Pim Fortuyn
Columns geschreven door Pim Fortuyn
De OV-Studentenkaart een blijvertje?
LSVb idealistisch en niet representatief clubje
Studenten als eeuwige consument
Gaan tevredenheid en creativiteit samen?
Het student is a-politiek vandaag aan de dag
OV Studentenkaart ten prooi aan milieuterreur
Studenten en politiek: stemadvies!
Herstructurering hoger onderwijs
Nieuwe financieringsvormen infrastructuur bittere noodzaak
Schaf de OV-Studentenkaart en Ritzen maar af!
Verveling is des duivels oorkussen
Student wordt definitief consument
Mobiliteit en aantal autokilometers groeien
De eeuw van de vrouw en de homoseksuelen
De hardheid van de auto-industrie
De shit van de nieuwe economie
Als het kalf verdronken is, dempt men de put
Ethische buitenlandse politiek
Een scenario voor een recessie ligt op tafel
Als één man achter de Amerikanen
Kok (PvdA) en De Hoop Scheffer (CDA)
Begrotingsdiscipline Melkert, sic!
Struikelende Justitie-minister
Premier Kok waarschuwt land voor Fortuyn
Toen ik in september 1988 aan het project voorde invoering van een openbaarvervoerskaart
voor studenten begon, had ik enige aarzeling moeten overwinnen. Ik had net
de deur van de universiteit achter me dicht gezwaaid en was de adviesmarkt
op gegaan. Betekende het vrije ondernemerschap voor mij dat ik me met zoiets
mallotigs als een OV-kaart voor studenten bezig zou moeten gaan houden? En
bovendien, zaten studenten daar nu wel op te wachten? Hieruit blijkt maar
weer eens hoe je je kunt vergissen in je eerste indrukken. De OV-kaart is
een groot succes geworden en studenten zaten daar inderdaad op te wachten.
Sterker nog: als de kaart vandaag wordt afgeschaft zullen veel studenten dat
buitengewoon vervelend vinden. En toch, ja staat dit verworven recht momenteel
op de tocht!
De invoering van de OV-kaart voor studenten is beslist niet van een leien
dakje gegaan. De politiek wilde haar – ja de kaart is een vrouw – dan weer
wel en dan weer eigenlijk niet. De NS waren aanvankelijk met haar in hun nopjes,
maar toen er een lucratiever aanbod van reizigers kwam – beter betalend en
zich naar NS-verwachting beter gedragend – wisten ze niet hoe snel zij deze
winkeldochter moesten lozen. De Informatiseringsbank ten slotte had genoeg
problemen aan haar hoofd om rechttoe rechtaan studiefinanciering te regelen.
Het scheelde niet veel of de bank was in het studiejaar 1988-1989 gekapseisd.
Deetman, toen nog minister van Onderwijs, was op zijn politieke intuïtie afgegaan
en had de gelukkige idee om voor de invoering van de OV-kaart voor studenten
een aparte BV op te richten. Daarmee hoopte hij de kaart veilig te stellen.
Immers met veel olifanten – O & W, NS overige vervoersbedrijven – in een
te klein hokje wil zo’n kaart wel eens een snelle dood sterven. Achteraf gezien
een gouden greep van die Deetman. Het was uiteindelijk de BV die het project
door haar vasthoudendheid – ja, ook de vennootschap is een vrouw – overeind
wist te houden. Alle politieke, technische en logistieke problemen werden
werkende weg overwonnen. Meer dan eens hing de BV en daarmee de OV-kaart voor
studenten aan een zijden draadje, maar zij is er gekomen. En hoe!
Vlak voor de introductie van de kaart hebben we een sociologisch onderzoek
laten doen naar de acceptatie van de kaart onder studenten. Met een beetje
goede wil konden we daaruit afleiden dat sommige studenten er blij mee zouden
zijn, een aanzienlijk aantal er helemaal niet op zat te wachten en dat het
een nog groter deel betrekkelijk onverschillig liet. Na de invoering begon
de kaart aan haar niet helemaal verwachte triomfmars. De weerstanden verdwenen
als sneeuw voor de zon, een enkele hardnekkige autofanaat niet te na gesproken.
Heden is de OV-kaart niet meer uit het studentenleven weg te denken. Vele
reizen worden ondernomen. Het is een va-et-vient bij evenementen. Of men gaat
zomaar op pad.
Toch staat de kaart op de tocht. De openbaarvervoersbedrijven willen er veel,
veel meer geld voor zien. O & W zegt dat niet te hebben noch te willen
geven. Zoals dat gaat in het goede vaderland bewegen varianten zich tussen
de afschaffing van de kaart en beperken van de kaart tot de reis van huis
naar onderwijsinstelling en weer terug. Een kaart van niks dus. En alsof dat
nog niet genoeg is: de OV-Studentenkaart BV dient plaats te maken voor de
Informatiseringsbank. Die gaat vanaf 1994 de kaart zèlf verstrekken . Dat
gebeurt dus even goed als het verstrekken van jullie studie-uitkering. Het
lijkt me tijd worden dat studenten zich gaan bemoeien met hun eigen kaart.
Voor dat je het weet is je kaart weer verdwenen of gereduceerd tot een onbetekende
trajectkaart.
Deze column is verschenen in Sum augustus 1992
Een dagje lekker zeilen op het IJsselmeer. ’s Avonds na het eten stappen.
Na wat cafés terecht komen in een goede disco met keiharde muziek. House naar
bleek. Mijn ogen uitgekeken. Het lawaai dat house voortbrengt is a-tonaal
en sterk ritmisch. Het werkt, als je er maar lang genoeg naar luistert, hallucinerend.
Je raakt in hogere sferen. Op die muziek wordt gedanst. En hoe! Voor sommigen
is house op zichzelf nog niet genoeg om in de juiste stemming te geraken.
Zij gebruiken XTC of als ze dat niet kunnen betalen dan zoeken ze paddestoelen
in het bos die ongeveer hetzelfde effect hebben. Toen ik nog jong was werd
je daar altijd voor gewaarschuwd. Paddestoelen zouden hoogst giftig zijn en
de kans was groot dat je de consumptie ervan niet zou overleven. Wij keken
dus wel uit!
De jonge mensen van nu laten zich dit soort wijsheden iets minder makkelijk
op de mouw spelden en gaan op onderzoek uit. En ziet, je sterft er niet van,
je wordt er slechts high van. Ik ben geen medicus dus ik wil geen uitspraken
doen over het gevolg van het gebruik van paddestoelen, maar toch. Onmiddellijk
dood ga je er kennelijk niet van. Weer een jeugd-mythe ontrafeld. Als men,
al dan niet met behulp van andere middelen dan house alleen, in de stemming
is geraakt dan begint waar het allemaal om te doen is: de house dans. Een
dans die je helemaal alleen en in jezelf gekeerd uitvoert. Je hebt contact
met niemand, ogen dicht en je gaat helemaal in jezelf op. Dit kan twintig
minuten duren, maar er zijn er die dat uren achtereen volhouden. Er wordt
flink gezweet, haren staan alle kanten op en sommigen maken het nog mooier
door te stuiteren, dat wil zeggen voortdurend ritmisch op en neer te springen.
Zeker niet goed voor je knieën en je hoofd, maar dat is melige dokterspraat.
In mijn tijd was de opperste vorm van dansen het slijpen. Dicht tegen elkaar
aangedrukt, al dan niet stijve pik tegen kut. Een vorm van protest tegen hetgeen
we geleerd hadden op onze dansscholen. Al naar gelang de geloofsrichting werd
de ruimte tussen de partners bepaald. Bij de gereformeerden bij voorbeeld
moest er ten minste een bijbel tussen kunnen en het al te nadrukkelijk betasten
van de ontblote bovenarm van je danspartner werd in katholieke kring al snel
gezien als een onzedelijke handeling. Dat slijpen was dus een grote vooruitgang
en daarna ging de beer helemaal los. Eind jaren zestig was het in bepaalde
kringen in de hoofdstad gebruikelijk een feest te geven, waar men zich bij
voorkeur van de kleren ontdeed. Daarna was het graaien wat je graaien kunt.
Volkomen terecht werden deze party’s dan ook aangeduid met groepsseksparty’s.
