet alleen infrastructuur, maar maakt hetgeen van die infrastructuur manipuleerbaar van buitenaf en dat gaat dus wel degelijk een stap verder. Natuurlijk is Microsoft daar niet op uit, dat zou er nog bij moeten komen, maar men is van die mogelijkheid wel terdege op de hoogte en doet er te weinig aan om die mogelijkheid zo goed als uit te sluiten. Het is allemaal reparatie achteraf.

Men kan een virusscanner kopen of downloaden tegen bekende virussen en dat helpt ook, maar natuurlijk niet tegen nieuwe bedenksels, want die herkent de scanner niet. Hier ziet men ook wat de verwoestende uitwerking is van een feitelijk monopolie. Monopolist Microsoft wijst gewoon elke verantwoordelijkheid af en de wereld zoekt het maar uit!

Het is meer dan waarschijnlijk dat tegen de introductie van steeds weer nieuwe virussen niet zo veel valt te doen. Waar wel wat aan te doen valt is aan de scheiding van systemen. Alles aan alles koppelen is weliswaar handig, maar levert naar nu blijkt levensgevaarlijke situaties op. Het wordt de hoogste tijd dat de vertegenwoordigers van het algemeen belang dit ten diepste beseffen en dwingend wetgevend gaan optreden.

Hier heeft de markt even geen oplossing voor, die komt pas nadat de eerste doden zijn gevallen.


Pim Fortuyn
Rotterdam 11 mei 2000

Gezond verstand


Verbijsterd zijn wij over de ramp in Enschede. In het meest aangeharkte land ter wereld, waar men voor de meest pietluttige zaken vergunningen nodig heeft, kan dit gebeuren. Een opslagplaats van zwaar vuurwerk midden in een woonwijk.

Natuurlijk in een achterstandswijk en niet in een middenstands- of villawijk. Heel jammer, want dan waren er nu natuurlijk al een aantal dure advocaten in de weer om de onderste steen boven te halen en de overheid in de beklaagdenbank te plaatsen, om af te dwingen dat alle materiële maar ook immateriële schade tot twee cijfers achter de komma door die overheid wordt vergoed. De bewoners van de getroffen achterstandswijk moeten genoegen nemen met gewiekste verzekeraars, een lening van de kredietbank en slechte vervangende woonruimte.

Uiteraard komt er een onafhankelijk onderzoek naar de oorzaak van de ramp, het optreden van de autoriteiten en het naleven van vergunningen. Ook het Openbaar Ministerie bemoeit zich ermee en zal onderzoeken of er sprake is van een misdrijf. Tenslotte heeft Minister Pronk, nadat het kalf verdronken is, aangekondigd dat soortgelijke opslagplaatsen in woonwijken op termijn moeten verdwijnen.

De echte oorzaak van deze ramp ligt elders. Die ligt bij het volledig zoekraken van het gezond verstand in de volkomen verbureaucratiseerde structuur van het openbaar bestuur en de overheidsdienstverlening. Zoveel is nu al duidelijk: de leiding van het brandweercorps, althans hun bureaucraten, waren wel degelijk op de hoogte van het feit dat hier een grootschalige opslagplaats was van zwaar vuurwerk.

Die leiding heeft niet alleen nimmer geprotesteerd tegen die opslag, maar bovendien verzuimd haar uitvoerend personeel en de bewoners ervan op de hoogte te stellen. Zo kon het gebeuren dat de brandweer uitrukte en de spuitgasten konden denken met een niet bijzonder brandje van doen te hebben. Zij namen dan ook geen maatregelen voor hun eigen veiligheid, die van de buurtbewoners en sensatiebeluste toeschouwers. Gevolg: ontelbare gewonden, en tegen de twintig doden, waaronder vier brandweerlieden.

Voor de dood van die vuurbestrijders draagt onze verbureaucratiseerde brandweerleiding de directe verantwoordelijkheid. Een misdadig verzuim kan men dit noemen, maar ze zullen het wel niet hebben geweten. Voor de opstelling van het beleid in dit soort zaken en de controle daarop zijn -in meer of mindere mate- niet minder dan tien overheidsinstanties verantwoordelijk. Zo'n acht departementale diensten, het provinciebestuur en het gemeentebestuur en de daaraan gelieerde ambtelijke bureaucratische diensten. De uitslag van het onderzoek is nu al te voorspellen.

Eenieder heeft een stukje van de verantwoordelijkheid en heeft in het beste geval zijn deel van de procedure naar de regel afgehandeld. Niemand heeft de eindverantwoordelijkheid, dus is ook niemand aan te spreken, en behoudens die van de brandweercommandant zullen er vast geen koppen rollen. De burgemeester kan tegen de Duitse pers zeggen "Ich habe es nicht gewusst ", zonder dat hij aan de schandpaal wordt genageld.

Integendeel, in de kranten verschijnen berichten dat hij een topper is in het openbaar bestuur van ons land. Bovendien weet hij snel een brief op tafel te leggen, waaruit blijkt dat de provincie het gevaar voor grootschalige calamiteiten vanwege deze opslagplaats op nihiel heeft geschat. Dat is een aardige opsteker voor de burgemeester; zijn stoep is in eerste aanleg hiermee schoon. En zo zullen al die autoriteiten en autoriteitjes hun verschoningen binnenkort bij de hand hebben.

Het verontrustende van dit alles is dat door deze wijze van besturen ons land geen eindverantwoordelijken kent en dat gezond verstand stelselmatig wordt uitgeschakeld. Gebruik je als bestuurder je gezonde verstand dan geef je zo'n vergunning niet af ook al wordt aan alle regeltjes voldaan en zoek je voor zo'n bedrijf een veiliger plek. Kun je er tijdelijk niet onderuit dan draag je zorg voor een goede informatie aan de betreffende buurt.

Nu wist niemand iets en kon ook niemand maatregelen treffen om dit grote leed enigszins te verzachten. De spuitgasten wisten niets en de buurt wist niets en niemand is voor deze onwetendheid formeel verantwoordelijk. Daarover zal premier Kok het in zijn herdenkingstoespraak wel niet hebben. De enige autoriteit die deze zeer voor de hand liggende vraag wel indringend opriep was onze ontstelde Majesteit en wel op de plaats van de ramp oog in oog met de slachtoffers van dit leed.


Pim Fortuyn
Rotterdam 18 mei 2000

Moed


We zijn nu bijna veertien dagen verder en is nog geen autoriteit in Enschede die zich aangemeld heeft om de verantwoordelijkheid voor de vuurwerkramp aldaar geheel of ten dele te aanvaarden. Het aanvaarden van verantwoordelijkheid getuigt van bestuurlijke moed en zegt nog niets over toerekenbare schuld, laat staan van persoonlijke schuld in deze.

Het inmiddels gestarte onderzoek zal met name op dit laatste licht werpen, maar dat duurt aard nog wel even. Het aanvaarden van verantwoordelijkheid kan gebeuren zonder zo?n diepgaand onderzoek. Betrokkenen weten dat zelf en konden dat direct na de ramp reeds voor zichzelf vaststellen. Twee in aanmerking komende autoriteiten springen daarbij direct in het oog: de burgemeester en de brandweercommandant.

Los van de vraag hoe het mogelijk is dat een dergelijk bedrijf zich, met de benodigde vergunningen, in een woonwijk heeft mogen ontwikkelen, is het de bizarre onwetendheid van uitvoerend brandweerpersoneel en buurtbewoners die in het oog springt. Waren zij wel van de gevaarlijke situatie op de hoogte geweest dan waren brandweerlieden en buurtbewoners in ieder geval in staat geweest voorzorgsmaatregelen te treffen.

De spuitgasten waren niet zo maar begonnen met spuiten maar met het manen van buurtbewoners om zich zo snel mogelijk uit de voeten te maken, zoals wetende buurtbewoners dat naar alle waarschijnlijkheid ook uit zichzelf hadden geprobeerd. Een dergelijk optreden had de kans in zich, het aantal te betreuren doden en zwaar gewonden aanzienlijk te verminderen. En ook al was dit niet gelukt dan nog was er de troost van iets geprobeerd te hebben.

Nu is het brandweer en bewoners overkomen als ware het een niet voorspelbare natuurramp. Voor deze onwetendheid van brandweer en bewoners zijn er twee die de eerste verantwoordelijkheid dragen. De burgemeester zowel ten aanzien van bewoners, als in afgeleide zin voor de brandweer. De burgemeester heeft het handhaven van openbare orde en veiligheid onvervreemdbaar in zijn takenpakket zitten.

Het optreden van de burgemeester na de ramp wordt tot mijn verbazing alom geprezen. Eerlijk gezegd vind ik daarin aspecten zitten die ik niet anders dan als weerzinwekkend kan betitelen. Uit niets blijkt dat deze man zichzelf met de vraag confronteert, wat had ik kunnen doen om deze ramp te voorkomen en wat had ik moeten doen opdat bewoners en brandweerlieden tenminste op de hoogte waren van deze gevaarlijke situatie?

Een normaal mens zou wroeging voelen, er gekweld uitzien en er slapeloze nachten van hebben. Zo niet burgemeester Mans, hij zegt zelfs een grote voldoening te hebben gevoeld over het werk dat hij de afgelopen weken voor zijn gemeente heeft kunnen verzetten. Natuurlijk laat hij daar onmiddellijk politiek correct op volgen dat men niet moet denken dat het verdriet van de slachtoffers langs hem heen gaat. En zo is het maar net, de burgemeester glorieert in zijn rol naar zijn burgers toe en niet te vergeten in de media.

Voor Mans is het leven momenteel zeer enerverend en de moeite waard, en voor een vervolg van zijn carrière zeer behulpzaam. Geen gekwelde magistraat die een toontje lager zingt bij al die herdenkingen, de hand in eigen boezem steekt en woorden van schaamte en diepe spijt uit. Mans is gewoon een lafaard, die de vraag van de verantwoordelijkheid graag buiten bespreking laat.

Is het in dit IT-tijdperk, waarin Jan en alleman op internet surft en de routeplanner in de auto standaard aan het worden is, te veel gevraagd een display te installeren in iedere brandweerauto, waarop spuitgasten onmiddellijk konden zien wat de gevaren zijn op de plek van de brand en welke (voorzorgs)maatregelen in acht genomen dienen te worden? Ja dus en daar dien je je als commandant voor verantwoordelijk te voelen!

En dan Kok en zijn kabinet. Niks installatie van een taskforce die onmiddellijk in beeld brengt of er nog plaatsen in Nederland zijn waar soortgelijke situaties zich voordoen om subiet maatregelen te kunnen nemen om daar met ingang van heden een einde aan te maken. Kok wacht liever het onderzoek af en laat de afwikkeling volgaarne over aan de plaatselijke activiteiten. Het poldermodel op zijn smalst en gevaarlijkst. Met regeren heeft het al helemaal niets van doen, tenminste als dat ook vooruitzien behelst.

Je vraagt je af wanneer de slachtoffers eens een keer echt heel kwaad worden op hun bestuurlijke elite die deze wanprestatie heeft neergezet!


Pim Fortuyn
Rotterdam 25 mei 2000

Justitie en DNA


Ik zou willen dat ik de Nederlandse politie en justitie capabele en effectieve organisaties zou kunnen vinden. Helaas is dat niet het geval. Het oplossingspercentage van misdrijven is bedroevend laag, helemaal als het gaat om moord en doodslag en zogenoemde afrekeningen in het criminele circuit. De politie heeft veel te weinig kennis van deze criminele organisaties en ik vermoed dat betrokken politiefunctionarissen maar al te dikwijls denken, opgeruimd staat netjes.

Waar de politie wel erg goed in is, zijn de verkeerscontroles. Met behulp van moderne apparatuur wordt op steeds meer plaatsen de snelheid gecontroleerd en rolt de boete bij de geringste overtreding volautomatisch op de mat.

In de strijd tegen de misdaad is zo langzamerhand niets meer te gek. De nieuwste loot aan deze stam is het inzetten van DNA-technologie. Op het eerste gezicht een mooi instrument. De foutenmarge is vrijwel nihil, het DNA van een mens is uniek. De DNA-technologie wordt ook steeds verfijnder, het is nu al mogelijk om met heel weinig materiaal het DNA-profiel van iemand volledig vast te stellen.

Ongekende mogelijkheden dus in de strijd tegen de misdaad, daar er vrijwel altijd enig DNA-materiaal achterblijft op de plaats van het misdrijf of op de persoon tegen wie het misdrijf is begaan. Dat wil overigens niet zeggen dat onze koene speurders geen DNA-materiaal over het hoofd zien en daar begint precies het probleem.

Criminelen lezen ook de krant of komen gewoon zelf op het idee om DNA-materiaal van een onschuldig persoon op de plek van het misdrijf na te laten. Dat kan een haar zijn of gewoon een weggegooid zakdoekje. DNA-materiaal van u en ik dus. Wordt uw materiaal op de plek van het misdrijf aangetroffen, dan bent u dus onmiddellijk verdachte en kunt u zich wijden aan de schone taak uw onschuld te bewijzen en dat is dikwijls moeilijker dan u denkt.

In mijn directe omgeving heb ik een dergelijke kafkaëske situatie van zeer nabij mogen meemaken en als ik er aan denk draait mijn maag zich nog om. Het maatschappelijk leven van betrokkene is totaal verwoest en het is zijn ongekende veerkracht die hem in staat stelt de draad van het leven opnieuw op te pakken. En dat terwijl wij overtuigd zijn van zijn onschuld in deze. Probleem was echter dat hij voor de rechter het overtuigend bewijs van zijn niet-weten niet kon leveren.

In het gerechtelijk vonnis kwam de twijfel daarover wel zeker tot uitdrukking, de straf was gezien de beschuldigingen van het OM buitengewoon licht. Dat neemt niet weg dat de veroordeling op zich voldoende was om hem via civiele procedures totaal uit te kleden. Immers, een veroordeling betekent een schuldigverklaring door de bevoegde rechter.

Zelfs op een WAO-uitkering, veroorzaakt door maandenlange hechtenis, kon hij bij zijn verzekeraar geen aanspraak maken. Het was immers zijn eigen schuld dat hij in de WAO terecht was gekomen, daar er een direct verband was tussen ziekte en hechtenis. Zijn bedrijf was hij al kwijt, want dat was een business die draait op vertrouwen en onkreukbaarheid.

Wat mij het meest is bijgebleven van dit drama, is dat het adagium van ons strafrecht dat de schuld door het OM moet worden bewezen, helemaal niet opgaat. Politie en justitie hadden een theorie en zochten daar de hun welgevallige feiten bij. Aan de verdachte de taak om dat te ontzenuwen. En ga er maar aan staan te bewijzen dat je drie maanden geleden niet met door justitie aangemerkte personen op die en die plaats was. Je moet dan aantonen op een andere plaats geweest te zijn, in het bijzijn van voor justitie betrouwbare getuigen. En wat nu als je gewoon een avondje thuis was, in je eentje met een borrel bij de openhaard?

Justitie en politie zijn er natuurlijk niet voor om het verhaal van verdachte voor zoete koek te slikken. Wat een deskundige politie en justitie echter wel doen is de mogelijkheid open houden dat men de verkeerde persoon brandmerkt als verdachte. Dat nu is bij deze instellingen totaal verdwenen. Als zij een spoor menen te hebben, bouwen ze er een theorie omheen over hoe het gegaan is, zoeken daarbij de feiten en dan is het bewijs rond, tenzij verdachte de onzinnigheid daarvan ondubbelzinnig kan aantonen.