Nu in het AIDS-tijdperk haalt niemand dat meer, in deze onbekommerde vorm,
in zijn hoofd. We zijn sadder and wiser geworden. Maar ik denk wel eens, we
zijn ook eenzamer geworden. Meer alleen dan tien, twintig jaar geleden. Als
ik al die alleen dansende jonge mensen zie, die zich in zichzelf terugtrekken
met house en eventueel XTC, dan bekruipt mij een gevoel van intens medelijden;
net zoals wanneer ik die voor een spiegel met zichzelf dansende homoseksuelen
zie in d hoofdstedelijke IT. Zou het nu echt zo lekker zijn om zo heel alleen
door de wereld te gaan? En waar is die hooghartige afwijzing van de buitenwereld,
van de ander, op gebaseerd? Of is het de angst voor die buitenwereld, voor
die ander, die hen drijft naar dit zelfgekozen isolement? Of zijn het de vragen
van een oude zak die de nieuwe tijd niet begrijpt, net zoals mijn ouders dat
geslijp niet begrepen?
Deze column is verschenen in Sum september 1992
Er zijn dit jaar weer duizenden jonge mensen toegestroomd naar de grote en
wat kleinere steden. Allemaal net begonnen aan het eerste jaar van de studie
aan de universiteit of de HEAO, de HTS, het conservatorium of de kunstacademie.
Een enkeling heeft zich ingeschreven bij de Hogere Zeevaartschool, bij de
Marine of de Land- of Luchtmacht. Zij zitten nu in een internaat. Dat zal
best even wennen zijn, zo dicht opeen gepakt met een groep jonge mannen en
vrouwen met wie je van nu af vrijwel alles samen moet doen, van de studie
tot de afwas. De eerstejaars aan de universiteit en het HBO zijn voor het
overgrote deel op zichzelf gaan wonen. Hebben al dan niet met een beetje mazzel
een kamer gevonden of behelpen zich nog eventjes met een tent of een caravan.
Allemaal natuurlijk hartstikke spannend. Voor het eerst zelf je dag indelen
zonder aan iemand verantwoording te hoeven afleggen. In principe kun je doen
waar je zin in hebt. Zelfs thuis komen op die tijdstippen die je goeddunkt,
of helemaal niet thuis komen en dat alles zonder dat er lastige of bezorgde
vragen worden gesteld. De hele wereld ligt voor je open. Er valt een hoop
te ontdekken. Er zijn verenigingen die je met de eerste schreden op deze spiksplinternieuwe
weg terzijde kunnen staan. Ze maken het gemakkelijker voor je om nieuwe contacten
te leggen, vriendschappen aan te gaan soms zelfs voor het leven en om die
zee van tijd in te delen die nu voor je ligt. Daarnaast moet er natuurlijk
ook worden gewerkt. De studie zal spoedig een deel van die overvloedige tijd
opslokken. En je zult in het begin dikwijls moe zijn van al die nieuwe indrukken
die je opdoet, van al die nieuwe gezichten waar je kennis mee moet maken.
Maar dat went snel en dat betekent dat je je aandacht en energie kunt gebruiken
om een beetje dieper te graven.
Als je het goed uitkient kun je een hoop plezier en verstrooiing hebben de
komende maanden. Er is immers van alles te doen. Maar tussen al dat nieuwe
en al die leuke dingen die op je afkomen zit wel eens een slecht moment. Dan
zou je gewoon weer bij je moeder aan tafel willen zitten. Je voelt je eenzaam,
onbegrepen en alles zit tegen. En die nieuwe vrienden en vriendinnen? Eigenlijk
een beetje oppervlakkig, veel geschreeuw en wat heb je aan ze. Het is dan
niet erg om je OV-Kaart te pakken en een dagje of avondje naar je moeder te
gaan. Die vindt dat altijd leuk en voor haar hoef je je niet groot te houden.
Als het je gebeurt, denk je dat het jou alleen gebeurt. Maar zo is het niet.
Het is zelfs heel normaal dat je na al die opwinding over je nieuwe leven
een terugslag krijgt. En dat is ook nuttig. Neem je weer even wat afstand
en kun je opnieuw je koers bepalen.
Veel mensen en vooral ook docenten denken dat het belangrijkste dat je de
komende jaren kunt doen bestaat uit het opzuigen van de kennis die je wordt
aangeboden. Niets is echter minder waar. Als het goed is gaat dat opnemen
van de aangeboden kennis op een gegeven moment vanzelf. Gewoon omdat je er
plezier in hebt. Heb je dat niet dan is het de hoogste tijd om eens na te
denken waarom je op die universiteit of HBO-instelling zit. Je leven is te
kort, al lijkt dat nu zo eindeloos lang, om je tijd te gaan zitten verdoen
met een opleiding waaraan je geen plezier beleeft. Naast die overdracht van
kennis gaat het om iets veel belangrijkers: vorming, vorming en nog eens vorming.
In deze periode groei je naar volwassenheid. Doe veel ervaring op, vooral
met mensen. Geef je ogen en je hart de kost. En doe vooral de dingen met plezier.
Studeer wat je studeren kunt, maar studeer met name zaken die je interessant
vindt, die je boeien. Het kan een mooie tijd zijn, het studentenbestaan. Het
komt nooit meer terug en is maar kort. Sla je slag, want het leven is een
loterij met vele nieten!
Deze column is verschenen in Sum oktober 1992
Zo, we hebben dat protest van jullie over de tempobeurs weer achter de rug.
Een uitstekend idee overigens van die minister Ritzen. Een betrekkelijk slappe
en kleurloze minister van Onderwijs en Wetenschappen, maar op dit punt heeft
hij gewoon gelijk. Wie niet op tijd studeert ziet maar uit naar een andere
manier om in zijn of haar levensonderhoud te voorzien. Al te goed is tenslotte
buurmans gek! Wij betalen belastingsgeld, waar onder meer studenten van worden
onderhouden, een uitstekende zaak, maar daar dient dan tegenover te staan
dat men op zijn tijd studeert. En die studie valt in de meeste gevallen echt
wel mee, want jullie worden door ons bepaald niet overvraagd.
Er is echter iets anders wat me al langer dwars zit dan dat gejeremieer over
jullie inkomen en dat is dat ontstellende gebrek aan nieuwsgierigheid. Jullie
lezen niets meer, vragen niets meer en lijken jullie behalve over House en
XTC nergens meer over op te winden. Wat zijn dat voor jonge mensen die niet
intens nieuwsgierig zijn en geen boek of tijdschrift meer aanraken? Zijn jullie
van plan om een leven te leiden van nooit geleefd? Van huisje boompje beestje,
van verzorging en vermaak van de wieg tot het graf? Het is maar een betrekkelijk
kort stukje van je geboorte totdat je tussen die zes planken ligt, waar we
tenslotte allemaal eindigen. In die tussentijd moet je er wat van maken. Je
moet plezier hebben, leuke reizen maken, maar er is echt meer dan dat.
Als je mag studeren is dat een groot voorrecht. Het is een periode waarin
je je tijd helemaal zelf in kunt richten. Je kunt besluiten om van je studie
ècht iets te maken. Dat betekent zelf ideeën ontwikkelen, in plaats van de
hapklare brokken te slikken die je docenten je voorschotelen. Dat betekent
met die docenten in discussie gaan en zlefs diepgaand met hen van mening verschillen.
Je kunt je zorgen maken om de wereld om je heen. Genoeg te doen zou ik zeggen.
Naast het milieu, veel conflicten in de wereld blijft ook ons werelddeel daar
niet bepaald van verschoond. Denk alleen maar eens aan Joegoslavië en de voormalige
Sovjetunie. Heb je de situatie daar als eens in ogenschouw genomen? Wellicht
een aardig idee om in plaats van op wintersport te gaan een reisje te maken
naar een van de landen in Oost-Europa of de voormalige USSR om de situatie
daar in ogenschouw te nemen. Misschien ook een aardig idee voor een stage
en/of een scriptie. En wie weet wordt het nog iets en ga je er straks een
tijdje heen om daar iets te ondernemen, want naast een berg problemen tref
je daar natuurlijk een heel scala aan mogelijkheden waar je hier slechts van
kunt dromen.
Om dat allemaal goed te doen moet je wel op de hoogte zijn en je vak beheersen
en dat betekent lezen, lezen en nog eens lezen. Er verschijnen elke maand
weer karrevrachten aan interessante boeken, artikelen en tijdschriften. Het
is nauwelijks te behappen. Maar jij hebt de tijd, alle tijd om je eraan te
overeten. Die gelegenheid krijg je na je studie naar alle waarschijnlijkheid
niet meer in die mate. En je kunt het gratis en voor niemandal doen op onze
kosten. Die universiteitsbibliotheek en die openbare bibliotheek staan tot
jullie dienst. Dikwijls toegerust met uiterst vriendelijk en behulpzaam personeel
dat je helpt bij het uitzoeken van hetgeen van je gading is. Dat je adviseert
als je iets wil weten. En ze hebben ook allemaal van die heerlijke leestafels,
waarop heel veel kranten en tijdschriften liggen uit Nederland maar ook ver
daarbuiten. Waar wachten jullie eigenlijk nog op, oenen? Pak je kans want
morgen is ie er niet meer!
Deze column is verschenen in Sum november 1992
Nederland is een overgeorganiseerd en overgeïnstitutionaliseerd land. Voor
ieder belang en belangetje richten we een belangenbehartigingsclubje op. Dat
clubje zorgt er binnen de kortste keren voor dat het een subsidie krijgt.
Door het verwerven van subsidie is het clubje niet langer meer afhankelijk
van de klanten wier belangen zij behartigt. Pas dan kan het echte grote werk
beginnen. Dan kun je professionaliseren, d.w.z. allerhande deskundigen aantrekken
die de belangen van je leden gaan behartigen op een manier waar de leden bij
de oprichting van het clubje in de verste verte niet van konden dromen. Het
mooiste wordt het indien het clubje naast subsidie ook nog een officiële erkenning
van de overheid krijgt en door de overheid wordt belast met taken die door
de wetgever worden afgedekt. Het private clubje mag dan, afgedekt door de
wet, ook niet-leden te dwingen zich te houden aan de regels die het clubje
opstelt. Overigens regels die helemaal niet democratisch tot stand zijn gekomen,
omdat het clubje door de subsidie of bij de wet geregelde verplichte contributie
helemaal niet meer afhankelijk is van de leden.
Voorbeelden van dit soort clubjes zijn de Kamers van Koophandel of de CAO.
Ondernemers zijn verplicht om een deel van hun winst af te dragen aan de Kamers
van Koophandel. In ruil daarvoor worden hen diensten aangeboden, waarom ze
nimmer hebben gevraagd en waarop ze ook geen enkele invloed hebben. Van directe
zeggenschap is in het geheel geen sprake. Het bestuur van de Kamer van Koophandel
wordt immers weer samengesteld en benoemd door andere, door de wetgever erkende
clubjes, zoals de erkende verenigingen van werkgevers en werknemers. Indien
je géén lid bent van zo’n clubje moet je wèl contributie betalen, maar heb
je geen enkele zeggenschap, zelfs niet om je stem uit te brengen. Het tweede
voorbeeld, de CAO, is een kwestie van contract tussen twee partijen. Meestal
een contract tussen de werkgeversorganisatie en een of meer erkende vakbonden.
Het resultaat van hun onderhandelingen wordt meestal door de minister van
Sociale Zaken algemeen verbindend verklaard. Dat wil zeggen dat de door de
erkende organisaties afgesloten cao dwingend wordt opgelegd aan alle bedrijven
en werknemers in de desbetreffende branche. Dus ook aan al die bedrijven en
werknemers die op geen enkele manier betrokken zijn geweest bij de onderhandelingen
over de cao. Dit zijn twee voorbeelden uit zeer, zeer velen. Het hele land
is vergeven van dit soort clubjes dat van alles en nog wat regelt onder het
motto: voor u, zonder u en van uw geld!
De LSVb, de vertegenwoordiging van studenten van het WO en het Hoger onderwijs,
is ook zo’n clubje dat werkt volgens hetzelfde motto. De Landelijke Studenten
Vakbond, de naam alleen al, vertegenwoordigt alle studenten tegenover de media
en uiteraard tegenover de minister van Onderwijs en Wetenschappen, ons aller
Ritzen. Op plaatselijk niveau doen ze hun best studenten te vertegenwoordigen
tegenover de Colleges van Bestuur en de bestuurderen van scholen en faculteiten.
Dit is natuurlijk allemaal prachtig maar met vertegenwoordiging, laat staan
democratische vertegenwoordiging, heeft het allemaal niets te maken. De LSVb
vertegenwoordigt een heel klein groepje studenten. De grote massa van de studenten
heeft geen interesse voor de LSVb. Deze studentenbond hoeft daar ook helemaal
niet zijn best voor te doen. Want deze fopspeen der belangenbehartiging wordt
door de bestuurderen weer ruimhartig direct en indirect gesubsidieerd, bij
voorbeeld in de vorm van logistieke ondersteuning. Voor hen is dat ook wel
gemakkelijk. Voor een paar grijpstuivers hebben ze immers een gesprekspartner
die de pretentie heeft studenten te vertegenwoordigen en dat is een tijd van
formele democratie mooi meegenomen. Voor het oog van de wereld klopt het en
kun je je bestuurlijke gang gaan.
De LSVb leent zich hiervoor ten volle. Het meest ridicuul gebeurt dat in het
overleg met de minister van Onderwijs en Wetenschappen. Een handjevol studenten
bespreekt daar met de minister de belangen van het student. Het wordt tijd
dat de LSVb ervoor zorgt dat het echt een representatieve organisatie wordt.
Dat betekent massaal leden werven. Dat betekent van de contributie van de
leden een bescheiden belangenbehartigingsapparaat opbouwen. Dat betekent afschaffing
van alle directe en indirecte subsidies aan de LSVb, opdat het een krachtige
van de leden afhankelijke organisatie wordt. Pas dan gaat een minister van
Onderwijs en Wetenschappen terdege rekening houden met de LSVb. Tot het zover
is doet Ritzen er verstandig aan met de LSVb-vertegenwoordigers slechts een
kopje thee te drinken. Dat zou de duidelijkheid over de positie van de LSVb
zeer ten goede komen.
Deze column is verschenen in Sum december 1992
Studenten stellen zich tegenwoordig heel zakelijk op tegenover het onderwijsaanbod
van universiteiten en scholen voor hoger beroepsonderwijs. In de tijd dat
ik de universiteit bezocht, eind zestiger begin zeventiger jaren, was dat
nog heel anders. Wij zaten in de periode van de grote discussies. Debatten
die werden gevoerd over niets minder dan de inrichting van de maatschappij
en daarmee verbonden het doel en de manier van wetenschappelijk onderzoek
en onderwijs. En passent werd er ook nog heftig van mening verschild over
de manier waarop de ideale instelling van wetenschappelijk en hoger beroepsonderwijs
bestuurd diende te worden.
Er is ondertussen veel bereikt. De maatschappij is een stuk minder autoritair
geworden. De vader in de letterlijke en overdrachtelijke zin, een blanke man
wel te verstaan, is wat zijn macht betreft letterlijk onttroond. Niemand pikt
het meer om met behulp van machtsargumenten de wet voorgeschreven te krijgen.
Het ‘omdat ik het zeg’ volstaat niet meer om iets in gezin, onderwijsinstelling
of bedrijf voor elkaar te krijgen. Leidinggevenden moeten vandaag de dag hun
best doen om mensen te overtuigen. Doen ze dat niet, dan wordt er ja gezegd
en nee gedaan.
De vakinhoud van menige tak van wetenschap is drastische veranderd. Afwijkende
opvattingen worden niet alleen geduld, maar zelfs gestimuleerd omdat zij bijdragen
tot een verdieping van kennis en inzicht. De instellingen van beroeps- en
wetenschappelijk onderwijs zijn ten slotte wat de bestuursvorm betreft radicaal
gedemocratiseerd. En toch wringt er iets en bij nader inzien iets buitengewoons
essentieels.
Ondanks al die verworvenheden is de betrokkenheid bij wetenschap en onderzoek
van studenten er niet op vooruit gegaan. Integendeel! Vaak waan ik mij in
een soort zelfbedieningswinkel of fabriek als ik te maken heb met universiteiten
en instellingen voor hoger beroepsonderwijs. Dat gevoel wordt verstrekt door
de manier waarop deze instellingen worden gemanaged en door de houding van
de studenten. De meeste studenten vertonen weinig of geen betrokkenheid met
de instelling waar zij studeren. Het is een houding van ‘het zal mijn tijd
wel duren’. Ik pik eruit wat van mijn gading is en voor de rest zoeken ze
het maar uit.