Deze werkwijze wordt nog versterkt door het lage oplossingspercentage van politie en justitie. Er is een ongekende drang tot presteren. Aan deze onbekwame apparaten wordt nu stapje voor stapje de DNA-technologie ten behoeve van opsporing en berechting toevertrouwd. Het is nog maar een stap totdat er een DNA-bank is van de gehele bevolking, die komt er zeker voor medische behandelingen. En ja dan krijgt Justitie daar natuurlijk onder zogenoemde 'strikte voorwaarden' ook toegang toe. Big Brother komt er aan.
Welterusten, zou ik willen zeggen!


Pim Fortuyn
Rotterdam 1 juni 2000

Microsoft


De rechter in de VS heeft gesproken. Microsoft moet worden opgesplitst in twee bedrijven, te weten: een bedrijf voor besturingssystemen (thans Windows) en een bedrijf voor toepassingen (bijvoorbeeld Office, Explorer en Websites).

De rechter komt tot deze conclusie op basis van het cowboygedrag van het grootste software bedrijf ter wereld. Hij acht bewezen dat Microsoft zich schuldig heeft gemaakt aan intimidatie en tal van andere praktijken om de concurrentie uit te schakelen, goedschiks dan wel kwaadschiks. De bewoordingen waarin het vonnis is gesteld zijn buitengewoon scherp. De rechter schildert het bedrijf af als een onbetrouwbaar bedrijf dat bovendien weigert in te zien en te erkennen dat het de wet stelselmatig heeft overtreden.
Zo die zit.

Wie nu van de leiding van Microsoft verwacht dat het een mea culpa uitspreekt en zich schikt naar het vonnis komt bedrogen uit. De nieuwe topman, Steve Ballmer, laat zich buitengewoon laatdunkend uit over dit gerechtelijke vonnis, kondigt hoger beroep aan en beweert bij hoog en bij laag dat het bedrijf niets valt te verwijten.

Integendeel, de concurrentie zou moordend zijn en het bedrijf heeft zijn dominante positie slechts te danken aan de fantastische producten die het produceert. Nog steeds denkt het bedrijf dat de aanval de beste verdediging is en in dat opzicht heeft het bedrijf niets geleerd van de harde aanpak door de Amerikaanse autoriteiten.

Het bewijsmateriaal voor deze harde aanpak is intussen overweldigend en wat belangrijker is, iedere gebruiker van de producten van Microsoft kan vaststellen dat er aan die producten het nodige mankeert, zoals ook iedere gebruiker kan vaststellen dat hij met handen en voeten aan Microsoft is gebonden. Er zijn gewoon weinig tot geen alternatieven.

De opdracht van de rechter om het bedrijf te splitsen in een bedrijf voor besturingssystemen en een voor toepassingen is buitengewoon verstandig. Dit maakt de weg vrij voor nieuwe toetreders op beide markten en dwingt Microsoft zowel zijn besturingssystemen als zijn toepassingen zodanig te ontwerpen dat ook producten van concurrenten te gebruiken zijn.

De gebruiker heeft hier alleen maar baat bij. Hij kan niet alleen kiezen, maar de concurrentie op beide markten zal er ook toe leiden dat meer met zijn wensen rekening zal worden gehouden. Kortom er zullen meer producten op de markt komen, meer modificaties, waardoor de gebruiker de voor hem beste oplossing kan kiezen.

Dit op zijn beurt geeft de markt en de techneuten een nieuwe impuls. Er komen niet alleen meer producten en meer variëteiten, maar er wordt ook meer uitgevonden en ontwikkeld en dat is alleen maar goed. Niet alleen voor de gebruiker van al dit moois maar ook voor de branche als geheel. De dominante vaak monopolistische positie van Microsoft heeft nieuwe ontwikkelingen al te lang in de weg gestaan. Nu de kussens stevig zijn opgeschud kan een nieuwe ronde van productontwikkeling in een hoog tempo beginnen.

Onbegrijpelijk is het intussen dat Ballmer het hier op heeft laten aankomen. Veel van de energie van tenminste de leiding van het bedrijf is verspild aan dit achterhoedegevecht. Energie die niet werd besteed aan nieuwe producten. De schade is inmiddels aanzienlijk. De reputatie van het bedrijf is flink te kijk gezet en het hoeft nu niet meer te proberen ook maar de schijn op zich te laden van het uitoefenen van ongeoorloofde druk op afnemers en concurrenten.
Slimmer ware het geweest de zaak te schikken en zijn verlies te nemen of op zijn Hollands: als je geknipt en geschoren wordt moet je stilzitten!

Het breken van het monopolie van Microsoft zal uiteindelijk niet komen van de rechter, maar van de markt. En wie weet zit er ergens al een nieuwe Bill Gates in een garage te sleutelen om Microsoft net zo'n dreun te bezorgen als indertijd Microsoft gaf aan IBM. Gewoon door een concept met bijbehorende technologie te ontwikkelen dat veel beter werkt en geheel en al om de technologie van Microsoft heen surft. Dan komen de klanten vanzelf en heeft Microsoft voor enige tijd het nakijken.
Ik kan het moment nauwelijks afwachten!


Pim Fortuyn
Rotterdam 8 juni 2000

Nederland is vol


De oud-linkse minister van ruimtelijke ordening, Pronk(PvdA), heeft het zelf gezegd : Nederland is vol,sterker nog overvol! Een dergelijke uitspraak van deze man had zelfs Drs. Janmaat in zijn stoutste dromen niet durven bedenken. Nu is en blijft tot op zekere hoogte het begrip vol niet alleen een beladen begrip maar bovenal een subjectief begrip. Wat voor de een vol is, is voor de ander betrekkelijk leeg. Een stadsmens kijkt anders tegen het begrip vol aan dan een boer uit Flevoland.

De Randstedeling van nu ervaart het begrip vol anders dan het Randstedelijke jongetje dat ik was in de jaren vijftig van de vorige eeuw. Een tijd waarin nog geen dorp, stadje of stad aan elkaar was gegroeid. Tussen de diverse bebouwingen ontvouwde zich een heel divers landschap, van bossen, duinen, velden en polders. De wijdsheid van het Hollandse landschap toonde zich bij wijze van spreken om de hoek van de deur of je nu in een stad of in een dorp woonde. Wie nu bijvoorbeeld over Halfweg van Amsterdam naar Haarlem trekt, ziet vrijwel alleen bebouwing. Wie dat deed in de vijftiger jaren waande zich gedurende een half uur gaans op het platteland. Hetzelfde kan worden opgemerkt over de tocht van Rotterdam naar Schiedam of Dordrecht of van ís Gravenhage naar Leiden etc.

De open ruimte verdwijnt in ons land in hoog tempo met name in de Randstad en daar waar deze nog voorhanden is en vooralsnog niet mag worden bebouwd, zetten we deze graag vol met aangelegde bossen voor het nodige verpozen.
Pronk heeft de ruimteclaims van de departementen opgeteld en komt tot de conclusie dat we over dertig jaar de ruimte van de omvang van een provincie als Zuid-Holland te kort komen. Dat is even schrikken geblazen. Natuurlijk is dat overdreven, omdat het niet meer is dan een extrapolatie van de huidige verwachtingen en als iets duidelijk is geworden de afgelopen vijftig jaar, dan is het wel dat ruimtelijke indeling moeilijk te plannen valt en dat de aard van het ruimtebeslag zich nauwelijks over een wat langere termijn laat voorzien.

Wie had vijftig jaar geleden dat explosieve autogebruik voorzien, wie al die bedrijvenparken en vinexlocaties? Geen mens; zelfs politici, planologen en futurologen niet. Bij het verwachtte ruimtebeslag vallen ook nu deze kanttekeningen te maken. Nader ingevuld, het ruimtebeslag is vooral gebaseerd op de industriele economie, waarin wij nu nog grotendeels verkeren. De ICT economie maakt echter een heel ander gebruik van de ruimte mogelijk. Er zijn zelfs grote ruimtewinsten te incasseren als we ICT niet langer gebruiken als techniek, maar ook als concept om economie en samenleving in te richten. Daar tegenover staat dat Nederland in toenemende mate een immigratieland is geworden.
De toestroom van buitenlanders legaal, onder het hoofdstuk asielbeleid, en illegaal gaat onverdroten voort. Het daaraan gekoppelde ruimhartige beleid van gezinshereniging vermenigvuldigt deze toestroom nog eens met de factor drie, zodat er iedere vijf jaar een stad van de omvang van Deventer aan nieuwkomers bijkomt. Het verscherpte asielbeleid zal daaraan weinig veranderen.

Pronk stelt zich tot taak om aan het ruimtebeslag een halt toe te roepen. Een potsierlijk streven, gezien de mogelijkheden die een overheid in het algemeen en een minister van ruimtelijke ordening in het bijzonder in ons soort samenlevingen heeft. Het in goede banen leiden van al die ruimteclaims is al een hele opgave en als men daar in slaagt, mag men zich terecht op de borst kloppen. De geschiedenis van de afgelopen vijftig jaar is wat dat betreft verre van bemoedigend.
Ontwikkelen de ruimteclaims zich in het huidige tempo dan is het goed afscheid te nemen van een aantal illusies. De eerste illusie waarvan we afstand moeten nemen is dat Nederland een land is. Nederland ontwikkelt zich in hoog tempo tot een stadsstaat. Nederland is over dertig jaar een metropool in de Europese Unie, niet meer maar ook niet minder. Als we het goed doen, hebben we het gewicht van metropolen als groot- Londen, groot- Parijs en groot-Berlijn, om enkele na te streven voorbeelden te noemen. Een dicht bebouwde metropool met een aantal grote landschapsparken en waterpartijen.
De regering in Den Haag moet het land dan ook niet langer meer besturen als een land, maar als een metropool. De tweede illusie waarvan we afstand moeten nemen is dat het land een asielbeleid kan voeren. Dat slaat inmiddels al nergens meer op. Een rationele oplossing voor de toestroom van vreemdelingen is het voeren van een immigratiebeleid. Stapt men daar op over, dan kan men quota stellen en zonodig eisen stellen aan de nieuwkomers. Geen softe eisen, maar keiharde eisen waaraan binnen een vooraf te stellen tijd moet worden voldaan. Voldoet men hieraan niet dan is de keiharde sanctie ; uitzetting. Immigranten komen natuurlijk aan met de vereiste papieren, zonder papieren wordt men in geen enkele geval toegelaten.

Na het overstappen op het concept 'stadsstaat' kunnen we daar onze ruimtelijke ordening en inrichting op afstemmen. Dan ook blijkt er veel meer mogelijk is dan thans. Net als in de stadsstaat Singapore gaan we de ruimte efficienter benutten. Dat betekent afbraak van veel dat niet van historisch belang is. De vrijgekomen ruimte wordt vervolgens efficienter ingericht, door veel te bouwen in de hoogte en door veel fysieke infrastructuur weg te werken in de grond. Tenslotte kunnen we onze kennis van inpoldering benutten door datgene wat we al eeuwen doen: land veroveren op de zee, onder het motto dat wat niet uit de lengte kan maar uit de breedte moet.



EuropoortKringen
Pim Fortuyn
9 juni 2000
Rotterdam

Suriname


Suriname wordt nu echt een gebed zonder end. De bevolking is ruim een jaar geleden massaal de straat op gegaan om een einde te maken aan het incompetente, corrupte en autoritaire bewind van president Wijdenbosch. Het gevolg was niet de afzetting van de president, ook niet na een motie van wantrouwen in het parlement, maar vervroegde verkiezingen. Nieuw Front, een verzameling van oude en nieuwe partijtjes die zich verzetten tegen Wijdenbosch, heeft overtuigend gewonnen.



Overigens hetzelfde Nieuw front dat het niet eens kon worden over een opvolger voor Wijdenbosch, waardoor deze laatste ook na de aanname van de motie wantrouwen nog vrolijk een jaar kon blijven zitten als president Na de verkiezingen begon de achterkamertjespolitiek van Nieuw Front en dat heeft geen nieuwe gezichten opgeleverd, maar de oude bekende, incompetente gezichten. De mislukte voormalige president Venetiaan wordt opnieuw president van Suriname en de even incompetente Lachmon, inmiddels 83 jaar (sic!), voor de zoveelste keer voorzitter van het parlement.

Arm volk van Suriname!
De kiezer heeft onweerlegbaar duidelijk gemaakt de bezem te willen halen door de varkensstal van economie, rechtsstaat en openbaar bestuur en de politiek trakteert hen op meer van hetzelfde. Slechter dan onder Wijdenbosch is nauwelijks denkbaar, maar om van deze oude gezichten de noodzakelijke herstructurering en vernieuwing te verwachten gaat vele, zelfs Surinaamse, bruggen te ver.

Onder het koloniale bewind heeft Suriname zich ontwikkeld, goedschiks en kwaadschiks, tot een multi etnische samenleving, waarin etniciteit weliswaar een belangrijke rol speelde maar waarin dat met name in het openbaar bestuur en de politiek ten dele ook werd ontstegen. Het militaire bewind van Bouterse en alles wat daarna gekomen is heeft het land terug geworpen in een bijna niet te ontwarren kluwen van etnische en economische belangenbehartigers.

Het algemeen belang bestaat in Suriname sedert de onafhankelijkheid in 1976 gewoon niet meer, noch in de politiek, noch in het openbaar bestuur en ook niet in de rechtstaat. Het land is vergeven van het cliëntelisme, geen terrein van het leven is daardoor niet gecorrumpeerd. Economie, samenleving, politiek, openbaar bestuur en rechtstaat zijn door en door corrupt.

Zoals Bouterse en Wijdenbosch het beeldmerk zijn van het nieuwe cliëntelisme van een klasse van nieuwe corrupte rijken zo zijn Venetiaan en Lachmon het beeldmerk van het oude even corrupte etnisch- economische cliëntelisme. Het land schiet dus met de benoeming van deze personen weinig op, de elite van het nieuwe cliëntelisme wordt in het politieke bestuur voor de tweede keer vervangen door de elite van het oude cliëntelisme. Het lijkt mij als bewoner van dat land iets om gek en gedeprimeerd van te worden.

Intussen kan Nederland het zich niet permitteren om te doen alsof het hier gaat om een willekeurig buitenland. Meer dan de helft van de Surinamers woont inmiddels in ons land, waaronder vrijwel de gehele intelligentsia en een heel groot deel van de middenklasse. Deze uittocht van talent, zo bitter hard nodig in Suriname zelf, gaat nog steeds door en strekt zich nu ook al uit tot de goed opgeleide verpleegkundigen en werkers in de zorgsector waaraan in Nederland een groot tekort bestaat.

De voormalige kolonialen hebben onbedoeld en ongewild de voormalige kolonie letterlijk onthoofd. Het wordt nooit meer wat met Suriname als een deel van de Surinaamse intelligentsia en middenklasse die nu in ons land woont zich niet kan en wil inspannen voor de vernieuwing en herstructurering van zijn vaderland.