Deze houding betreft niet alleen de instelling van onderwijs, maar ook de
vakken die ze bestuderen. Over de inhoud van het vak, de problemen die het
vak stelt en vooral ook niet stelt, de wijze van onderzoek, het zijn allemaal
invalshoeken waarvoor de huidige student niet of nauwelijks warmloopt. Hij
of zij pikt er datgene uit wat van zijn of haar gading is en dat is het dan.
Terwijl een kritische houding ten opzichte van het vak, in de zin van de onderwerpen
die wel en niet in het vizier komen en de methoden van onderzoek die worden
gehanteerd, uiterst vitaal is voor de dynamiek van het vak. Als die dynamiek
verdwijnt, dan is het vak op den duur ten dode opgeschreven.
Daarover maak ik mij grote zorgen, want de studenten van nu zijn de wetenschappers,
de beroepskrachten, de directeuren en de politici van morgen. Ik kan mij niet
voorstellen dat zij die functies goed kunnen uitoefenen vanuit de consumentenhouding
die zij thans als studenten aannemen. Dat is èn te passief èn te onbetrokken
bij het wel en wee van iets dat je zou kunnen duiden als het geheel. Het zal
ons nog opbreken, al die onderwijs- en onderzoeksfabrieken. Zij kweken onbetrokken
consumenten, de leiders van morgen. Ons soort samenlevingen zullen in dat
geval ten onder gaan aan onbetrokkenheid. Een somber perspectief zo aan het
begin van het nieuwe jaar: 1993!
Deze column is verschenen in Sum maart 1993
Er is een cliché dat zegt dat een ongelukkige jeugd een goudmijn is voor een
schrijver. Zoals met veel clichés een waarheid als een koe! Maar laten we
het eens omdraaien. Is het mogelijk scheppend bezig te zijn vanuit een situatie
van volmaakt geluk? Ik denk het niet en vind daar met gemak de voorbeelden
bij. Wolkers, een van de hele grote schrijvers uit mijn middelbare schooltijd,
schreef de prachtigste boeken toen hij nog leefde als een beest en toen hij
de peilloze beklemming voelde van het gereformeerde milieu waarin hij als
puber opgroeide. Nadien is Wolkers gelukkig geworden. Hij maakt ons te pas
en te onpas deelgenoot van dat geluk. Twee fantastische zonen, een zo mogelijk
nog geweldiger vrouw en dat alles gesitueerd in de paradijselijke omgeving
van het eiland Texel. Ik vind Jan Wolkers een oninteressant mens geworden,
zijn boeken blijven achterwege en de beeldende kunst die hij baart is een
gladde Ons-Soort-Mensen-kunst geworden. Een verontwaardigde Wolkers op zijn
in puin geslagen Auschwitz-monument. Fel het racistische van deze daad veroordelend,
daarin gesteund door de larmoyante burgemeester van Amsterdam Ed van Thijn.
Helaas voor Wolkers en al die anderen, werd zijn monument niet vernield door
een racist maar door een gemankeerde glaskunstenaar. Of neem Willem Frederik
Hermans, een weergaloos schrijver in de jaren vijftig en zestig. Nu een op
zijn roem terende mopperkont te Brussel.
Alleen Gerard Reve is nog even depressief en ongelukkig als aan het begin
van zijn schrijverscarrière. Hij is moe geworden van zijn eigen ongeluk en
delft daarom slechts de schatten op uit de eerste vijfentwintig jaar van zijn
schrijversloopbaan. En dat levert nog steeds prachtige kunst op in de vorm
van brievenboeken, die alleen een Reve weet te vervaardigen. Harry Mulisch
is een hoofdstuk apart. Harry is niet zozeer gelukkig, alswel uiterst gelijkmatig.
Ik houd niet van Harry, maar ben wel onder de indruk van zijn prachtige roman
Het stenen bruidsbed waarin de sfeer van naoorlogse ontreddering zo krachtig
wordt neergezet. Dit vluchtige onderzoekje - verre van representatief, laat
staan wetenschappelijk verantwoord - leidt tot de conclusie dat uit geluk
en tevredenheid niet veel goeds kan voortkomen. Dat levert een merkwaardige
paradox op. Enerzijds doet onze cultuur niets anders dan ons een jong, gelukkig,
harmonieus en tevreden leven aanprijzen, anderzijds blijkt de realisatie van
dit ideaal weinig anders op te leveren dan saaiheid, inertie, en blijven de
mooie kunstwerken of de grote wetenschappelijke produkten achterwege. Geluk
en ongeluk zijn echter moeilijk te regisseren. Het overkomt je, in beide gevallen.
Zeker, er is sprake van predestinatie als het aankomt op ongelukkig of gelukkig
worden. Freud, maar ook heel veel andere wijsgeren, heeft daar een boekenkast
over vol geschreven. Al die kennis over de oorzaken van geluk en ongeluk stelt
ons evenwel niet in staat om beide een handje te helpen. Het komt en verdwijnt
dikwijls zomaar, zonder dat we er iets aan kunnen doen. Het enige dat we wel
in eigen hand hebben is het beleven van geluk en ongeluk. We kunnen die gevoelens
onder het tapijt werken dan wel ze ten volle beleven. Dat laatste lijkt me
een voorwaarde om überhaupt scheppend bezig te kunnen zijn.
Veel van die oninteressante kunst en wetenschap wordt geproduceerd door saaie,
tevreden en op het oog gelukkige mensen. Schud je eigen kussens regelmatig
op, dan heb je ten minste een kans dat er iets uit je handen komt dat de moeite
waard is. Kortom, ik wens je naast een portie geluk een flinke dosis ongeluk
toe, opdat die cultuur van ons nog een paar mooie kunstwerken en een aantal
goede wetenschappelijke studies zal opleveren!
Deze column is verschenen in Sum april 1993
Over ons land doet het bekende cliché de ronde
van de koopman en de dominee. Let wel, in die volgorde. Hollanders staan in
het buitenland bekend als uitermate gewiekste zakenlieden die zeer op de penning
zijn, bij het gierige af. We worden ervaren als uitermate betrouwbaar, een
afspraak is een afspraak, maar ook als erg materialistisch en benepen. We
hebben de naam te denken dat alles in geld uit te drukken valt. De calculerende
burger, de calculerende overheid en het calculerende bedrijf zijn ons dan
ook op het lijf geschreven. Dit alles neemt niet weg dat we bij tijd en wijle,
zolang het ons niet al teveel kost, graag de dominee spelen in de zin van
zedenmeester.
Psychoanalytisch beschouwd zou dat zedenmeesterschap wel eens de broodnodige
compensatie kunnen zijn voor onze materialistische zucht naar geld. Wij ervaren
deze twee volkseigenschappen zèlf allerminst als tegenstrijdig, laat staan
dat we een spanningsverhouding constateren waar we moeten leren omgaan. Integendeel,
we moraliseren er met verve op los en vergeten tegelijkertijd de eigen portemonaie
niet. De moraal geldt immer anderen, zelden ons zelf.
De minister van justitie en in zijn kielzog onze minister-president vinden
het tijd worden voor hernieuwde moralisering van onze samenleving zonder de
hand ook maar een moment in eigen boezem te steken. Burgers horen niet te
calculeren, burgers horen zich aan de door de politiek gestelde regels te
houden, bijstand trekkers mogen niet zwart of grijs bijverdienen of bijelkaar
in te kruipen zonder de overheid daarvan te verwittigen, studenten moeten
hun bijverdiensten opgeven opdat deze verrekend kunnen worden met hun beurs
etc. Nimmer wordt de vraag gesteld, laat staan beantwoord, of het niet eens
tijd wordt om de regels zodanig te veranderen dat al die controle niet meer
nodig is. Kortom, pas de regels aan aan de maatschappelijke werkelijkheid
en probeer niet steeds de maatschappij te dwingen in het procrustusbed van
oneigenlijke en te krappe regelgeving.