Voor zover ik dat kan bezien zijn velen van hen daartoe nog wel bereid, maar zien zij daartoe op korte termijn geen mogelijkheden. Vernederlandst als zij inmiddels zijn, hebben zij er geen behoefte aan om zich in dit corrupte wespennest te begeven en zien zij geen mogelijkheden om daaraan een einde te maken. Zij beperken zich tot zo nu en dan een vakantie in het moederland en tot de materiele ondersteuning van de achtergebleven verwanten. Zonder hun steun zouden velen daar nu honger leiden en helemaal niet meer weten hoe de eindjes aan elkaar te knopen.

De Nederlandse politiek staat nu voor een onmogelijk dilemma. Men kan de ontwikkelingshulp weer op gang brengen in de wetenschap dat daarvan veel verdwijnt in de zakken van deze corrupte cliëntelistische elite, of men kijkt de kat uit de boom in de wetenschap dat een groot deel van de bevolking het water tot aan de lippen staat.

Het zal dus pappen en nathouden worden. Geld geven onder voorwaarden, in de hoop dat niet al te veel daarvan verdwijnt in de zakken van de rijken. Die paar bruggen bijvoorbeeld maar betalen, opdat de regering van Suriname in de gelegenheid is enige orde op zaken te stellen aangaande 's lands financiën.

En dan te bedenken dat Suriname op het moment van de onafhankelijkheid beschikte over een goed openbaar bestuur, een degelijke rechtssysteem, een florerende economie en een welvarende en deels uitstekend opgeleide bevolking. Het land had nooit onafhankelijk moeten worden kunnen we achteraf concluderen. Gedane zaken nemen zelden een keer, het wachten is op betere tijden of terugkeer in de schoot van Nederland.


Pim Fortuyn
Rotterdam 15 juni 2000

Mensenhandel


De dood van 58 Chinezen, 54 jonge mannen en 4 jonge vrouwen, heeft de meeste van ons diep geschokt. Op een onbenullige manier zijn zij om het leven gekomen. Gestikt in een vrachtwagen, omdat de koeling het niet deed. Geen mogelijkheid om eruit te komen en niemand heeft hun gebonk op de deuren gehoord. Het moet een klein inferno geweest zijn daarbinnen, te midden van een vracht tomaten - sic!



De Europese politiek stond onmiddellijk klaar met verklaringen van afschuw en het vertoon van daadkracht, onze minister-president Wim Kok (PvdA) voorop. Een zielige vertoning daar op die Europese top van regeringsleiders. Een verklaring van schaamte was meer op zijn plaats geweest en minder hypocriet.

Op Europees niveau is deze handel in mensen niet alleen bekend, men kent globaal de omvang daarvan en de routes waarlangs de handel plaatsvindt. De röntgentechniek maakt het mogelijk iedere vrachtauto en container te scannen op de inhoud. Dat gebeurt slechts steekproefsgewijs. Waarom eigenlijk?

Technisch is het geen enkel probleem om al die vrachtauto's en containers door een röntgenpoort te halen en daar is het menselijk oog niet bij nodig. Is er iets verdacht, dan geeft de computer dat aan en kan men de betreffende lading aan een nadere inspectie onderwerpen. Oponthoud hoeft dit nauwelijks te geven, het kost natuurlijk wel een paar centen om in de noodzakelijke apparatuur te investeren.

Hier ligt ook het hart van de problematiek. Heeft men er geld voor over om deze verschrikkelijke mensenhandel tegen te gaan? Het antwoord daarop is even eenvoudig als afschuwwekkend: nee dus!

Deskundigen beweren dat de slachtoffers ongeveer vijftigduizend gulden hebben moeten betalen voor deze reis naar hun einde. Een heel bedrag, velen van ons in het rijke westen zouden moeite hebben om dat bij elkaar te sprokkelen.

Wat te denken van deze Chinezen uit een derde wereld land? De hele familie moet hutje bij mutje hebben gelegd om dit voor hun jonge mensen te kunnen opbrengen. Een investering in de toekomst van hun jonge mensen, waarvan ze wellicht in de nog wat verdere toekomst iets zouden hebben teruggezien. Die families zij nu niet alleen hun kapitaal kwijt, maar ook hun kinderen. Dat is het drama als je probeert achter dit nieuwsfeitte kijken.

De uitvoering van het reisje blijkt in handen te zijn geweest van een paar jonge Hollandse schlemielen, knullen die het tot nu toe ook al niet meezat in het leven. Waarschijnlijk in de macht van Chinese gokbazen in Nederland, die wel een manier wisten om hun gokschulden af te lossen.

Een verhaal van losers op en top. De echte daders, de leiders van dit soort maffiapraktijken, bevinden zich achter de schermen, in Nederland en in China en zullen nooit worden opgepakt en zich nimmer hoeven te verantwoorden. Dat weet ook Wim Kok!

Nederland noch de EU is competent gebleken om deze heren aan te pakken. We hebben er de deskundigheid niet voor en zetten er de middelen niet voor in. Onze regeringsdelegaties reppen er bij hun bezoeken aan China niet over, daar gaat het in abstracte bewoordingen over mensenrechten en ja natuurlijk over handel en geld verdienen.

Heel concreet over samenwerking tussen de Chinese en de Europese politieautoriteiten om dit probleem aan te pakken, praten ze nooit. Nu is dat moeilijk genoeg omdat een groot en relatief arm land als China met zijn autoritair geleide staat daar niet zo veel belang bij heeft. Toch is het het proberen waard. Het is voor de Chinese autoriteiten een stuk moeilijker om deze noodzakelijke samenwerking af te wijzen, dan te zeggen dat de Europeanen zich niet moeten bemoeien met binnenlandse aangelegenheden inzake democratie en vrijheid van meningsuiting.

Ook de Chinese logica weet hiervoor geen afdoende oplossing te vinden. Naar zijn aard is de mensenhandel geen binnenlandse aangelegenheid en moreel kunnen ze het niet maken om de bestrijding daarvan doormiddel van goede samenwerking af te wijzen. Van Wim Kok c.s. hadden we iets dergelijks willen horen, in plaats van de obligate verontwaardiging en dit krachteloze vertoon van daadkracht!


Pim Fortuyn
Rotterdam 23 juni 2000

Daderprofiel


Justitie heeft met behulp van de nieuwste DNA-technieken tenminste twee oude moorden opgelost. Niet alleen hulde daarvoor, maar het is voor de nabestaanden ook enigszins een troost. Ze weten nu dat de dader wordt gestraft. Nieuwste loot aan de stam van opsporingstechnieken is nu het daderprofiel. Een methode die wordt toegepast bij het opsporen van de dader van de moord op Marian Vaatstra in Kollum.



Ook hierbij zijn de modernste DNA-technieken toegepast, aangevuld met bevindingen van gedragsdeskundigen.

De kleine dorpsgemeenschap staat nu al meer dan een jaar op zijn kop door deze moord. Met name de nabijheid van een asielzoekerscentrum heeft de gemoederen aldaar zeer verhit, niet in de laatste plaats omdat Justitie en politiek, vanwege het politiek correcte denken, aanvankelijk dat centrum niet in hun onderzoek naar de moord wilden betrekken.

Dat laatste wakkerde sluimerende gevoelens van onlust en angst aan en heeft inmiddels een tweetal veroordelingen opgeleverd wegens discriminatie. Iets dat heel goed had kunnen worden voorkomen door zo'n kapitale blunder niet te begaan. Vrouwe Justitia wordt niet voor niets afgebeeld met een blinddoek voor de ogen. Justitie dient onbevoordeeld te zijn en op zijn minst kleurenblind!

De DNA-test heeft inmiddels uitgewezen dat de dader een persoon van het blanke ras moet zijn. Ik hoop dat dit overtuigend en wetenschappelijk is vastgesteld. Vervolgens hebben gedragsdeskundigen een daderprofiel opgesteld. Nu ben ik zelf sociale wetenschapper en word ik dus geacht iets van menselijk gedrag af te weten. Het enige dat ik daarover kan zeggen is dat de wetenschap in deze in staat is waarschijnlijkheden te debiteren. Zekerheden heeft zij nauwelijks te bieden.

Het opgestelde daderprofiel is enerzijds toegespitst, anderzijds nogal ruim. Men meent te weten dat de dader in een straal van 15 kilometer (geen 40 maar 15, sic!) van de plaats van het delict woont, alleen woont of bij zijn ouders, op het oog zich normaal gedraagt, maar sociaal gestoord is en dat hij wel overwogen te werk is gegaan. Hij heeft zelfs de moord zorgvuldig voorbereid door de gedragingen van Marian zorgvuldig te bestuderen. Ik acht het volstrekt onmogelijk om op basis van het sporenonderzoek en de manier waarop Marian om het leven is gebracht een dergelijk gedetailleerd daderprofiel op te stellen.

Natuurlijk moet Justitie wat, in dit afschuwelijke geval, en dus is het logisch dat zij alle kennis en deskundigheid inschakelt inclusief die van gedragsdeskundigen die de feiten interpreteren op basis van eerder opgedane kennis in soortgelijke moorden. Dat kan Justitie en politie een handvat bieden in het gerichter zoeken naar de dader. Zo een profiel dient naar mijn oordeel echter enkel en alleen ter hand te worden gesteld aan de speurders in kwestie in de veronderstelling dat zij de relativiteit daarvan kunnen beoordelen en daar een wijs gebruik van zullen maken.

Dat is niet gebeurd. Het profiel is op grote schaal, ondermeer via TV, verspreid. En zie, de politie heeft al meer dan honderd tips gekregen. Niet verwonderlijk als men het profiel goed tot zich laat doordringen. Het is een typisch plattelandsprofiel dat men ook tegen komt in de beste engelse speurdersfilms. Er schijnen op het platteland nogal wat broeierige personen te wonen, ongehuwd met de meest gruwelijke fantasieen. Het is niet voor niets dat onze gedragsdeskundigen met name gebruik hebben gemaakt van de engelse expertise in deze. In dat land mag al veel meer dan in ons land, daar dromen ze van een DNA databank van de complete bevolking zodat Justitie alles in handen heeft om misdrijven op te lossen en wel elk misdrijf. Zo ver is het in ons land gelukkig nog niet.

Wat mij bij dit alles het meest verontrust is dat er geen woord van protest klinkt tegen dergelijke wijdmazige publieke methoden. Elke vrijgezel, zeker als hij bij zijn ouders woont, in de omgeving van Kollum is nu een potentiële verdachte van deze afschuwelijke moord. Je zal er maar wonen. Kleine gemeenschappen die elkaar van haver tot gort menen te kennen.

Wat een leed wordt er berokkend aan betrekkelijk willekeurige mensen. Als de moord niet wordt opgelost blijven zij in die gemeenschappen verdachten, en dat wellicht levenslang. Wie zijn wij dat we hen dit mogen aandoen? Staat hier het belang van het oplossen van de moord en het belang van de nabestaanden nog wel in verhouding tot het brandmerken van een aantal mensen in Kollum op basis van zo weinig zekerheid? Naar mijn oordeel is daar geen sprake van en wordt het tijd dat Justitie in haar ijver wordt beteugeld !


Pim Fortuyn
Rotterdam 30 juni 2000

Ethische buitenlandse politiek


De buitenlandse politiek verkeert stevig in de greep van de zogenoemde ethische politiek. In het kort gezegd komt dat erop neer dat de soevereiniteit van staten indien nodig dient te wijken voor hoge beginselen van de mensenrechten.

Een staat die de mensenrechten stelselmatig en grondig schendt, heeft in deze visie geen recht op soevereiniteit en verbeurt dit recht aan de internationale gemeenschap die in dat geval desgewenst kan ingrijpen, desnoods militair.
Kosovo en Timor zijn daar de meest recente voorbeelden van.

Grote pleitbezorgers van deze politiek zijn de Britse premier Blair en de Amerikaanse president Clinton. Dat de laatste zich tot deze buitenlandse politiek heeft bekeerd, geeft uiteraard de doorslag. Hij is de president van de enige mogendheid ter wereld in cultureel, economisch, sociaal maar bovenal militair opzicht. Amerika's wil is wet in de wereld en aangezien de buitenlandse politiek voornamelijk een kwestie van de president is, is het in dit geval dus Clintons wil die wet is.

In dat opzicht is hij gewoon president van de wereld en dat zou ervoor pleiten dat ook wij een stem op hem zouden mogen uitbrengen. Liever niet natuurlijk, daar het grootste en meest volkrijke deel van de wereld niets van deze pax Americana moet hebben en dat welhaast zeker de een of andere islamitische fundamentalist als Amerikaanse president zou opleveren en daar moet ik natuurlijk niet aan denken, brrr! Verre toekomstmuziek dus nog.

Aan die ethische politiek kleven intussen wel de nodige belangrijke bezwaren.
Ten eerste is die politiek nog werkelijk nooit ergens uitgebreid geformuleerd en voorzien van parlementaire goedkeuring.
Ten tweede is zelfs geen poging ondernomen toetsingscriteria te ontwikkelen waarmee zonder twijfel kan worden vast gesteld wanneer de internationale gemeenschap gerechtigd is - maar ook verplicht is - om in te grijpen in aangelegenheden van een soevereine staat.

Dat laatste zou al veel schelen en bovendien preventief kunnen werken. Een regering weet dan vooraf dat wanneer zij zich op het gebied van de mensenrechten in de gevarenzone bevindt, kan rekenen op ingrijpen van de internationale gemeenschap.

Zoals gezegd is dit alles niet gebeurd en dat biedt volop ruimte voor willekeur. Wel ingrijpen in Kosovo maar niet ingrijpen in bijvoorbeeld Tsjetsjenië of Afghanistan of Iran en Irak bijvoorbeeld.

Het kabinet Kok (PvdA, VVD en D66) heeft zich zonder enige discussie van betekenis, ook niet in dat zo langzamerhand overbodige parlement, bij deze politiek aangesloten en loopt daarbij in de kwestie Oostenrijk zelfs voorop.

Premier Kok (PvdA) wil van geen wijken weten, terwijl vast staat dat dit land geen enkel mensenrecht schendt of heeft geschonden, integendeel!
Het enige dat dit land heeft 'misdreven' is op volstrekt democratische manier een regering samenstellen waarin ook de democratische partij van Haider een rol speelt. Daarvoor mocht zelfs het EU verdrag van Amsterdam wijken en hoefde er ook dit keer geen parlement aan te pas te komen, gewoon een gezellig telefonisch onderonsje van 14 EU-regeringsleiders was genoeg om een heel land met zijn bevolking in de ethische ban te doen.

Onze minister van Buitenlandse Zaken, Van Aartsen (VVD), moet van deze ethische politiek terecht weinig hebben, maar is vooralsnog niet krachtig en moedig genoeg om daarover een ruzie met de PvdA te willen riskeren, terwijl het die ruzie alleszins waard zou zijn. Het volk van Nederland stemt ondertussen met de voeten en gaat gewoon op wintersport en zomervakantie in dat vermaledijde Oostenrijk van onder meer Jörg Haider.
Heel verstandig van dat Hollandse volk!

Dient er dan helemaal geen ethiek te zijn in de buitenlandse politiek?
Natuurlijk wel, maar dan wel op basis van heldere criteria waar over in de parlementen stevig is gedebatteerd en nog steviger over nagedacht, en dan nog met mate. Soevereiniteit staat voorop en pas in heel uitzonderlijke, goed omschreven gevallen mag daarop inbreuk worden gemaakt.
Zo, daar kan die Wim Kok nog even een puntje aan zuigen!


Pim Fortuyn
Rotterdam 30 juli 2000

Italiaanse mores


De rel rond de behandeling van de Italiaanse ambassadeur en een RAI TV-ploeg tijdens de finale van het EK voetbal in Rotterdam begint de trekken aan te nemen van een commedia dell'arte volgens de beste Italiaanse tradities. Daar kunnen die boerse Hollanders nog eens wat van leren!

In het Europees Parlement werden we door de geachte Italiaanse afgevaardigden vergeleken met de Hutu's en de Tutsi's. De Nederlandse afgevaardigden zaten er sip bij. Een en ander werd geïllustreerd met schitterend gemonteerde TV beelden waaruit de volstrekte onschuld van de TV-ploeg en het barbaarse karakter van onze ordehandhavers moest blijken. De ministerpresidenten van beide landen en de ministers van Buitenlandse Zaken komen eraan te pas. De betrekkingen tussen beide landen zijn ernstig in gevaar!

De Italianen weten perfect hoe zij ruzie moeten maken met inzet van alle middelen, waarbij de voortdurende aanval de beste verdediging is. De Nederlandse autoriteiten verbouwereerd achter latend. En er zal heus wel iets gebeurd zijn. Daarnaast blijkt dat de leiding van de ordetroepen niet tijdig heeft ingegrepen, ook één van de hoge ambtenaren van onze ministerpresident heeft een paar uur vast gezeten.

Wat ik het goede nieuws vind in deze affaire is dat de ordedienst zonder onderscheid naar rang en stand heeft gewerkt. Instructies zijn instructies en daar heeft zelfs de koningin zich aan te houden. Zo niet, dan volgen de afgesproken maatregelen, heerlijk! Voelt die ambtenaar ook eens wat het is om opgepakt te worden volgens de instructies die door zijn collega's zijn bedacht.

Het slechte nieuws is natuurlijk dat men kennelijk zo nerveus was dat het gevoel van verhoudingen enigszins verloren ging en een betrekkelijk onschuldig incident niet werd gesust, maar verder kon escaleren. Wim Kok heeft nog eens olie op het vuur gegooid door niet onmiddellijk zijn excuses aan te bieden, maar een diepgaand onderzoek af te wachten. Kok denkt dat het overal de polder is. Die Italianen zijn helemaal niet geïnteresseerd in dit diepgaande onderzoek van Kok maar willen genoegdoening.

Buitendien maakt hij het zich nu wel erg moeilijk. Uit dat onderzoek zullen weinig vreselijkheden blijken en zal het wel zo zijn als overal: waar twee kijven hebben twee schuld. Dat worden dus wel erg ingewikkelde excuses. Enerzijds mogen die dan niet zo worden geformuleerd dat de Italianen zich voor de tweede keer geschoffeerd voelen en dat risico loop je gemakkelijk bij dit heetgebakerde volk, anderzijds kunnen onze koene ordehandhavers ook niet in hun hemd worden gezet, want de strenge instructies zijn door Kok c.s. zelf bedacht. Kok had zich deze ellende kunnen besparen door met veel omhaal van mooie woorden dit incident met een van onze beste vrienden diep te betreuren, einde oefening en voluit begrepen in Italië.

Enig leedvermaak heb ik wel. Ruim een half jaar geleden werd Oostenrijk mede op initiatief van Kok volstrekt ten onrechte in de beklaagdenbank geplaatst. Op voorhand werd het land beschuldigd van schending van Europese normen en waarden, omdat dit land het op grond van voorbeeldig verlopende verkiezingen waagde de partij van Jorg Haider in de regering op te nemen. Het onder leiding van Kok zelf opgestelde verdrag van Amsterdam werd door deze actie naar de letter en de geest met voeten getreden.

Daar komt nog bij dat Oostenrijk behoort tot de landen die de meeste asielzoekers opneemt in de EU en hen royaal behandelt. De hele actie sloeg dus vooralsnog nergens op. Het land weet zich nu de risee van Europa, zonder enige vorm van proces, van hoor en wederhoor. Als het aan Kok ligt gaat de EU daar net zo lang mee door totdat de partij van Haider uit de regering is verdwenen. Zeldzaam grof en zeldzaam dictatoriaal! In dat licht bezien is het partijtje oren wassen door de Italianen maar kinderspel.


Pim Fortuyn
Rotterdam 7 juli 2000

Corrupte Nederlandse Antillen


Zojuist is het rapport verschenen over corruptie bij de politie van de Nederlandse Antillen. De resultaten zijn niet verrassend, maar wel schokkend. De onderzoekscommissie stelt vele gevallen van corruptie van politiefunctionarissen vast, waaronder zeer ernstige. Met medewerking van deze functionarissen worden drugstransporten geregeld naar onder meer Nederland. Daarbij worden met een gerust hart dienstauto's ingezet.

De staatssecretaris voor Koninkrijkszaken, De Vries (VVD), neemt de kwestie nogal laconiek op. Het is een zaak voor de Antilliaanse regering in het algemeen en de minister van Justitie in het bijzonder.

Een opmerkelijke reactie, daar het volstrekt duidelijk is dat die regering niet in staat is om dit probleem eigenhandig op te lossen. Overigens wel een begrijpelijke reactie, aangezien Nederland niet in staat blijkt om corruptie onder politie-, justitie- en douanefunctionarissen inzake drugs in eigen land te bestrijden.

De resultaten van het onderzoek van een Kamercommissie onder leiding van het Kamerlid Kalsbeek (PvdA), enige jaren geleden, waren minstens zo schokkend, maar hebben niet geleid tot arrestaties laat staan tot een proces voor de onafhankelijke rechter. Het spoor loopt telkens dood op stilzwijgen van de betrokken apparaten.

De onderste steen boven is kennelijk niet mogelijk en men berust daar in. De Kamer zit de verantwoordelijke bewindsman van Justitie bepaalt niet dagelijks in de nek om deze rottende zweer uit te snijden. En wie zegt ons dat die praktijken niet nog dagelijks voortgang vinden? Het is alleszins aannemelijk dat dit door gaat tot op de dag van vandaag en ja, de verleiding is natuurlijk groot, dat is nog eens een ander inkomen dan een ambtelijk traktement!

Intussen holt dit soort corruptie natuurlijk wel het gezag van de rechtsstaat op een gevaarlijke manier uit. Het is van vitaal belang dat de burger kan vertrouwen op de integriteit van de apparaten van de rechtsstaat, temeer daar deze als enige zijn uitgerust met de zwaardmacht en dat legt een zware verantwoordelijkheid op hun schouders.

Als nu die zwaardmacht wordt ingezet voor criminele activiteiten waarvan de feiten wel worden vastgesteld, maar zware bestraffing onmogelijk blijkt, raakt het vertrouwen zoek. Politiek Den Haag lijkt zich hierbij te hebben neergelegd en dat is ronduit normloos en eng!

Indien men het eigen drugsbestrijdingsbeleid serieus neemt, kan hier niet in worden berust. Het is van tweeën een, of men haalt soft- en harddrugs uit de criminele sfeer door gebruik daarvan onder condities toe te staan - en dan ook de productie en aanvoer daarvan - of men bestrijdt het als criminele uitwassen.
Te beginnen natuurlijk bij de eigen apparaten.

In het geval de Antillen worden uiteraard direct samenwerkingsovereenkomsten gesloten om het verschijnsel met wortel en tak uit te roeien!

Meer in het algemeen is onze verhouding met de Antillen hogelijk ambivalent. Formeel is het overzeese rijksdeel binnenland, niet veel groter dan een flinke Nederlandse gemeente met een heuse regering, feitelijk behandelen we het alsof het buitenland is. Ook daar moet eens klare wijn worden geschonken. Of het is binnenland, en de gang van zaken in Suriname na de onafhankelijkheid (1976) laat zien dat dit de meest reële optie is, of het is buitenland, maar dan ook in volledige onafhankelijkheid! De huidige tussenvorm leidt tot niets en nodigt uit tot het ontlopen van verantwoordelijkheid, zowel van de Nederlandse als van de Antilliaanse regering.

Kiest de Antilliaanse bevolking voor de optie binnenland, dan wordt de regering van de Nederlandse Antillen een provinciebestuur en de eilanden krijgen elk een gemeentebestuur volgens de Nederlandse wetten in deze. Dan zijn de verantwoordelijkheden helder verdeeld en kan de minister van Binnenlandse Zaken aan de slag op basis van het Nederlandse instrumentarium, zoals bijvoorbeeld de Fransen dat doen in hun voortreffelijk bestuurde overzeese gebiedsdelen!


Pim Fortuyn
Rotterdam 14 juli 2000

Gebed zonder einde


Nog even en Nederland heeft een miljoen mensen in de WAO zitten, op een beroepsbevolking van ruim zes miljoen, dat is zo'n vijftien procent. Wat een raar land moet dat zijn, waar zoveel mensen ziek, zwak of misselijk zijn.

Aan de gemiddelde levensverwachting zou je dat niet zeggen, die nadert de 80 jaar, ook voor degenen die gebruik maken van de WAO. Je zou zeggen dat als je zo ziek bent dat je niet eens meer 36 uur - ja 36 uur - in de week kunt werken, dan ga je vast snel dood, maar niks daarvan! Waarschijnlijk is die WAO juist bedoeld om niet vlug dood te gaan en nog heel lang van het leven te genieten.
Maar ja dat mogen we niet hardop zeggen, want dat is discriminerend voor die miljoen slachtoffers die geveld zijn door de immens zware en langdurige arbeid in dit land.

Helemaal zielig zijn de jonge vrouwtjes. Zij vormen momenteel de grootste instroom in de WAO, omdat dit op het ogenblik in de mode is.
In vroeger tijden waren het voornamelijk arbeiders - bouwvakkers, chauffeurs en stratenmakers - die in de WAO terecht kwamen, omdat hun lichaam echt voortijdig versleten was door zware lichamelijke arbeid.

Tegenwoordig mag je in de WAO als je allerhande oncontroleerbare ziektes hebt, zoals lage rugpijn, burn out, of je gewoon niet lekker in je vel voelen, of als je als jonge vrouw een baan met een gezin (je eigen keuze nota bene!) wat moeilijk te combineren vindt of natuurlijk als je letsel hebt opgelopen bij jouw favoriete sport, van de keukentrap afgevallen bent of de wintersport wat minder fortuinlijk is afgelopen.
Nu ja u begrijpt, dat wil wel, op die manier zit je zo aan de een miljoen. En wie zal deze vetpot betalen, ja u en ik natuurlijk, werkgevers en werknemers.

Ruud Lubbers (CDA), onze vorige premier, zei het al in 1989, dit land is ZIEK en zo is het maar net!

Wat zijn we met elkaar toch een watjes dat we deze flauwekul nog willen betalen. En die staatssecretaris van Sociale Zaken, de arme Hoogervorst (VVD), maar aanmodderen om een oplossing te vinden voor al die non-valeurs die in groten getale van de dure WAO gebruik willen maken. Die oplossing zal hij echter niet vinden. Dat wordt nu al twintig jaar geprobeerd en dan wordt het tijd eens te concluderen dat het kennelijk niet werkt.

De reden daarvoor is even simpel als weinig schokkend. Van voorzieningen die voor het gevoel van mensen van niemand in het bijzonder zijn, de grote hoop dus, maken de meeste mensen zonder schaamte royaal gebruik. Het is immers gratis en dan staat ons volk traditiegetrouw in de rij!

De enige oplossing is de WAO onmiddellijk afschaffen. Eenieder die dan uitvalt in het arbeidsproces komt dan zonder mankeren in de bijstand terecht - daar is die regeling namelijk voor ? na natuurlijk eerst het eigen kapitaaltje te hebben aangesproken.

Zij die er niet voor voelen dit risico te lopen, gaan gewoon naar een particuliere verzekeraar om zich daar tegen, net als bij brand en ongeluk, te verzekeren.

Die particuliere verzekeraars weten zonder mankeren het kaf van het koren te scheiden en als zij een fout maken is er altijd nog de rechter om bij in beroep te gaan. Een eenvoudige regeling die de gemeenschap geen cent kost. Dat zal de jonge vrouwtjes leren te veel lasten, op onze kosten, op heur schouders te nemen

Kortom een normale oplossing in dit democratische, geëmancipeerde, individualistische tijdperk. Gewoon je eigen broek ophouden, verantwoordelijk zijn voor je eigen leven, voor je eigen beslissingen en ja, ook voor jouw hoogst eigen pech!

Pim Fortuyn
24 juli 2000

Schandelijk slachtofferschap


Onlangs is het eerste van een reeks processen gevoerd tegen tabaksfabrikant Niemeijer. Deze zou lang geleden hebben verzuimd op zijn pakjes shag te vermelden welke stoffen allemaal zijn verwerkt in zijn onvolprezen tabak.

Een rare eis, daar het nog maar van recente datum is om op voedings- en consumptiemiddelen te vermelden wat er allemaal precies in zit. In vroeger tijden hadden we daar geen belangstelling voor, als het maar lekker was. Met onze gezondheid waren we niet zo gepreoccupeerd als vandaag de dag.

Eisers, een vrouw en een man, beroepen zich op hun onwetendheid toentertijd dat roken schadelijk kan zijn voor de gezondheid, ja zelfs dodelijke ziekten kan veroorzaken, en buitendien verslavend is, niet alleen vanwege de nicotine maar ook vanwege toegevoegde verslavende stoffen. Laat dat nu net een deel van de pret zijn, anders zou niemand roken!
Nogal dommig allemaal.

De overheid is in deze de grootste hypocriet. Alles wat leuk en lekker is moet eigenlijk worden verboden, zoals daar zijn alcohol, tabak, drugs, auto rijden en seks. We doen het allemaal en de overheid loopt binnen.
Behalve op seks wordt op alle andere middelen van verslavend genot een buiten proportionele belasting geheven. Zouden we morgen stoppen met drinken, roken en autorijden dan is de bodem van de schatkist snel in zicht. De hypocriete boodschap van de overheid is duidelijk: u moet dit allemaal niet doen, maar ga er voor het overige vooral mee door, hoe matelozer hoe beter!

Het eenzijdig aanpakken van tabaksfabrikanten wekt bij mij overigens wel bevreemding. Op alcoholhoudende drank staat bijvoorbeeld ook niet wat erin zit en dat alcohol in sociaal en fysiek opzicht een verwoestende werking kan hebben staat buiten twijfel. Waarom nog geen processen tegen fabrikanten van alcoholhoudende dranken? Waarom verweert die tabaksindustrie zich niet eens wat krachtiger en wijst op deze flagrante rechtsongelijkheid? Waarom kruipen de heren zo in hun schulp?

Meestal is het zo dat als je geknipt en geschoren wordt, het verstandig is om stil te zitten. In dit geval behoren zij zich stevig te weren en de belangen van hun rokers te behartigen. Want wie denkt u dat straks voor al die overtrokken schadeclaims mogen op draaien? Toch niet de tabaksindustrie met zijn verslaafde gebruikers! Neen de roker kan dat straks gaan betalen via opcenten op zijn rookwaar!

Hoe schandelijk het slachtofferschap is van de eisers tegen Niemeijer moge blijken uit het feit dat de mannelijk eiser zich per rolstoel de rechtzaal in liet rijden, de man heeft inmiddels longemfyseem, daarbij stevig paffend van sigaretje.
Roken als je longemfyseem hebt, dan is er in die bovenkamer iets niet helemaal in orde.
Dat is aldus de eiser niet zijn schuld, maar die van Niemeijer, die heeft hem tenslotte onwetend en dus onschuldig verslaafd gemaakt! Wel de guts hebben een schadevergoeding te eisen en niet het doorzettingsvermogen hebben om van jouw rookverslaving af te komen, je moet er maar op komen.