Het gemoraliseer grijpt op het ogenblik als een epidemie om zich heen. Het
vervelende van gemoraliseer, hetgeen iets anders is dan het formuleren en
het handhaven van morele standaarden, is dat het het zicht op de werkelijkheid
zo in de weg staat. Het belemmert een goede analyse en wat wellicht nog belangrijker
is het staat oplossingen voor problemen ontzettend in de weg. Een goede aanpak
van het probleem van ontsporende jongeren, in de zin van het leren van een
vak en het verwerven van een baan is niet gediend met moralistische discussies
over kampementen. Een kampement kàn in bepaalde situaties een nuttig middel
zijn, niet meer en niet minder. Gemoraliseer leidt de aandacht af van goede
analyses en oplossingen. De slotfase van zo'n hoos aan gemoraliseer is immers
de nierenproeverij. Deze nierenproeverij is gericht op personen. Bepaalde
door zichzelf benoemde keurmeesters stellen dan vast of je opvattingen deugen
en of je ze in de juiste fora naar voren brengt. In de Verenigde Staten van
Noord Amerika zijn ze daar heel sterk in. We hebben daar de heksenjacht gekend
op mensen met afwijkende opvattingen in de vijftiger jaren door McCarthy en
heden ten dage zijn het de family values die bepalend zijn voor het mogen
aanvaarden van een publiek ambt.
Ons land is inmiddels ook aardig op weg. Op zijn eigen manier. Daar mag een
openlijke homosexueel niet optreden bij de Evangelische Omroep omdat die omroep
tegen homosexualiteit zou zijn. Of mogen Christelijke scholen homosexuele
leerkrachten niet mijden omdat een dergelijke norm van staatswege niet wordt
geaccepteerd. Ik zou zeggen leven en laten leven. Daar hebben we allemaal
belang bij. Pas als een dergelijk adagium individuen en groepen echt in de
verdrukking brengt is overheidsingrijpen op zijn plaats. En voor wat het gesproken
en geschreven woord betreft geldt: alles mag binnen de grenzen van de wet
en het oordeel daarover is aan de onafhankelijke rechter. Zelfbenoemde openbare
scheidsrechters kunnen we in dezen missen als kiespijn!
Deze column is verschenen in Sum juni 1993
Wat ik het leuke vind aan de huidige generatie studenten is dat er zulke ondernemende
types onder zitten. Ik moet er wel direct bij vertellen dat het naar mijn
waarneming vrijwel altijd om mannelijke studenten gaat. Onder de vrouwelijke
studenten ken ik veel hardwerkende, intelligente types, maar onderneemsters,
neen, ik kan er geen enkele noemen. Ik zal een paar voorbeelden geven.
Zelf word ik nu alweer zes jaar in het land rondgereden door de Rotterdamse
corpsstudenten die het chauffeurbedrijf ‘James’ exploiteren. Ik ben erbij
geweest vanaf het prille begin. Zes jongens die gewoon een bedrijfje beginnen.
In de krant hadden ze gelezen dat ik mijn universitaire werk in Groningen
had neergelegd en in Rotterdam voor mezelf was begonnen. Een moeilijk begin.
Ik had geen nagel om aan mijn kont te krabben. Gaat de bel in mijn flatje
aan de Mariniersweg. Twee keurige jongemannen, een beetje verlegen lachend.
Of ze binnen mochten komen. Daarna een uiteenzetting over hun bedrijf en of
meneer Fortuyn maar even klant bij hen wilde worden. Ik schiet in de schaterlach
en leg hun mijn situatie uit. Ik kan nauwelijks rondkomen en een auto kan
er al helemaal niet af. Ik word schalks aangekeken en hun reactie is: wij
schatten u anders in, dat komt wel goed met u.
Inderdaad, nog geen drie maanden later zitten de heren van James achter het
stuur van mijn eerste, voor het doel van rustig en chique vervoer wat te snelle
bolide. Het bedrijf telt inmiddels ruim veertig chauffeurs die professionele
diensten op een studentikoze wijze verlenen aan tout Rotterdam dat zich bij
tijd en wijle wil laten verwennen. De jongens zijn er altijd, 24 per dag,
nooit ziek, nooit baaldagen, tegen een redelijke prijs. Ook in de studentensteden
Groningen, Utrecht en Leiden zijn dergelijke bedrijven aanwezig. Naar ik mij
heb laten vertellen tegen iets minder billijke tarieven.
Ik had de OV-studentenkaart nog niet op de plank liggen of er schoten een
tweetal koeriersbedrijven als paddestoelen uit de grond. Een in Leiden en
een in Groningen. De idee achter de koeriersbedijven is even intelligent als
eenvoudig. Gebruik je OV-kaart voor het vervoer van pakjes waaraan persoonlijke
zorg moet worden besteed. Het bedrijf in Leiden heb ik als directeur van de
OV-Studentenkaart B.V. mogen inwijden. In Groningen was dat niet nodig, want
daar beschikten ze over een ondernemende prins van Oranje-Nassau die de nodige
publiciteit vanzelf naar zich toetrok.
En in jullie tenslotte was ik eregast op een boekpresentatie. Martijn van
den Heuvel heeft gedurende anderhalf jaar alle studentensteden bezocht op
zoek naar cafés en eethuizen waar je als student of jong-werkende, goedkoop
en lekker kunt eten. Het resultaat is het boekwerk ‘Goedkoop en lekker eten
in studentensteden’, uitgegeven door Bruna. Bij de presentatie merkte Martijn
zelf op dat het een uitstekend geschreven boek is. En ik moet bekennen, hij
heeft gelijk. Het leest lekker weg, is af en toe zelfs geestig en staat boordevol
informatie over de goede en goedkope eetgelegenheden in jouw studentenstad.
De leperd heeft er nog studiepunten voor los weten te peuteren. Ik heb hem
bij het in ontvangst nemen van het eerste exemplaar wel gezegd dat hij die
studiepunten van deze prof niet gekregen zou hebben, maar hem wel uitvoerig
geprezen om zijn ondernemerschap.
Kortom een leuke generatie studenten met zakelijk ingestelde, ondernemende
studenten. Daar mag je de komende jaren wel iets van verwachten. Als ze nu
ook nog wat meer geïnteresseerd raken in de grote vraagstukken waar onze maatschappij
mee worstelt, dan komt het wel goed met onze jongens van Jan de Wit. Nu de
meisjes nog, zet haar op dames!
Deze column is verschenen in Sum augustus 1993
Geen titel
Als ik in 1967 in Amsterdam sociologie ga studeren
is een ontgroening nog een ontgroening. Preciezer gezegd: het is het laatste
jaar waarin de Nederlandse corpora nog een vooraanstaande positie innemen.
En dat zal ik weten. De meeste corpora scheren de 'foeten' nog kaal. Vernedering
van de 'foeten' is standaard en de bekende corpsgrappen ontbreken niet. Immer
worden je opdrachten gegeven en vragen gesteld waarop je aIleen maar verkeerd
kan reageren. Maar het is niet alles kommer en kwel. Het gemeenschappelijk
afknijpen brengt al snel een sfeer van onderlinge solidariteit. En het biergevecht
op het Museumplein dat wij Thomaten van het katholieke corps hebben met het
gereformeerde corps van de VU is een waar hoogtepunt. Dagenlang hebben we
ons erop voorbereid, compleet met liederen van een uitermate beledigende strekking
voor het gereformeerde volksdeel, zoals wij katholieken door de gereformeerde
corpskloten niet worden ontzien. De verliezende vereniging is, zo wil de traditie,
na het gevecht verplicht de winnende vereniging te onthalen op onbeperkt en
gratis bier drinken op de eigen societeit. Onze maatschappij heet Amstelbier;
die van de VU-ballen Heineken. Heineken hangt dus in 1967.
Daarnaast wordt er gekampeerd, toneel- en cabaret gespeeld en ook de kunst
der retorica mag zich in een grote belangstelling verheugen. Na afloop van
de groentijd begint het fleuren van de disputen. Onze disputen zijn verticaal
georganiseerd, hetgeen wil zeggen dat de leden afkomstig zijn uit alle jaren
die de studentenpopulatie kent. Dat is erg leuk, want op die manier zit je
als achttienjarige samen in een dispuut met bij voorbeeld vijfentwintigjarigen.