Het ergste echter zijn nog die juridische deskundigen die het tegen Niemeijer opnemen. Fanatieke fundamentalisten, ayatollahs, die denken dat ze voor de rechter nog gelijk krijgen ook. Dat laatste zou mij niets verbazen. Dit land lijdt tenslotte in vele opzichten aan collectieve politiek correcte waanzin, dus dit kan er ook nog wel bij.

Deze column heb ik geschreven met een lekker sigaartje van Oud Kampen in het hoofd. En u denkt toch niet, dat mocht ik daar iets (dodelijks) van oplopen, dat ik dan schadevergoeding ga eisen. Het is dat geval gewoon all in the game, zo u wilt: eigen schuld dikke bult! Overigens in de wetenschap dat Hij komt als een dief in de nacht en dat ik dag noch uur ken. Ik ga dood op de voor mij bestemde tijd, geen seconde eerder, maar ook geen seconde later!


Pim Fortuyn
Rotterdam7 augustus 2000

De Berlijnse Muur


Het is al weer ruim tien jaar geleden dat, als door een Gods wonder, de Berlijnse Muur ineen zeeg. Ik zie de beelden nog voor me: duizenden Oost-Berlijners die door een gat in de Muur lopen, rijden er bovenop staan etc. en die als helden door de West-Berlijners worden ingehaald met bloemen, applaus en geld om wat te drinken en te eten te kopen in het vrije westen. Diep ontroerend en een waar historisch moment.

De val van de Muur verbeeldde het ineenzijgen van het hele Sovjetimperium met zijn Oost- en Midden-Europese satellietstaten, waarvan de voormalige DDR (Oost-Duitsland) de belangrijkste was.

Prominenten van onze eigen PvdA, als daar zijn Han Lammers en Ien van den Heuvel hadden tot dan een zwak gehad voor de DDR en die onmenselijke Muur verklaard tot historische noodzaak. Nimmer hebben deze vooraanstaande PvdA-ers voor deze historische misvatting hun excuses aangeboden, net zo min als zij daar door de leiding van de PvdA ooit toe zijn uitgenodigd, laat staan geprest!

Hoe onmenselijk deze Muur was en daarmee dat ijzeren gordijn en het hele politieke, militaire, maatschappelijke en economische systeem dat daarachter zat, weten we inmiddels maar al te goed.
En wie het niet wil geloven reist maar naar Berlijn om de sporen ervan te bezichtigen. Hele families ter weerszijden, die elkaar meer dan dertig jaar niet mochten zien, vanwege de zegeningen van het communisme in het algemeen en het neo-fascistische heilsrijk der DDR in het bijzonder.
En prominenten van de PvdA dit maar een historische noodzaak noemen, je moet er in al je geborneerdheid maar op komen!

Inmiddels wordt er driftig gebouwd in het centrum van Berlijn, zodat het nu de grootste bouwput van Europa is. En wat wordt het prachtig. De Rijksdag is schitterend gerenoveerd met een majestueuze moderne glazen koepel op het imposante gebouw, van waaruit de toerist een prachtig uitzicht heeft over de stad die aan zijn voeten ligt. De Bundeskanzlerei in aanbouw, alle ondersteunende diensten in het ene gebouw nog mooier dan het andere.

Een hele wijk van nieuwe ambassades wordt uit de grond gestampt, waarbij de betreffende landen hun meest vooraanstaande architecten inschakelen. De mooiste ambassade is ongetwijfeld neergezet door de Britten; imposant en toch ingetogen. Iets verderop, op de Potsdammer Platz verrijst het centrum van het kapitalisme, Mercedes Benz, Sony etc. prachtige glazen gebouwen, mooie intieme pleinen, imposant, maar met inachtneming van de menselijke maat.
Hier wordt waarlijk iets schoons en super moderns geschapen.

Kortom, dit wordt zonder enige twijfel het nieuwe hart van Berlijn en wel precies op de plaats van het door de geallieerden weggebombardeerde oude hart van Berlijn, met zijn geschiedenis van Keizer, nazisme en Hitler.
Juist door het inschakelen van al die architecten uit de verschillende westerse landen tot en met Japan aan toe, geeft het nieuwe centrum die spannende internationale allure, waardoor het niet alleen de hoofdstad is van Duitsland, maar ook enigszins van de Amerikanen, de Japanners, de Russen en van ons natuurlijk, de Europeanen.

We vielen bovendien met onze neus in de boter. De onthulling van het gerestaureerde Checkpoint Charlie, als monument van de deling van de stad Dit alles op initiatief van een oude, belangrijke, joodse inwoner van de stad Berlijn. Een man die Hitler had meegemaakt, de deling had ondergaan, dit alles had overleefd en nu het finest hour van zijn leven beleefde. Heel zichtbaar werd hierdoor hoe ver weg het nazisme en communisme inmiddels zijn.
De vrijheid heeft overwonnen, symbolischer kon het niet!

Intussen valt het op hoe moeilijk zowel de inwoners van West- als van Oost-Berlijn het met de nieuw verworven eenheid hebben. Beiden kraken zij gelijkelijk het nieuwe stadscentrum in wording af. Ze zien de schoonheid daarvan nog niet. Dat maakt ook duidelijk hoe diep de deling heeft gesneden in het sociale weefsel van de stad.

Maar eer we tien jaar verder zijn, zijn de stad en zijn bewoners weer een eenheid en is al het leed geleden en gedegradeerd tot oud zeer. Dan zal blijken, dat niet zozeer er een nieuwe Muur is gebouwd tussen Oost en West, maar een fantastische brug!

Mijn petje af voor het Duitse volk, dat deze prestatie even neerzet in de wereld, als voorbeeld voor alle gedeelde volken van hoe het ook kan. Het goede dat het kwade overwint. Wie had een dergelijke Duitse voorbeeldfunctie in 1945 durven voorspellen?


Pim Fortuyn
Rotterdam13 augustus 2000

Koude Oorlog


Op het moment dat ik dit schrijf, zondagavond, is nog niet bekend of er nog overlevenden zitten in de Russische kernonderzeeër Koersk. Mijn gevoel zegt me dat er Rusissche marinemensen levend uit zullen komen. Intussen worden de contouren van het schandaal met de dag duidelijker.

Reeds een etmaal na het arriveren van de Engelse en Noorse hulp in de vorm van diepzeeduikers en een geavanceerde reddingsduikboot, worden de tv-beelden wereldwijd getoond en zien we de reddingswerkers uiterst professioneel aan de slag op de bodem van de Barentsz-zee op een diepte van honderd meter . Koelbloedige mannen die in de weer zijn alsof ze zich op het land bevinden.

Over enkele uren moeten ze in de kernonderzeeër zijn, maar nu al staat vast dat er grote luchtbellen in het schip zitten, dus de kans op leven aan boord is reëel. Fascinerende beelden, waarin een staaltje westerse militaire techniek en kunde wordt vertoond dat zijn weerga niet kent en dat binnen 24 uur. De Russische president Poetin en zijn marine-staf hebben hun bevolking heel wat uit te leggen.

Ruim een week na het ongeluk, nadat zeer veel kostbare tijd verloren is gegaan, werd de hulp vanuit het westen geaccepteerd en het is duidelijk dat als de Russen niet zo halsstarrig waren geweest de kans op het vinden van overlevenden vele malen groter was geweest. Voor Poetin en de marine-staf is het te hopen dat niemand meer leeft en vastgesteld kan worden dat de gehele bemanning vrijwel onmiddellijk na het zinken van de onderzeeëer is omgekomen. Als dat niet zo is en er toch nog overlevenden zijn, verkeren zowel president als marine-staf in zeer grote moeilijkheden.

De volkswoede in Rusland is nu echt losgebarsten. De mensen zijn boos over het weigeren van westerse hulp en over de incompetentie van president en marine. De vraag is natuurlijk waarom de marine en de president zo lang hebben gewacht met het accepteren van westerse hulp en waarom ze zo weinig informatie over de ramp aan de eigen bevolking verstrekken en de eerste dagen ronduit gelogen hebben.

Het antwoord moet waarschijnlijk worden gezocht op twee fronten. Ten eerste is het koude oorlogsdenken bij de Russische civiele en militaire leiding nog steeds geen voltooid verleden tijd en in het verlengde daarvan probeert men nog steeds de idee van een Russische wereldmacht overeind te houden. Het spreekt in die cultuur vanzelf dat het westen beslist geen vriend is, maar eerder een soort vijand. En voorts heeft een wereldmacht geen hulp van buiten nodig.

Wat nu blijkt is dat de keizer geen kleren aan heeft en dat zal grote politieke gevolgen hebben, zowel in Rusland zelf als ver daarbuiten. Eenieder kan nu zien hoe incompetent het Russische militaire apparaat is, wat ook al in Tsjetjenië is gebleken.

Daarnaast zien de Russen dat hun president en de marine-staf meer geven om hun eigen prestige dan om het redden van de levens van jonge mensen. Dezelfde houding wordt ook aangenomen tegenover de jonge Russische soldaten die bij bosjes sneuvelen in Tsjetjenië. Want de lijken van de vorige oorlog met de opstandige republiek liggen nog steeds opgeslagen in koelhuizen, omdat de legerleiding onvoldoende deskundigen heeft kunnen vrijmaken om hen te identificeren en de lichamen terug te geven aan de familie!

Meer nog dan de val van de Muur in Berlijn in november 1989 en het ineenstorten van het Sovjet-imperium, is het Russische geklungel rond de gezonken onderzeeër het teken dat Rusland geen wereldmacht meer is en ook militair niets meer in de melk heeft te brokkelen. Economisch en maatschappelijk is dat al wat langer duidelijk. De Verenigde Staten van Noord Amerika zijn nu nog de enige wereldmacht en wel op elk terrein: militair, politiek, economisch, cultureel en sociaal. Zij staan eenzaam, zeer eenzaam aan de top.

Op zichzelf wel een griezelige situatie, want het moeten sterke benen zijn die deze weelde kunnen dragen, maar het is niet anders. De Koude Oorlog is nu echt voorbij zelfs voor de Russische president en zijn militaire top. Dat is winst, alleen wat verschrikkelijk dat dit op deze manier moet blijken. Een week lang al gaan mijn gedachten regelmatig naar die mannen op de bodem van de Barentsz-zee. Laten we hopen en bovenal voor hen bidden, levend of dood.


20 augustus 2000
Pim Fortuyn Rotterdam

Rotterdamse taximaffia


Zaterdagnacht zag ik ineens mijn gestolen gewaande fiets in de stad staan. Mijn fietssleuteltje had ik niet bij mij - ik had vrolijk gestapt - dus nam ik een taxi om het sleuteltje thuis op te halen, om dan op de fiets weer huiswaarts te gaan. Het ritje heen kostte 12,50 gulden en zo ook terug. Bij elkaar 25 piek.

Een schande voor zo'n kleine dienst. Ik moest mijn huis in en om de taxichauffeur gerust te stellen dat ik echt terug zou komen, gaf ik hem vijftig gulden - ik had niet kleiner - met het verzoek even op mij te wachten. Toen ik terugkwam was de vogel gevlogen, met medeneming van die vijftig gulden voor een ritje van 12,50 piek. Een ordinaire dief dus. Je kan zoiets verwachten in Zuid-Amerika, maar in Holland houd je dat gewoon niet voor mogelijk.

Meer in het algemeen, is het met de dienstverlening door de heren chauffeurs erbarmelijk gesteld. De deur voor je openhouden is er niet bij, bagage flikker je zelf maar in de achterbak. Er wordt gezwegen of geklaagd en dit alles zonder de passagier te taxeren. Het opsteken van een sigaar of sigaret is helemaal uit den boze, ook na een avondje stappen.

Doe je dit gedachteloos wel, dan is niet een vriendelijk verzoek om dit te laten je deel, maar een ordinaire en beledigende scheldpartij. En dan de prijs, zondermeer exorbitant! Over langere ritten valt helmaal niet te onderhandelen, de taximeter gaat gewoon aan en de prijs is precies hetzelfde als voor stadskilometers.

Je moet naar een gespecialiseerd taxibedrijf toe om je voor een redelijke prijs bijvoorbeeld van Rotterdam naar Schiphol te laten brengen en naar een super gespecialiseerd taxibedrijf om je fatsoenlijk te laten behandelen. Nu is het bekend dat de taxiwereld grotendeels bestaat uit maffia en kleine en wat grotere criminelen, die met elkaar heel wat jaartjes gezeten hebben, dus vreemd is dit alles niet.

Politiek Den Haag, met name de ministers Jorritsma (VVD) van Economische Zaken en Netelenbos (PvdA) van Verkeer en Waterstaat, heeft getracht om in deze vreselijke praktijken verandering te brengen door het monopolie van de taxibranche te breken door het afschaffen van het gesloten vergunningenstelsel, zodat de markt zijn werk kan doen.

Maar ja, dan moeten de gemeentebestuurders wel de nieuwe wet uitvoeren en daar knelt de schoen. De gemeentebestuurders durven niet, bang als ze zijn voor de taximaffia. Amsterdam heeft het geweten, een heuse taxioorlog met gebruik van geweld en het in de fik steken van de auto's van nieuwkomers was het gevolg.

En de overheid? De overheid, inclusief de politie, keek toe! Er is geen misdrijf uit deze taxioorlog opgelost. De gewelddadige daders gaan vrijuit en de rechtsstaat heeft het nakijken! Intussen woekert het taximonopolie met zijn erbarmelijke dienstverlening en veel te hoge prijzen gewoon door. Niet de overheid en onze politie zijn in het publieke domein de baas, maar de gevreesde taximaffia, de wereld op zijn kop.

Nu zijn er zeker ook witte raven onder de taxichauffeurs en taxibedrijven. Het overkomt je een enkele keer dat je uitstekend en voorkomend wordt behandeld, kortom als een zeer gewenste klant. Het zou een situatie moeten zijn die standaard is.

Dat is pas zo ver, als de gemeentebestuurders keihard de nieuwe wet gaan uitvoeren en dat zal nog wel even duren, want slappe knieën zijn eerder regel dan uitzondering in die kringen.

En wat betreft mijn dief annex taxichauffeur, die kom ik nog wel eens tegen - zo groot is Rotterdam nu ook weer niet - en dan zwaait er wat. Hij kan natuurlijk ook die 37,50 gulden storten op mijn girorekening (1294134) en dan zal ik hem verder met rust laten!

Pim Fortuyn
Rotterdam 27 augustus 2000

Linkse terreur


In september 2000 stond Pim, gemuilkorfd door een stropdas, op de cover van HP/De Tijd. Het verhaal ging over 'Hollandse taboes'. Eigenlijk vond hij het allemaal zwaar overdreven, zei hij mij in het interview. We ruzieden daar wat over. Een week later kreeg ik dit briefje: "Goede Stan. Hartelijk gefeliciteerd met jouw leuke omslagartikel. Ondertussen heb jij, naar nu blijkt, meer gelijk dan ik. Ik ben ontslagen als columnist bij www.nu.nl op grond van een column over Filip Dewinter en vanwege langer sluimerend ongenoegen over mijn 'rechtse' standpunten. Bijgevoegd heb ik de geweigerde column. Citeer maar vrijelijk uit deze troep!"
Bij deze dus. O ja, Pim eindigde in stijl: "Groeten en wellicht nog eens tot ziens, aantrekkelijke man met je mooie geile geschoren kop!"