De gemiddelde studieduur is in die tijd nog zo'n acht jaar. Die ouderejaars
vinden wij jongerejaars natuurlijk reuze spannend. Dat zijn reeds ervaren
heren die soms al uitkijken naar een verloofde. De ouderejaars rijn over het
algemeen leuke jongemannen, de tweedejaars echter ware etterbakken. De meesten
van hen nemen wraak op de eerstejaars om hetgeen hun het jaar daarvoor tijdens
de ontgroening is aangedaan. De ergste slachtoffers van toen ontpoppen zich
op die momenten als de grootste beulen.
In 1968 belanden de corpora over het hele land in een crisis. De studentenbeweging
is inmiddels een echte beweging geworden, waaraan duizenden studenten deelnemen.
De corpora hebben zich steeds tegen hen afgezet met ouderwets gebral over
gezag en orde en de noodzaak om de hoogleraar te laten verblijven in zijn
toenmalige ivoren toren. Iedereen die wat wil, voelt zich in een dergelijk
conservatief milieu al snel niet meer thuis. De meeste corpora lopen dan ook
leeg als een lekke band, en de andere maken moeilijke tijden door. De studentenbeweging
is veel spannender. Daar gebeurt tenminste iets, en je ontmoet er de leuke
mensen en hebt er gezellige feesten waar vrijelijk met hasj, weed en seks
werd geëxperimenteerd. En dat is heel wat voor al die middenklasse jongetjes
die van thuis vrijwel niets mogen. Inmiddels zijn we twintig jaar verder en
hebben we de wonderbaarlijke wederopstanding van de studentencorpora al weer
achter de rug. Het zijn nu dikwijls levendige moderne verenigingen waar de
klassieke bal nog wel rondhangt, zij het door de verkorte studieduur veel
minder lang dan toen, maar waar ook jonge mannen en vrouwen hun vertier zoeken,
die van hun studie en hun leven daarna echt iets willen maken. Dat heeft de
sfeer in de corpora ingrijpend veranderd. Ik zou haast zeggen dat het allemaal
wat volwassener en minder autoritair en ballerig is geworden. Een hele vooruitgang.
Tenslotte geeft zo'n corps met name in je eerste studiejaren een prettig houvast.
Je ontmoet er je vrienden en vriendinnen en op zijn tijd kun je er lekker
doorzakken. Kortom, corpora voorzien in een behoefte en ik hoop dat velen
van jullie de weg naar het corps weten te vinden en er een leuke tijd zullen
hebben die je je later met veel plezier zult herinneren.
Deze column is verschenen in Sum september 1993
De resultaten van het onderzoek Jeugd 1993 zijn net van de persen gerold en
dat is dus smullen geblazen. Er zijn tal van instanties en bedrijven die zeer
geïnteresseerd zijn in de ontwikkeling van de jeugd. Ze zijn immers de beleidsbepalers
en trendsetters van morgen. Er wordt in jeugd ’93 een uitermate sympathiek
beeld geschetst van de aanstormende generatie. De huidige student is volgens
soortgelijk onderzoek erg gesteld op comfort en materiële zaken. Het maken
van carrière staat bij jullie in hoog aanzien en jullie houden daar bij het
maken van jullie studiekeuze al terdege rekening mee. Zo zeer zelfs dat jullie
ongeveer allemaal hetzelfde doen. Veel, erg veel studenten kiezen voor economie,
rechten en bedrijfskunde. De wetten van de markt zullen tegen de tijd dat
jullie zijn afgestudeerd meedogenloos toeslaan. Nu al weten marktonderzoekers
te melden dat er juist in die vakken een enorm overschot op de arbeidsmarkt
zal ontstaan. Het wordt straks dringen geblazen en dat zal zeker ook aan de
aanvangssalarissen te merken zijn. Maak jullie borst maar nat. Het wordt straks
knokken om een baantje en het salaris zal, zeker in het begin, dik tegen vallen.
Maar dan degenen die na jullie komen. Die blijken een stuk weerbaarder te
zijn. Ze zijn minder in materiële zaken geïnteresseerd en het is hen meer
te doen om individuele ontplooiing dan om carrière. Dat maakt de zaak direct
eenvoudiger. Voor het maken van carrière ben je sterk afhankelijk van je omgeving.
Zelfontplooiing heb je echter meer in je eigen hand. Daarnaast zijn ze betrokken
bij maatschappelijke zaken en scoort ook de zorg voor het milieu hoog. Het
moet echter wel overzichtelijk blijven. Grote anonieme verbanden zijn niet
in trek en men moet zelf een actieve rol kunnen spelen. Samenvattend: jullie
concurrenten zijn zakelijk, maatschappelijk betrokken, praktisch en minder
materialistisch. Als je dit beeld afzet tegen hetgeen je om je heen ziet dan
denk je, dit is een generatie van aanstormende heiligen. Ze willen het goede,
maar met mate. Mijn generatie, de babyboomers (1948), wilde ook het goede
maar dan zonder maat te houden. Het motto van mijn generatie zou met gemak
kunnen zijn: alles of niets!
Alles of niets en wat is daar nu van terecht gekomen? Ik behoor tot de weinigen
die het motto trouw is gebleven en of dat verstandig is moet nog blijken.
De meesten van mijn generatie zitten nu op pluche banken en delen de lakens
uit. Ze zitten jullie danig in de weg op de universiteiten en de arbeidsmarkt.
Het zijne echte gevestigden geworden, ‘houden wat je hebt’ ligt hen voor in
de mond bestorven. Weliswaar zijn de praatjes dikwijls anders, maar het handelen
laat niets aan duidelijkheid te wensen over. Als er ingeschikt of ingeleverd
moet worden, dan zijn het altijd de anderen die dat moeten doen.
Zo’n ervaring stemt tot nadenken en op zijn minst tot het relativeren van
het soort onderzoek als jeugd 1993. Dat relativeren heeft niet zozeer op de
onderzoeksresultaten betrekking alswel op de gevolgtrekkingen. De meeste mensen
zijn na hun jonge jaren gesteld op comfort, veiligheid en zekerheid. Weinig
opwindend maar kennelijk zeer nastervenswaardig. Wil je van je leven iets
maken, dan zul je het zelf moeten doen. Dat gold voor mijn generatie en geldt
voor die van jullie. De jeugd 1993 weet dat echter nu al, 16-17 jaar oud,
en dat is mooi meegenomen!
Deze column is verschenen in Sum november 1993
Daar zit ik dan in zijn boxershorts met mijn pik op de plaats waar enkele
uren geleden zijn pik nog zat, met het linnen gespannen rond mijn kont dat
zo weinig uren geleden zijn kontje nog omspande.
Prins Andrew, 21 jaar, Bulgaarse moeder, Engelse vader, maar eigenlijk geen
vader. Prins Andrew heeft zich gisterenmiddag op het strand een nieuwe vader
verworven.
Praten, praten, redeneren, en de gevoelens heel, heel diep weggeborgen. Gesluierde
ogen waar slechts af en toe het licht van de viriliteit door heen breekt.
Gegeten, gedronken, daarna naar bed, mijn bed. Van een grote onbeholpenheid
en soms ook weer zo perfect. Zijn hoofd in de kom van mijn nek en rechterarm,
liggend op mij, zijn rechterbeen gedrappeerd tussen mijn benen, licht gekromd,
onderwijl zachtjes neukbewegingen makend, terwijl ik met mijn handen zijn
stevige volmaakte billen kneed. Onze lichamen passen op dat moment op een
manier in elkaar alsof God ze daartoe heeft geschapen. Op dat ogenblik bid
ik op een kinderachtige manier tot de Maagd Maria: Heilige Moeder Maria, geef
dat ik dit lichaam voor altijd bij me mag houden. Ik bad op een dwingende
bezitterige manier.
Vrijwel direct daarna staat Andrew op en gaat naakt in de vensterbank staan.
Op die manier heb ik een prachtig zicht op zijn lijf. Hij denkt en zucht,
zucht veel, ik kijk en sluimer en zo duurt dit alles zeker een vol uur. Daarna
kleedt hij zich aan. Hij staat besluiteloos met zijn boxershort in zijn hand.
Ik maak een misplaatst grapje door laatdunkend te zeggen, dat dit zeker een
souvenir is. Met een woedend gebaar werpt hij zijn boxershort uit het raam.
Zegt dat dit soort situaties niets voor hem is. Dat ie denkt dat ie hetero
is. Dan pakt hij me vast en zoent me zeer heftig op mijn mond en werkt op
een bijna gewelddadige wijze zijn tong mijn mond binnen. Daarna een rustige
omhelzing en nog een. We lopen samen naar beneden. Ik kus hem gedag. Hij loopt
weg en zaI morgenvroeg onmiddellijk vertrekken.
Op mijn kamer teruggekeerd tref ik zijn horloge op de grond aan, naast mijn
bed, ons bed. Ik val in slaap en als ik de volgende ochtend de stad in ga,
vind ik buiten hangend aan de muur tegenover ons hotel zijn onderbroek. Ik
pak hem van de muur, loop een stukje, trek mijn short uit en trek zijn onderbroek,
zijn boxershort, aan. Een vreemde geweldadige sensatie doorstroomt mij. Het
is alsof ik in zijn huid kruip. Zo is hij vandaag toch nog bij mij, terwijl
de boot naar de Peloponnesos zijn lichaam steeds verder van mij voert. Maar
hij komt terug, Prins Andrew, letterlijk of figuurlijk. Dat voel ik. En dan
zal ik, gelijk in de parabel van de verloren zoon, staan bij de voordeur om
hem te verwelkomen alsof ik daar al die tijd op zijn terugkeer heb staan wachten.
Ik zal niets vragen, geen verklaring, geen uitleg, ik zal hem slechts omhelzen
en zeggen: welkom thuis my little Prince, my Son.
Deze column is verschenen in Sum oktober 1993
Dit fragment komt uit ' Prins Willem en de anderen' , en is verschenen
bij uitgeverij Contact.
Hoewel niet direct mijn gewoonte, erger ik mij de laatste tijd nogal eens
aan jullie. Na het lezen van deze eerste regel kun je natuurlijk direct doorzappen
naar het volgende artikeltje en deze oude zeur aan zijn lot overlaten. Voor
de blijvers onder jullie, de volgende verzuchting.
Door het jaar heen geef ik een groot aantal gastcolleges en referaten voor
een overwegend uit studenten bestaand publiek. Ik ben socioloog en daarnaast
economisch en juridisch geschoold en ook de geschiedwetenschap mag op mijn
levendige belangstelling rekenen. Een klassieke generalist dus. Mijn onderwerp
van studie en van spreekbeurten is de Nederlandse samenleving in haar formele
en informele gedaantes. In vroeger eeuwen was deze bezigheid ondergebracht
in een apart vak: politieke economie. De politieke economie bestudeert de
samenhangen, wetmatigheden en contradicties in maatschappijen. Op die manier
kom je iets te weten over tendensen in ontwikkelingen. Met die wetenschap
kan een samenleving haar voordeel doen, door op een aantal goedgekozen punten
het heft in eigen handen te nemen. Kortom, een samenleving gedraagt zich daardoor
niet als een willoos geheel, waarin de dingen nu eenmaal gaan zoals ze gaan.
Lekker ouderwets he, zo'n idee van een maakbare samenleving. Typisch een vrucht
van de grote westerse wetenschappelijke stroming van de Verlichting, die ons
cultureel en wetenschappelijk zo ontzettend veel moois heeft gebracht. Niet
in de laatste plaats het geloof in de vooruitgang in denken en handelen van
de menselijke soort.
Vandaag echter zijn we wijzer, zoveel wijzer. Er valt zeker het een en ander
af te dingen op het geloof in de vooruitgang. Ik hoef niet al die verschrikkelijke
oorlogen de revue te laten passeren die we in onze eeuw hebben gevoerd en
nog dagelijks voeren en ik hoef het al helemaal met jullie niet te hebben
over de aantasting van het milieu door techniek en overbevolking. Toch relativeren
deze zaken mijns inziens slechts het vooruitgangsgeloof. Het besef van deze
verschrikkelijkheden ontneemt ons onze naïviteit niet meer en niet minder.
Waar leven is, is hoop. Dat is niet zomaar een gezegde, maar een in de praktijk
beproefde wijsheid. Onder de meest erbarmelijke omstandigheden maken mensen
prachtige kunst, musiceren zij met elkaar of zijn ze zomaar gezellig bijeen
en wordt er uitbundig gelachen. Hoop, geloof in vooruitgang, is de motor van
het leven. Mensen zonder perspectief, zonder hoop, zonder geloof, zijn ten
dode opgeschreven. En wat voor mensen individueel geldt, gaat evenzeer op
voor samenlevingen.
Studenten die ik hierover toespreek horen mij op zijn best welwillend aan.
Zij vinden het wel aardig zo'n betrokken en bevlogen man. Met de realiteit
hebben de verhalen van die prof volgens hen ondertussen niets van doen. Eeuwig
en altijd hebben hun vragen en opposities betrekking op de haalbaarheid van
mijn voorstellen om ons soort samenlevingen ingrijpend te moderniseren. Meneer
Fortuyn, zo zit de wereld niet in elkaar, zo eenvoudig gaat dat niet, de dingen
gaan zoals ze gaan, is het zich immer repeterende commentaar van het student.
In zekere zin zijn hedendaagse studenten oude mannetjes en vrouwtjes. Hoewel,
ik ken nogal wat vitale oude mannen en vrouwen die wel bereid zijn om nog
een rondje modernisering van de samenleving aan te gaan.
Mijn wrevel betreft jullie gebrek aan fantasie als het gaat om zaken die niet
direct jullie persoon raken, jullie gebrek aan maatschappelijke idealen, jullie
gelijkstelling aan de ongelovige Thomas die ook eerst moest zien alvorens
te geloven, jullie onbetrokkenheid als het niet jezelf en je naaste omgeving
aangaat. Kortom, jullie volstrekte a-politieke habitus. Kom uit dat luie welvaartsbedje
van jullie en weet: het gaat niet om het haalbare, maar om het denkbare!
Deze column is verschenen in Sum december 1993
Ons land komt langzaam in de greep van de milieumaffia, aangevoerd door collega
Reijnders van de stichting Natuur en Milieu. Juist ja, een stichting, de minst
democratische vorm van handel en wandel die ons land rijk is. Een vereniging
wordt nog gecontroleerd door de leden, een onderneming door aandeelhouders
en werknemers, maar een stichting wordt door niemand gecontroleerd en kan
haar eigen soevereine gang gaan. De resultaten zijn ernaar.
Regelmatig verschijnt onze nationale kwelgeest Reijnders op tv om het volk
de ene onheilstijding na de andere in het gezicht te slingeren. Hij doet dat
vanuit zijn welgelegen buiten met mooie tuin. Reijnders is immers een tweeverdiener.
Hij en zijn vrouw, beiden hoogleraar, goed voor meer dan een modaal inkomen.
Ondertussen wordt een economie van de krimp bepleit. Zelf een voorbeeld geven
is er niet bij. Voor zijn volkomen onjuiste voorspellingen ten aanzien van
de branden van de oliebronnen in Koeweit na afloop van de Golfoorlog is hij
nimmer afgestraft. We zouden een poolwinter tegemoet gaan. Dit alles was de
schuld van de Amerikaanse bemoeizucht. Dat diezelfde Amerikanen voor ons de
kastanjes uit het vuur hebben gehaald en naast hun oliebelangen en passent
nog even een niets en niemand ontziende dictator aan de teugel hebben gehouden
wordt niet gewaardeerd. Net zo min als er waardering is voor die Amerikaanse
experts die in zo’n korte tijd de misdaad van Sadam uitwisten, door de brandende
oliebronnen te doven.
Reijnders heeft daar allemaal geen boodschap aan. Hij is alweer bezig met
de volgende onheilstijding. De wijze waarop dat wordt gepresenteerd heeft
bijna iets sadistisch. Onheilstijding wordt altijd hetzelfde gebracht, zonder
een reële oplossing. Niet van hoe komen we van A naar B. Men zal moeten inleveren
en wel op grote schaal. De modale burger zal het weten. Economie van de krimp,
de auto weg en zeer duur openbaar vervoer. Alleen de beter gesitueerden zullen
zich nog een auto en bijbehorende mobiliteit kunnen veroorloven. Reijnders
en familie zullen daar zeker toe behoren.