Stan de Jong

Na de dood van Fortuyn op 6 mei 2002 verscheen dit commentaar samen met de column alsnog in het opinieweekblad HP/De Tijd.


Filip DeWinter van het Vlaams Blok was even te gast in Nederland. Nu, hij heeft het geweten! Het NOS-programma Buitenhof had hem gevraagd te verschijnen voor een interview. Nauwelijks gezeten, wordt hij aangevallen en besmeurd met chocolade, en ook daarna gaat het getrek en geduw nog even door. Interviewer Peter van Ingen springt niet tussen belagers en slachtoffer, maar stelt zich terzijde op. Vervolgens wordt door collega-actievoerders voor het raam van de studio zoveel vuurwerk afgestoken dat van een studiogesprek geen sprake meer kan zijn. Sterker nog, Dewinter moet het vege lijf redden en laat zich met een politiebusje afvoeren. De camera zoemt vervolgens in op de verschrikkelijk toegetakelde BMW van Dewinter en signaleert op de achterbank van Dewinters auto zeer nadrukkelijk een boek getiteld De moeder van Rudolf Hess. Ik ken dat boek niet, maar het is duidelijk welke boodschap de NOS ons mee wil geven: deze man deugt niet, dat is een fascist!

Zelden heb ik zoites lafs gezien. Een door velen belaagde man en de NOS die niet over dat feit verontwaardigd is en haar gast te vuur en te zwaard verdedigt, maar laat zien dat de man niet deugt en dus terecht op deze wijze wordt behandeld, zo is de beeldsuggestie.
Voor de actievoerders natuurlijk geen goed woord. Met een overmacht iemand maltraiteren en daarbij methoden gebruiken die fascisten en nazi's niet vreemd waren. Letterlijk Dewinter de mond snoeren, hem fysiek bedreigen en zijn eigendommen zwaar beschadigen. De politie was uiteraard in geen velden of wegen te bekennen, en op een enkele moedige studiomedewerker na mocht Dewinter het zonder NOS-steun stellen, integendeel!

De politie weet in dit land nooit iets als het gaat om links geweld, laat staan dat de BVD iets weet, en ook hier zullen de daders wel niet worden gepakt. De aanslag op de vriendin van Janmaat (CD), waarbij zij een been verloor, is nooit opgelost, en van enige schadevergoeding van overheidswege is nimmer sprake geweest. Elke boer die in dit land kampt met van de natuur gegeven wateroverlast kan op schadevergoeding rekenen; een rechtse politicus als Janmaat mag rekenen op een terugvordering van subsidies van de staat omdat de publicaties van zijn politiek wetenschappelijk bureau niet wetenschappelijk genoeg zouden zijn. Alsof die van de PvdA, de VVD, het CDA, laat staan van D66, dat wel zijn. In een wetenschappelijk jasje verklede propaganda, meer is het niet. Janmaat wordt gewoon nog even met terugwerkende kracht getreiterd, door het roemruchte poldermodel. De Rara-acties tegen de Makro, waarbij menige Makro in vlammen opging - reden voor de familie Fentener van Vlissingen om de boel maar te verkopen - acties van dierenvrienden tegen veevervoerders die hun vrachtauto's in vlammen zagen opgaan en acties tegen de Shell-pompstations (in verband met de terechte afzinking van de Brent Spar in de Atlantische oceaan), brandstichting en het doorsnijden van slangen en dergelijke: nooit opgelost, ondanks die grote bek van de BVD (u weet wel, die Docters van Leeuwen) dat zij precies wisten wie achter de acties zaten. Ook de aanslag op de toenmalige staatssecretaris van Asielbeleid, Aad Kosto (PvdA), is nooit opgelost.

Ondertussen zijn kabinet en Kamer weer bereid om deze incompetente lieden, Openbaar Ministerie, politie en BVD voor hun fantastische werk voor de zoveelste keer vele tientallen miljoenen toe te schuiven. Vrouwe Justitia behoort blind te zijn, maar is dat allerminst. Op inspraakavonden voor de oprichting van een asielzoekerscentrum in het een of andere gehucht in Nederland, met camera's aanwezig om mensen die zich onzorgvuldig uitlaten te kunnen beschuldigen van discriminatie en te vervolgen , maar bij Filip Dewinter niet preventief aanwezig zijn. Mensen van de zogenoemde autonomen die zich in de Volkskrant met naam en toenaam bekend maken, mogen mij en de Elsevier op griote affiches afbeelden naast een genoeglijk portret van Hitler. Het OM doet niets; daar moet je maar tegen kunnen! Ik had wel eens willen weten wat er gebeurd was indien ik niet toevallig wit, maar gewoon lekker zwart was!

Pim Fortuyn, september 2000

Bonnefantenmuseum Maastricht


Een weekeinde in Maastricht doorgebracht, de enige Nederlandse stad van het goede leven. Winkels vol met mooie en smaakvolle spullen, een fantastisch horecawezen met voor elk wat wils, vrolijke mensen en bovenal een stad die er on-Hollands schoon en verzorgd uit ziet. Het lijkt Brussel, Parijs of Antwerpen wel. Natuurlijk in pocketformaat, het blijft wel Nederland!

Op de terreinen van de vroegere keramiekfabrieken van Regout aan de borders van de Maas, verrijst nu een hele nieuwe wijk. Een interessante plaats. Hier was een van de eerste grote Nederlandse industrieën gevestigd, met alle daarbij behorende ontsporingen van dien.

Lage lonen, kinderarbeid, moordende - en dat letterlijk - arbeidsomstandigheden. Meneer Regout placht tegen meneer pastoor te zeggen: houdt jij ze dom, dan houd ik ze arm! Uitgerekend op deze plek wordt een chique wijk van kantoren, winkels, bedrijfjes en woningen gerealiseerd van een architectuur waar je van moet houden, maar karakteristiek is het zeker. Je zou willen dat de arbeiders en kinderarbeiders van toen er nu een kijkje konden nemen, ze zouden hun ogen niet geloven.

In deze wijk staat ook het in de pers luid geprezen Bonnefantenmuseum. En wat een deceptie! Het ontwerp kan ermee door, hoewel het een uitermate armoedige uitstraling heeft. Maar licht en ruim is het wel. De afwerking is echter erbarmelijk, het museum ziet er nu al afgetrapt uit. Van schoonmaken en met liefde je gebouw behandelen, hebben directie en personeel nog nooit gehoord.

Het begint al bij de entree, een regelrechte vuilnisbelt, waar uitermate vieze hardstenen trappen de bezoekers heen leiden. En dan de collectie. De oude collectie heeft nog wel wat, zij het dat de getoonde kunst wel erg provinciaal is en niet uitstijgt boven de middelmaat.

Ronduit fantastisch is evenwel de collectie houten beelden uit de late Middeleeuwen en de vroege Renaissance. Er hangen de resten van een gekruisigde Christus, die je niet snel meer loslaten. Met name het gezicht van de Christus is van een diep lijden dat in je ziel snijdt. Wat kun je zoiets bewonderen en jaloers zijn op de onbekende kunstenaar die dat heeft weten te maken.

De collectie moderne kunst en de expositie (nota bene in samenwerking met de Tate Gallery) moderne kunst zijn een regelrechte ramp. Een partij kleutergefröbel zonder weerga, met natuurlijk de uitleg erbij wat dit amateurisme allemaal wel niet mag voorstellen. Het stelt nooit voor wat het voorstelt, neen, er ligt immer een buitengewoon diepzinnige gedachte aan ten grondslag. Van enig vakmanschap, dat in elk stuk van de oude collectie in ieder geval aanwezig is, blijkt helemaal niks. U en ik kunnen het ook in elkaar fröbelen, met dit verschil dat wij er ons voor zouden schamen iets dergelijks voor een groot publiek ten toon te stellen.

Het lijkt een teken van de tijd. Ik ben een groot kunstliefhebber en heb zelf een leuke collectie, ook van moderne kunst. Tekenend is dat ik de laatste jaren vrijwel niets meer aanschaf. Ik vind er gewoon niks aan en het gaat helemaal nergens meer over. De moderne kunst verkeert in een diepe crisis. De meeste kunstenaars zijn echt de weg kwijt en doen maar wat, doen vooral veel na van hetgeen we al zo vaak hebben gezien. Een boodschap hebben ze zelden, ons iets laten zien van wat we niet willen of niet kunnen zien is er niet meer bij en choqueren komt in hun woordenboek beslist niet meer voor.

Het is saai en voorspelbaar geworden en op zijn best vakkundig gemaakt. Ontroeren zoals met dat prachtige Christusgelaat is kennelijk iets voor de oude doos geworden. De zogenaamde kunstkenners, de kunstrecensenten in de media, hoor je hier niet over. Zij vinden het allemaal even mooi en spannend.

De directeur van het Bonnefantenmuseum verdient het zijn gebouw eigenhandig schoon te maken en wel iedere dag. Nog beter is het om hem gewoon op de keien te smijten. Dit is een museum, een bourgondische, verzorgde stad als Maastricht onwaardig!

Pim Fortuyn
Rotterdam 3 september 2000

Oma Borst


Er is heel wat afgeneuzeld over het glazen plafond waartegen carrièrevrouwen zouden botsen in hun strijd met de mannen om de hoogste posten in bedrijfsleven, collectieve sector en politiek. Er is zelfs een heuse commissie van de SER, die zich met deze onzin onledig moet houden. Inmiddels heeft onderzoek uitgewezen dat dit plafond helemaal niet bestaat, dat er nauwelijks vrouwonvriendelijke bedrijven zijn, maar ook dat met name vrouwen met een gezin hun prioriteiten anders leggen.

Velen van hen vinden de baan belangrijk, maar het gezin net iets belangrijker en hebben er dus niet alles voor over om de hoogste posities te bereiken. Intussen heeft dit rare gedoe wel de nodige schade aangericht. Eenieder kent ze, vrouwen die ver boven hun kunnen werken en deze positie nooit hadden bereikt als zij een man waren geweest. Maar ja, veel mannen zijn graag politiek correct, dus vooruit een vrouw, ook als deze niet beschikt over de kwaliteiten om de betreffende post te vervullen.

Een mooi voorbeeld van een benoeming van een onbekwame vrouw op een hoge post in de politiek is oma Borst van D66, vice-premier en minister van Volksgezondheid. Deze omhoog gevallen dame bakt er nu al zes jaar werkelijk niets van. Over ervaring beschikt zij inmiddels wel, want ze is zes aaneengesloten jaren minister van Volksgezondheid en het is regelrechte ramp.

Elke visie ontbreekt, het zorgveld en de politiek weten beslist niet waar deze mevrouw op afstevent met haar beleid. Elk beleid ontbreekt, ze doet maar wat en wiegt mee op de waan van de dag. Haar departement is al die jaren een chaos, wachtlijsten worden langer in plaats van korter, ondanks miljarden extra geld voor de zorg daalt deze tot een bedenkelijk niveau. Elk particulier ondernemersinitiatief in de zorg wordt door haar met weerzin begroet en dan met veel mitsen en maren toch toegelaten, niet een echte stimulans voor de beginnende zorgondernemer!

Hoe weinig gezag oma in het zorgveld heeft, moge blijken uit het optreden van de vereniging van ziekenhuizen. Deze organisatie vraagt onbeschaamd nieuwe miljarden om de wachtlijsten te doen verdwijnen, naast de honderden miljoenen die ze daarvoor al hebben gekregen en die nauwelijks resultaat hebben geboekt. Geeft oma de miljarden niet, dan mag zij, dat wil zeggen wij, stikken in haar wachtlijsten. Van haar is echter niet te verwachten dat zij, na de schavuiten over de knie te hebben gelegd, deze schaamteloze lieden subiet het gat van de deur wijst. Dat wordt weer eindeloos overleg met slappe ministeriële knieën en dan gaan ze weer naar huis met iets minder maar toch gauw een klein miljard van onze belastinggelden en geloof maar niet dat de wachtlijsten dan verdwijnen.

De monopoloïde bedrijfstak heeft gewoon belang bij wachtlijsten, dat houdt de spoeling lekker dun. Het enige dat echt helpt is geen geld meer geven en keiharde concurrentie toe laten. Dat zal de reguliere instellingen dit arrogante gedrag afleren en hen pressen een fatsoenlijk product af te leveren van hoog kwalitatief niveau. Van oma is dit niet te verwachten, oud en der dagen zat als zij is en bovenal onbekwaam. Onbekwaam als politiek leider van D66, als lijsttrekker, als vice-premier (wie heeft haar ooit in die rol gezien?) en tenslotte als minister van Volksgezondheid.

De vraag is echter hoe kan dit nu zo lang duren. Het antwoord is even simpel als onthutsend. Mevrouw Borst is een vrouw, vandaar, en bovendien is ze lid van een regeringspartij. Coalitiebelangen verhinderen het om het deze vrouw lastig te maken, laat staan aan de dijk te zetten. Men koopt het zaakje liever af door de zorgsector met nog wat miljarden te verblijden. De zorgsector is evenwel structureel dood en dood ziek, dat is dus goed geld naar kwaad geld gooien.

Maar wat geeft het, er is geld genoeg en is dat van u en mij, dus de PvdA wil ons dat ten behoeve van deze oma, waar velen letterlijk doodziek van worden, wel afhandig maken. Het is net als met een ziek bedrijf, meer geld levert geen beter product op, integendeel! Men zal de zorgbedrijfstak eerst gezond moeten maken en daarna kan er eventueel meer geld gegeven worden. In deze volgorde en niet anders!

Pim Fortuyn
Rotterdam 10 september 2000

Het kwartje van Kok


Nederland heeft, zeker in vergelijking met landen als Frankrijk, Engeland en België, maar een heel klein beetje op zijn kop gestaan. Het protest van de vrachtrijders en uiteraard de onvermijdelijke taxichauffeurs tegen de hoge dieselprijzen verliep geheel in het kader van het roemruchte poldermodel. Een beetje actie en veel overleggen, met name met de regering.

Het akkoord dat er nu ligt (ongeveer vijfhonderd miljoen gulden aan compensatiemaatregelen), laat u en mij vrolijk in de kou staan en helpt de branche tijdelijk. En uiteraard is de regering niet gezwicht voor de acties, stel je voor dat de straat regeert! Na de al maar stijgende olieprijs en dus ook die voor benzine en diesel en vanwege de koppelingen ook die van LPG en aardgas, liepen de beroepschauffeurs in Europa hier tegen te hoop en kon het grote zwarte pieten beginnen. Het was de schuld van de hoge koers van de dollar ten opzichte van de euro, de olieprijs gaat wereldwijd in dollars, van de olie producerende landen verenigd in de Opec en tenslotte van de oliemaatschappijen en van de regeringen die de accijns op brandstof gelijk op laten gaan met de prijsstijging van de brandstof.

Behoudens van de oliemaatschappijen is het allemaal waar. De hoge koers van de dollar maakt brandstof in de EU duur, de Opec houdt stelselmatig de productie van olie krap en de regeringen incasseren met gulle hand de belachelijk hoge accijns op benzine. Daarnaast is er in ons land nog een feitelijk kartel van de grote oliemaatschappijen waardoor de brandstofprijs hier het hoogst is.

Aan de koers van de dollar valt weinig of niets te doen, aan het kartel van grote oliemaatschappijen wel door nieuwe toetreders op de markt toe te laten met name op het terrein van de distributie, bijvoorbeeld supermarkten en kleine zelfstandige pomphouders niet gebonden zijn aan een merk. De Opec voert de productie nu iets op en aan de brandstofaccijnzen valt natuurlijk heel veel te doen. Die zijn in alle landen belachelijk hoog en te vergelijken met die belachelijk hoge accijns op rookwaren.

In Nederland komt daar nog eens het kwartje van Kok bovenop. Een kwartje ingevoerd ten tijde van het derde kabinet Lubbers toen Wim Kok (PvdA) nog minister van Financiën was. Dat kwartje werd toen ingevoerd om het financieringstekort van de overheid enigszins terug te dringen. Een toen al rare maatregel, omdat hier gewoon een bepaalde groep werd uitgekozen ter bestrijding van een algemeen probleem. Een belastingmaatregel had meer voor de hand gelegen, maar dit was gemakkelijker en riep minder publieke weerstanden op.

Inmiddels is het financieringstekort omgeslagen in een overschot en begint aanstaande dinsdag, op Prinsjesdag, het met miljarden over de balk smijten. Het had zeer voor de hand gelegen om dit kwartje nu af te schaffen, maar Kok wilde daarvan niet weten omdat toentertijd nooit zou zijn gezegd dat het om een tijdelijke maatregel ging. Daarnaast zijn de regeringen van de EU van mening dat de Opec alleen maar aangemoedigd zou worden de schaarste te continueren, indien de accijns op brandstof omlaag gaat en dus zou de consument er niets beter op worden en de overheid alleen maar armer. Dat gaat ervan uit dat het rijke westen helemaal geen vuist kan maken naar de Opec en dat is natuurlijk nonsense. De Opec-landen zijn op velerlei terreinen economisch zeer afhankelijke van het rijke westen, dus zo moeilijk is dat niet .

Intussen trekt Kok zich niets aan van het parlement en de mensen in het land. Hij gaat door met grossieren in arrogantie en ja u vindt het schitterend. De man schijnt volgens de opiniepeilingen - en die vult u echt zelf in - razend populair te zijn. Dus op naar nog vier jaar, moet u maar denken en dan komt deze hoogmoedige vanzelf door eigen toedoen ten val!


Pim Fortuyn
Rotterdam 17 september 2000

Het Goede Leven


Carros is bij uitstek een tijdschrift, dat gaat over het goede leven. Veel succesverhalen en natuurlijk al het moois dat de auto-industrie te bieden heeft: nu en in het verleden. De redactie doet zijn uiterste best het verhaal van de auto te presenteren in een prettige omgeving. Voor de meeste van ons is dat iets om over te fantaseren. Die mooie huizen zijn niet van ons, het tentoongespreide, ontspannen leven in luxe is hooguit weggelegd voor de vakantie en ook die vele mooie bolides zijn niet allemaal even bereikbaar. Het is wel heerlijk om over dit alles te lezen en er even bij weg te dromen. Dat neemt niet weg dat er een groeiende klasse aan nieuwe rijken is die zich dit alles wél kan permitteren en voor wie dit alles dagelijkse werkelijkheid is. Roel Pieper, de huidige e-commerce-goeroe bijvoorbeeld, is geboren en opgegroeid in een Vlaardingse duplexwoning als zoon van een technisch instructeur van een autofabrikant, en heeft zich door hard werken zijn huidige status kunnen verwerven. Hij behoort tot de nieuwe rijken, met een groot landgoed in Aerdenhout, een mooi tweede huis in een warm oord en een groot zeil jacht met een vaste, twintigkoppige bemanning. Hij is niet opgehouden met werken, maar reist de hele wereld rond om niet alleen het e-commerce-evangelie te prediken, maar het ook in de praktijk te brengen. In een mooi artikel in HP/De Tijd wordt dit enerverende leven in kaart gebracht. Toch was voor mij het meest aansprekende moment in dit portret het moment waar zijn moeder in beeld komt. Een nuchtere vrouw met een bijzondere levenswijsheid. Ze vond het natuurlijk mooi, al dat succes van haar zoon, en was daar ook als rechtgeaarde moeder trots op, maar maakte zich ook grote zorgen over al dat harde werken en die zucht naar succes. En dan komt de afmaker: “Waar ik me zo aan kan ergeren, is dat hij het alleen maar heeft over het succes in zijn leven, de moeilijke momenten die elk leven kenmerken, komen nooit ter sprake en daar zou hij in de publiciteit wel eens wat aandacht aan mogen besteden.” En zo is het maar net!

De ongekende welvaart in een groot deel van de westerse wereld doet ons graag de ogen sluiten voor de moeilijke momenten in een- ieders leven. Het is niet alles goud wat er blinkt. Aan de buitenkant kan een leven jaloersmakend succesvol zijn, terwijl achter de façade het nodige leed schuilgaat. Dat hoeft nog niet eens betrekking te hebben op ziekte, dood of liefdesverdriet, maar gewoon omdat het bezit van de zaak maar al te vaak het einde van het vermaak betekent. De vreugde van de eerste auto, bijeengesprokkeld met spaargeld en een leninkje. wordt zelden geëvenaard door die van alle gemakken voorziene bolide.
Mijn eerste schilderij, gekocht toen ik student was, met als ‘straf een paar maanden brood met pindakaas, is nog altijd mijn dierbaarste schilderij, terwijl het zeker niet het kostbaarste en mooiste is, De eerste keer dat er iets van mijn hand in druk verscheen, mijn eerste artikel, mijn eerste boek, het is daarna nooit meer diezelfde trots en vreugde geworden Integendeel, het behoort tot mijn werk en daarmee tot de gekende omgeving.
Velen van ons leven in een wereld van overvloed, waarin wij onze wensen - mits we het niet te dol maken natuurlijk - centraal kunnen stellen en ze meestal direct of op enige ter kunnen vervullen. Veel van onze drive verdwijnt daardoor en daarmee natuurlijk ook de vreugde van het genieten als we het hebben bereikt. Ongelukkig word je daar natuurlijk niet van. Een comfortabel leven, dat niet geplaagd wordt door materiële zorgen, is zonder meer een prettig leven. Een gelukkig en zinvol leven krijg je er echter niet door, hooguit legt de materiële welvaart daarvoor een basis. Zingevingvraagstukken worden steeds belangrijker in ons hedonistische bestaan. En ja, daar gaat het eigenlijk zelden over. Wat is de zin van ons zijn hier, nu en in de toekomst? Brrr. Velen lopen daarvoor weg en dat wordt ons ook gemakkelijk gemaakt. Er is veel vermaak, er valt hard te werken, er valt eindeloos te consumeren, er zijn zo veel manieren om de zinnen te verzetten, zo veel zelfs dat het moeilijk kiezen is. Maar voor sommigen houdt al dat hollen, verpozen en de gedachten verzetten ineens op. De aanleiding kan een tragische of dramatische zijn, maar er kan ook geen enkele directe aanleiding zijn. Het is zomaar op en dan moeten we, of we dat willen of niet, er aan gaan staan en ons verdiepen in de zin van ons bestaan.
Eenvoudig is dat niet, zeker als men niet gelovig is en dus niet kan terugvallen op een traditie van zingeving. Men zal deze dan bij zichzelf moeten zoeken, in eigen bronnen, waarover ieder mens gelukkig kan beschikken. Dat vergt echter stilte, geduld, leegte en de bereidheid om te luisteren naar de stemmen uit die bronnen. Als dat proces goed verloopt, wordt de leegte ruimte, waarin zich nieuwe dingen kunnen ontwikkelen en de zin van het bestaan verder tot ontplooiing kan komen. Het proces zelf is een moeilijke, en veelal ook met angst en onzekerheid beladen periode. Daar kan ik inmiddels over meepraten. Dit keer dus geen overpeinzing in de donkere dagen voor de Kerst, maar gewoon in hartje zomer. En ja, wat doet dat er ook toe, een beetje tegengas temidden van al dat moois en succes kan geen kwaad, moet u maar denken.

Gepubliceerd in Carros. 7e jaargang nr. 4, september / oktober 2000

Crisis in de politiek


De politiek is het spoor goed bijster. Het gesprek met de kiezer is volledig verstomd. Politiek lijkt die kiezers ook niet meer te kunnen schelen. De grote welvaart maakt het ook allemaal wat minder urgent. Iedereen kan zich over het algemeen goed redden en laat de politiek de politiek. Dat neemt niet weg dat de politiek nog steeds een belangrijke plaats inneemt in de samenleving. Het gehele publieke domein en vele vormen van diensten in de collectieve sector zijn vrijwel exclusief toevertrouwd aan de politiek en de daaraan gelieerde ambtelijke diensten en uitvoeringsinstellingen. De burger heeft er dagelijks mee te maken.

De ontevredenheid over de dienstverleningsproducten in de collectieve sector is intussen groot. Of we het nu hebben over de politie, de spoorwegen, het openbaar bestuur, het onderwijs of de gezondheidszorg, overal beantwoordt het aanbod onvoldoende aan de vraag. De dienstverleners beseffen dat ook zelf en stemmen met de voeten. Het is moeilijk om personeel te krijgen, het ziekteverzuim is dikwijls hoog en de toestroom tot de WAO gestaag. Het is geen abrupte crisis, maar meer een soort veenbrand die voortwoedt. De sterk vertechnocratiseerde politiek reageert daar wel op met noodverbanden, maar verwoordt het crisisgevoel en het gevoel van urgentie niet. Het is een vreemde gewaarwording, een bloeiende economie en een verpieterende collectieve sector die geen grote politieke emoties weten op te roepen. Dat hier iets wringt, werd onlangs duidelijk in de grote verkiezingsoverwinning van Leefbaar Utrecht, die wellicht zijn vervolg zal krijgen in een landelijke partij bij de kamerverkiezingen van 2002.

Het politieke establishment reageerde met een 'ze komen er nog wel achter wat het betekent om te regeren'. De winst van Leefbaar Utrecht werd niet opgevat als een teken dat er wellicht iets schort aan het gesprek met de mensen in het land. Integendeel, Leefbaar Utrecht en al die andere plaatselijke leefbaarheidspartijen worden in hun ogen geleid door populisten. En een populist is zo ongeveer het ergste wat een politicus van de gevestigde orde kan zijn. Als een populist verwoordt wat er onder een deel van de burgers leeft, dan zou je denken dat hij een bijdrage levert aan een levendige politieke democratie en dus verwelkomd moet worden. Maar nee, de populist wordt gezien als een bedreiging voor het politieke debat in plaats van als een verlevendiging daarvan, laat staan dat zijn bijdrage serieus wordt genomen.

In tal van columns heb ik aangestipt dat de belevingswereld van de politiek steeds verder af komt te staan van die van de mensen in het land. Keer op keer heb ik uitgelegd wat de oorzaken daarvan zijn. Het valt allemaal samen te vatten in een tekort aan levende democratie: bestuurders, regeerders en gekozenen verwerven geen direct mandaat van de kiezer. Regeerders en bestuurders worden niet rechtstreeks gekozen, maar benoemd en het merendeel der volksvertegenwoordigers verwerft zijn zetel op de slippen van de lijsttrekker. Bij het grote publiek zijn de meesten niet bekend. Het publiek weet dan ook niet wat zij doen en wat voor politieke standpunten zij innemen.

Voor de meeste volksvertegenwoordigers in gemeenteraden, provinciale staten en parlement is het belangrijker de steun van de partijleiding te verwerven dan die van de kiezer. Want de partijleiding bepaalt wie voor een nieuwe kans in aanmerking komt of wordt benoemd op een mooie bestuurlijke functie. De kiezer heeft daarover niets te zeggen. De partijleiding wordt vervolgens door niemand meer gecontroleerd, aangezien de meeste partijen een zieltogend bestaan leiden en de interne partijdemocratie hebben afgeschaft. Kortom, de burger is op een hele grote afstand geplaatst en reageert met een flinke portie ongeïnteresseerdheid.

In de tweede helft van de jaren zestig van de vorige eeuw deed zich, zij het onder andere omstandigheden, een soortgelijke crisis voor in de politiek. D66 ontleende daar haar geboorte aan en de PvdA maakte er zich de woordvoerder van. Het gevolg was verlevendiging van de politiek, grote publieke betrokkenheid en polarisatie. En meer in het algemeen: de gevestigde politieke circuits werden opengebroken. Zo goed en zo kwaad als het ging binnen de bestaande politieke instituties werd een grotere mate van inspraak bereikt van geïnteresseerde burgers. In de jaren tachtig kwam de terugslag, onder druk van een slepende economische crisis. Inspraak werd opzij gezet om de staatsfinanciën op orde te kunnen brengen. Strenge regeerakkoorden creëerden een feitelijk monisme en de politiek verwerd tot een technocratische aangelegenheid met als voorlopig hoogtepunt Paars, waarin de politieke tegenpolen, VVD en PvdA, samen regeren in een coalitie van nationale eenheid.

Wat nu opbreekt, is dat in de jaren zeventig de politieke instituties niet drastisch zijn hervormd, zodat regeerder, bestuurder en volksvertegenwoordiger een rechtstreeks mandaat kregen van de kiezer. In tegenstelling tot de jaren zestig en zeventig lijkt de politiek nu niet in staat om zich uit het isolement te bevrijden en de dialoog met de kiezer te herstellen. Dat is een brisante situatie. Het is denkbaar dat dit niet goed blijft gaan. De samenleving en de economie democratiseren en individualiseren in een steeds hoger tempo. Het publieke domein daarentegen ontdemocratiseert feitelijk in hetzelfde tempo. Dat levert een onmogelijke spagaat op. Het zou al heel wat zijn als de gevestigde politieke orde zich dit zou realiseren en de weg opent naar directe kiezersmandaten voor volksvertegenwoordigers, regeerders en bestuurders.

Door Pim Fortuyn - Elsevier

Israël


Het conflict tussen Palestijnen en Israëliërs zit muurvast. De president van de Palestijnen, Yasser Arafat, heeft nu wel bewezen dat hij het in eigen land niet meer voor het zeggen heeft.
Staatsmacht en staatsorganen zijn in dat land virtuele entiteiten. Ze bestaan gewoonweg niet en van een parlementaire democratie en een rechtstaat is al helemaal geen sprake. Het land wordt beheerst door elkaar ten dele bestrijdende benden, waarvan die van Arafat er één is, niet meer en niet minder.
De situatie toont sterke gelijkenis met die in Afghanistan of Somalië. Centraal gezag wordt feitelijk niet erkend, zo nu en dan is er een soort Godsvrede tussen de rivaliserende benden en hun hoofdlieden. Arafat is dus president van niets, maar wel de man waarmee de onderhandelingen over vrede moeten worden gevoerd.

Een volstrekt zinledige operatie. Hoezeer dat het geval is, is wel gebleken in de nadagen van president Clinton van de VS. Clinton heeft zich in de laatste maanden van zijn ambt, in het najaar van 2000, grote inspanningen getroost om tot een definitieve vredesregeling te komen tussen Israël en Palestina.
De toenmalige premier van Israël, Barak (Arbeiderspartij), was bereid het akkoord in zijn land door middel van verkiezingen te verdedigen. Arafat zag daar op het laatste moment van af en verwierp de regeling, waarna de tweede intifadah van start kon gaan. Gevolg daarvan was dat Barak de verkiezingen in Israël verloor en de macht kon overdragen aan Likud premier Sharon, een oud generaal en erkende hardliner. Welke rol Arafat zelf daarin heeft gespeeld is duister. Heeft hij gedacht met het verwerpen van het akkoord en het opstarten van de tweede intifadah er meer uit te kunnen slepen? Het zou kunnen, hij heeft dat kunstje vaker geflikt, maar het hoeft niet. Het kan ook gewoon zo zijn dat het hem door de fundamentalisten in zijn eigen gelederen (Al Fatah) en daarbuiten (Hamas en Yihad) te verstaan is gegeven dat dit akkoord voor hen volstrekt onaanvaardbaar is.

Hete hangijzers zijn en blijven de status van Jeruzalem en de terugkeer van de Palestijnse vluchtelingen, na meer dan vijftig jaar, naar hun voormalige woonsteden in Israël. Nu is aan die status van Jeruzalem nog wel een mouw te passen, maar de terugkeer van Palestijnse vluchtelingen is nu wel volledig onbespreekbaar geworden. Dat zou alleen kunnen op basis van vertrouwen. Dat vertrouwen ligt, voor zover het er al was, volledig aan diggelen na al die bloedige en uitgekookte zelfmoordaanslagen. De Palestijnse fundamentalisten kiezen er strijk en zet voor om de Israëlische burger te treffen als hij uitgaat of aan het winkelen is of zich beweegt in het openbaar vervoer. Het gevoel van veiligheid van de Israëlische burger is tot op de wortels toe aangetast. In zo’n klimaat kun je onmogelijk verwachten dat men accepteert dat de vluchtelingen terug kunnen keren naar huis en haard. Het is teveel gevraagd om je eigen moordenaar te moeten verwelkomen. Er is geen enkele garantie dat deze mensen zich ooit zullen gedragen als burger van de staat Israël.
Integendeel, het is realistischer te veronderstellen dat Israël met deze vluchtelingen een vijfde colonne binnenhaalt, die maar een doel heeft: de joden te verdrijven uit Israël.

In mijn boek "Vijftig jaar Israël, hoe lang nog?" ( 1998 ), laat ik door middel van kaartjes zien wat voor een rare gatenkaas de verdeling van Palestina tussen Joden en Palestijnen, op basis van de tot nu toe gesloten akkoorden, oplevert. Elk zinnig mens kan maar tot één conclusie komen, jongens en meisjes sticht a.u.b. een federale staat met een Palestijns en een joods deel, waarin jullie samenleven op dit kleine stukje grondgebied. Dat zou kunnen indien de aanhangers van de moderniteit in Israël en Palestina het alleen voor het zeggen had.
Helaas zo is het niet, aan beide zijden hebben fundamentalisten een wurgend grote invloed. Die fundamentalisten weten van geen wijken en stellen dat op grond van hun godsdienst dit land hen door God zelf is gegeven. Alsof God zich zou verwaardigen zich daarmee ooit te bemoeien. Door dit geloofsaspect is er in rede geen oplossing te vinden. Zij kennen maar één oplossing en dat is de uitvoering van Gods wil. Probleem is echter dat God kennelijk heeft gesproken op basis van een dubbele agenda. Hij heeft het land als het ware twee keer weggegeven, één keer aan de joden en één keer aan de Palestijnen. Dat is niet zo handig geweest van God, want nu zitten wij met de gebakken peren.

De oplossing zal nu langs andere wegen moeten worden gezocht. Het eerste dat er moet gebeuren, hoe onvoorstelbaar ook, is dat aan Palestijnse zijde alle partijen aan tafel komen zitten, dus inclusief de politieke takken van Hamas en Yihad. Dat wordt een hele zware dobber.
Israël zal dat moeten accepteren en Hamas en Yihad zullen moeten worden overgehaald. De logica van een duurzame vredesregeling dwingt er echter toe, zoals ook de ervaring er inmiddels toe dwingt. Het heeft geen zin om alleen met Arafat aan tafel te gaan zitten, als de echte beslissers op de achtergrond blijven.
Weet men zo ver te komen, dan is het verstandig om de huidige gatenkaas rigoureus aan te pakken en door middel van de uitruil van grondgebied aaneengesloten stukken land te verkrijgen, opdat men zich kan ophouden achter verdedigbare grenzen. Dat betekent ontruiming van joodse nederzettingen op veroverd gebied, niet meer en niet minder. Resultaat is wel een goed verdedigbaar Israël en men voorkomt daarmee allerhande gewapende wrijving tussen joden en Palestijnen.

Enfin, nog een lange weg te gaan, waarbij wij in Europa twee dingen dienen te beseffen.
Ten eerste dat de joden nu al meer dan vijftig jaar de moderniteit, onze cultuur dus, aldaar met hand en tand verdedigen.
Ten tweede dat aan de staat Israël mede ten grondslag ligt die inktzwarte bladzijde uit onze geschiedenis, de Holocaust. Het wordt tijd dat premier Kok (PvdA) na de ostentatieve ontvangsten van Arafat op het Catshuis, nu premier Sharon van Israël maar eens uitnodigt voor een uitgelezen diner op het Catshuis, om daarmee de vriendschap van Nederland met Israël stevig te onderlijnen.
In tijden van nood leert men tenslotte zijn vrienden kennen!

Chantage


De Kamer is uiteindelijk gezwicht voor de chantagepolitiek van turbo-Tineke (Netelenbos, PVDA), minister van Verkeer en Waterstaat. Het was kantje boord, maar ze heeft het gehaald door de VVD-fractie binnenskamers te dreigen met het opblazen van de coalitie De VVD stond ook niet sterk. In het regeerakkoord van Kok II had de partij zich gebonden aan het rekeningrijden, maar bovendien was het hele zaakje al voorbereid in Kok I door de ambtsvoorganger van Netelenbos, mevrouw Jorritsma (VVD), momenteel vice-premier en minister van Economische zaken.

Inhoudelijk en politiek-maatschappelijk stond de VVD natuurlijk wel sterk. Nimmer is aangetoond dat tolheffing tijdens de spits aan de randen van de vier grote steden ook maar iets zal bijdragen aan de oplossing van het fileprobleem. Het wordt ook nergens elders in de wereld vertoond. Grote steden werken nergens met tolheffing, eenvoudigweg omdat het niet werkt. Tol wordt geheven op grote doorgaande routes en dan wordt er bovendien een alternatief geboden van tolvrije wegen, die uiteraard minder snel en efficiënt zijn. Aan de automobilist de keuze: snel en filevrij en daarvoor extra betalen, of minder snel en dan is de weg vrij van heffingen.
Nederland is naar zijn aard nauwelijks ge schikt voor tolheffingen. We kennen geen grote doorgaande routes - daar is het land te klein voor - en bovendien is het land dusdanig overbevolkt en verstedelijkt dat je beter kunt spreken van een stadstaat dan van een land.
Uit publieksonderzoek en uit de publieksacties van de ANWB blijkt ondertussen dat de bevolking massaal tegen rekeningrijden en tolheffing is. Maatschappelijk is er dus geen enkele basis voor. Zelfs werkgeversorganisaties verzetten zich legen dit dwaze plan, terwijl zij er groot belang bij hebben dat het fileprobleem wordt opgelost. Ook de besturen van de vier grote steden voelen er niet voor. Maar Tineke wist raad: zij strooide met 10 miljard gulden voor extra grootstedelijke infrastructuur, stelde hij invoering een premie per stad van 250 miljoen in het vooruitzicht en beloofde de steden de inkomsten van de tolheffing tijdens de spits. Voorwaarde was natuurlijk wel invoering van de spitsheffing, anders konden de vier grote steden fluiten naar al dit geld. Voor zoveel financiële druk gingen de stadsbesturen uiteraard door de knieën, nu de gemeenteraden en regioraden nog. Als tegenprestatie moet Tineke wel toestaan dat de stadsbesturen alle alternatieve routes onaantrekkelijk maken, dat wil zeggen door ook daar tijdens de spits tol te heffen. Gedurende de spits kan dus straks niemand meer per auto de grote steden in of uit zonder te betalen. Een overheidsdwingelandij, die - terecht - nergens wordt vertoond! Het is een complete minachting van de autorijdende burger. Gedurende een groot aantal uren van de dag wordt hij óf gegijzeld óf moet hij betalen.
Het weerzinwekkende in de Haagse politiek nu is, dat dit alles kennelijk geen enkel gewicht in de schaal legt. De overgrote meerderheid der burgerij is tegen, hun belangenorganisaties zijn tegen, de stadsbesturen zijn feitelijk tegen en toch wordt de spitsheffing doorgezet, Met democratie heeft dit alles niets van doen, met dictatuur des te meer. Zeker indien wordt bedacht dat er feitelijk ook geen Kamermeerderheid voor te vinden is. Slechts coalitiedwang bewerkstelligde een nipte meerderheid. Dat zegt overigens veel over die Kamerleden. Wie zwicht er als gekozen volksvertegenwoordiger nu voor coalitiedwang? Het mandaat is gegeven door de kiezer en niet door de partij of de regeringscoalitie. Een echte volksvertegenwoordiger volgt in dezen zij geweten en handelt zonder last of ruggespraak!
De eerste slag heeft Netelenbos met haar chantagepolitiek nu binnen. De afloop is echter uiterst onzeker. De gemeente. en regioraden moeten nog door de bocht en als dat rond is, ligt de daadwerkelijke uitvoering op het bordje van het volgende kabinet. Tussen Kok u en dat volgende kabinet liggen verkiezingen. U kunt dus van uw democratisch recht gebruik maken en op de valreep dit onzalige plan van tafel werken. Voorwaarde is dan wel dat een van de grote politieke partijen het verhinderen van de spitsheffing in zijn verkiezingsprogramma opneemt, zodat u tenminste weet waarop u moet stemmen. Het zal mij benieuwen of VVD en CDA daartoe bereid zijn.

Gepubliceerd in Carros, 7e jaargang nr. 6. januari /februari 2001

Een scenario voor een recessie ligt op tafel


 Er worden momenteel zowel in de particuliere als in de collectieve sector behoorlijke looneisen gesteld. Gemiddeld zeker zo'n 5%, de secundaire voorzieningen daarbij nog niet opgeteld. Met name die secundaire voorzieningen beginnen een steeds substantiëler onderdeel uit te maken van de totale kosten van de inzet van arbeid. In een onderneming zijn kosten, kosten, dus maakt het relatief weinig verschil uit of deze worden gemaakt voor directe stijging van de loonkosten of voor de secundaire voorzieningen.

Paars is momenteel bezig daar een voorziening van WAO-allure aan toe te voegen. Een 'open einde' regeling die het bedrijfsleven op den duur aardig op kosten kan jagen en behoorlijk ontwrichtend kan werken op de effectieve inzet van de beschikbare arbeid. En dat in een land dat al zo'n lage effectieve inzet kent. Met andere woorden er wordt nu een regeling gecreëerd die de schaarste aan arbeid over de gehele linie nog schaarser en dus duurder zal maken. Het handelt hier om de verlofregeling van de staatssecretaris voor emancipatie, mevrouw Verstand (PvdA). Ik houd niet van naamgrappen, maar de neiging daartoe moet ik in dit geval wel erg sterk onderdrukken.

Als Paars zijn zin krijgt dan krijgen werknemers van hoog tot laag een royaal bemeten, fiscaal gecompenseerd, recht op verlof voor het inspringen bij de verzorging van hulpbehoevende familieleden.

Eenieder begrijpt wat dit weer voor een gevolgen heeft voor wachtlijsten en hoe ondoordacht zo'n regeling is. Het beoogt de verzorging van hulpbehoevende te verbeteren, maar het gevolg zal zijn dat de echt hulpbehoevende op nog langere wachtlijsten worden geplaatst. Over de economische schade die een dergelijke regeling met zich meebrengt, wil ik het dan nog niet eens hebben. Iemand die royaal gebruik maakt van allerhande verlofregelingen, want van maathouden is inmiddels al lang geen sprake meer, zal zeker niet in zijn carrière mogen worden geschaad. Daar waakt de emancipatie staatssecretaris wel over! Zo gebeurt het nu al dat aan hun werk verknochte lieden, die niet op een uurtje extra kijken, niet alleen opdraaien voor de extra werklast die al die verlofgangers op hun schouders laden, maar daar ook nog eens geen voordeel van mogen hebben. Prestatiebeloning is voor de Nederlandse vakbeweging onbespreekbaar en de carrière mogelijkheden voor de werkezels en de verlofgangers mogen niet uiteenlopen, want dat levert discriminatie op, zoals u zult begrijpen.

We zijn hard op weg naar een economie en samenleving waar je inspannen en hard werken echt iets voor de dommen is. De vraag is natuurlijk of wij ons dat kunnen permitteren.
Het antwoord is nee, tenzij we geheel en al zijn losgezongen van onze eigen economische geschiedenis en we in staat zijn om uit niets iets te laten voortkomen en dat ook nog als vanzelf. Een soort perpetuum mobile, maar dan op economisch terrein. Historisch gezien lijkt de huidige situatie verdacht veel op wat we al een aantal keren eerder hebben meegemaakt. De kostenontwikkeling in het bedrijfsleven, maar ook in de collectieve sector, als het gaat om de factor arbeid in zijn primaire en secundaire voorwaarden, begint adembenemende vormen aan te nemen en dat precies op het moment dat er een kentering in de economische groei optreedt. Bovendien is het uit de cijfers duidelijk dat de arbeidskostenstijging nog maar ten dele wordt gecompenseerd door de stijging van de arbeidsproductiviteit. Stapel daar bovenop de relatief hoge inflatie van 4,5% en het klassieke scenario voor het stimuleren van een recessie ligt op tafel.

Je vraagt je af, leren we nooit iets? Opvallend bij dit alles is het grote stilzwijgen daarover in de polder. Werkgeversorganisaties hoor je hier niet over en ook de politiek houdt zich gedeisd. De minister van Sociale Zaken, Willem Vermeend (PvdA), die de bui kennelijk wel ziet hangen en daarover een ongerust briefje schreef naar de Stichting van de Arbeid kon zijn vet krijgen en mocht halfhartige steun noteren van het VNO-NCW.
Nu is dat laatste wel begrijpelijk daar deze werkgeversorganisatie ieder moreel gezag heeft verspeeld om op te roepen tot kostenmatiging inzake de factor arbeid. Het is precies deze organisatie geweest, die al die goudgerande optieregelingen, oprotpremies en salarisregelingen van het (top)management voortdurend heeft verdedigd. De stijgende beurskoersen waren immers aan hun inzet te danken, en ja, dat moest worden beloond, anders zouden ze weg lopen naar het buitenland. Dat het buitenland op de meesten van hen helemaal niet zit te wachten, zoals onderzoek uitwijst, doet er even niet toe. De vakbeweging heeft zich lang kunnen beheersen, maar kan dat nu, mede onder druk van de achterban, niet langer meer opbrengen. Het is het (top)management met hun graai en grabbel cultuur die dit zelf heeft uitgelokt, dáár ligt dus de morele verantwoordelijkheid.

De tol voor deze cultuur zullen we straks met zijn allen moeten betalen. Bedrijfssaneringen, sanering van de collectieve sector