Het nieuwe slechtoffer van de milieumaffia is de OV-studentenkaart. Studenten
belasten met deze kaart het milieu. Ze zijn veel te mobiel en leren niet dat
deze mobiliteit veel schade veroorzaakt aan het milieu. Nu is veel van deze
redenering gebouwd op drijfzand. Voor de OV-studentenkaart zijn nauwelijks
extra treinen en bussen ingezet. Met de bestaande vervoerscapaciteit worden
ook die 600.000 studenten vervoerd. Van extra milieubelasting kan dan ook
geen sprake zijn. Hooguit wordt de al bestaande vervoerscapaciteit beter benut.
Het bewustzijn dat mobiliteit geld kost is wellicht een minpunt van de kaart.
Wel dient te worden bedacht dat de student ruim tien procent van zijn besteedbaar
inkomen uitgeeft aan de kaart en dat is iets anders dan gratis reizen.
Wat mij echter het meest stoort is het volledig uit het oog verliezen van
proporties als het gaat om milieu. Het is een heilig verklaard thema, waarover
je vervolgens niet kritisch mag nadenken. Eenvoudige wijsheden dat men de
trap van bovenaf aan moet vegen, mogen van de milieumaffia niet van toepassing
zijn. Mobiliteit in het algemeen en de auto in het bijzonder zijn de doelen
waarop zij zich richten. En het maakt niet uit dat er inmiddels grote vooruitgang
is geboekt bij het terugdringen van de milieu-overlast door de auto. Het nationale
schuldgevoel kan niet beter worden aangesproken dan op de auto, die verboden
vrucht van technologische ontwikkeling van onze eeuw.
In een calvinistisch land als het onze, waarin alles wat lekker zondig is,
valt er geen betere voedingsbodem te bedenken voor het nationale schuldgevoel
dan de auto. Via dat schuldgevoel houdt de Stichting Natuur en Milieu ons
gevangen. Zij belet ons oog te hebben voor de werkelijke milieugevaren in
Europa. Het overgrote deel van de zwaar vervuilende industrie in Oost-Europa
en de voormalige Sovjet-Unie draait nog gewoon door, bij gebrek aan beter.
Veel kerncentrales aldaar zijn tikkende tijdbommen, en een onbekende hoeveelheid
niet afgewerkt afval is gedumpt in zeeën en meren om ons na verloop van tijd
hun dodelijk gif via zeeën en rivieren over de hele wereld te verspreiden.
Daaraan onze milieumiljarden besteden staat niet bovenaan het lijstje va de
milieubeweging. Het is een beweging die zich concentreet op eigen land, waar
al zoveel gebeurt op het terrein van het tegengaan van milieuoverlast. De
trap van bovenaf aanvegen is wat we moeten doen. Dus het oosten van hun ergste
milieuproblemen afhelpen. Dat zet zoden aan de dijk. Kunnen we in de volgende
eeuw de OV-studentenkaart nog eens tegen het licht houden.
Deze column is verschenen in Sum mei 1993
De relatie leermeester(es)/leerling(e) is aan onze universiteiten en hogescholen
vrijwel verdwenen. Het enige schooltype waar deze relatie nog wordt gekoesterd
is die van de kunstzinnige vorming. Op onze conservatoria en onze academies
voor beeldende kunst en op onze toneelscholen en academies voor kleinkunst.
Daar heeft men begrepen dat deze relatie centraal dient te staan in het onderwijs
wil er enige zinnige overdracht van kennis en kunde mogelijk zijn. Een alom
overheersende opvatting binnen ons onderwijs, nu ook al doorgedrongen op kleuterscholen
en andere vormen van lager onderwijs, is dat het hoofdprodukt dat door deze
instellingen geleverd moet worden dat van de overdracht van kennis is. Dat
nu is een misvatting die ons heden begint op te breken. Het hoofdprodukt is
niet kennisoverdracht, maar opvoeding, en opvoeding gebeurt in de intieme
relatie van leermeester - leerling. Kennisoverdracht is het gebied waarop
deze opvoeding gestalte krijgt. Draait men de zaken om, dan komt er van de
opvoeding niets terecht en vindt de kennisoverdracht plaats in een anonieme
contextloze omgeving.
De onderwijsvernieuwers die ons land, sedert de invoering van de Mammoetwet
van CaIs (KVP) in 1968, nu al weer vijfentwintig jaar in een ijzeren greep
houden, hebben dit op hun geweten. Namen die hier te noemen zijn, zijn die
van de oud-minister en oud-staatssecretaris van onderwijs de heren van Kemenade
(PvdA) en Wallage (PvdA). Zij zijn na CaIs de grote schaalvergroters bij uitstek.
Zij bedachten dat jongeren uit minder kansrijke gezinnen meer kansen zouden
krijgen indien we hen niet zouden opsluiten in scholen met een duidelijk gedefinieerd
vakkenpakket. Neen, grote scholen met veel gogen in allerlei soorten en maten
en heel veel vakken zouden de leerlingen en veel mogelijkheden bieden en pas
heel laat aanzetten tot het maken van een definitieve keuze in hun leerroute.
De verschrikkingen van dit beleid ondervinden we nu aan den lijve en de gevolgen
daarvan komen in het ergste geval terecht op het bordje van de politie van
de grote steden. De basisvorming van Wallage dwingt kleine basisscholen op
te gaan in grote scholengemeenschappen waardoor het kleine beetje culturele
infrastructuur dat het platteland nog rest op termijn ook nog wordt vernietigd.
Middelbare scholen van vierhonderd leerlingen zijn omgevormd tot scholengemeenschappen
van duizend tot tweeduizend leerlingen, waar van alles en nog wat wordt onderwezen.
Universiteiten en hogescholen zijn door dit beleid verworden tot ware leerfabrieken.
De leermeester is geen pedagoog meer maar kennisoverdrager. De pedagogiek
wordt overgelaten aan andere functionarissen die buiten het directe onderwijs
staan. Het zijn de produkten van de tekentafelsamenleving, waarin niet de
praktijk het handelen bepaalt maar het steriele tekentafelprodukt. In die
grote anonieme gemeenschappen, die dat woord niet eens meer waard zijn, vecht
iedere leerling voor eigen belang en behoud. Gemeenschapszin wordt hem daar
niet bijgebracht. Hij dient zijn eigen route te gaan en vooral niet op te
gaan in de gemeenschap. De afstand tussen leermeester en leerling is groot
en het contact dikwijls anoniem.
Na het gezin is de school de eerste en enige plek waar jonge mensen worden
geconfronteerd met mensen die een andere opvoeding hebben genoten dan zij
zelf. Daar kan gemeenschapszin worden bijgebracht. Dat is echter alleen mogelijk
binnen een overzichtelijke kleine gemeenschap, waarin de relatie leermeester-leerling
tot bloei kan komen. Dat is nu overal verwoest en maakt onze kinderen al vroeg
tot wezen. De verweesde samenleving is volop in de maak. Van de resultaten
daarvan zullen we nog een zware pijp roken.
Deze column is verschenen in Sum maart 1994
Het afgeven op intellectuelen lijkt weer in de mode te zijn. Intellectuelen
worden op zo'n moment afgeschilderd als onpraktisch, wereldvreemd en als het
een beetje tegen zit als de oorzaak van de actuele ellende. Frits Bolkestein,
lijsttrekker van de VVD bij de Tweede Kamerverkiezingen, brengt de intellectuelenhaat
als volgt onder woorden: 'Intellectuelen hebben niets te zoeken in de politiek.
Intellectuelen zijn preutse mensen die hulpeloos de camera instaren en zeggen
dat zij het ook niet weten. Ik ben geen intellectueel! Noemt u mij alstublieft
niet zo, want dat betekent dat ik de verkiezingen ga verliezen.' (NRC). Welnu,
ik ben zeker een intellectueel, kijk heel wat minder hulpeloos in de camera
dan Frits Bolkestein en ben verre van preuts. Zie dat mooie verhaal van mij
in een van de vorige Sums over Prins Andrew. Het zijn de bekende vooroordelen.
Wat is een intellectueel nu wel. Een intellectueel is een gestudeerd mens,
hetgeen niet hetzelfde is als een gediplomeerd mens. Men kan heel erudiet
zijn met niet meer dan lagere school en heel onontwikkeld met een academische
titel op zak. Naast erudiet is de intellectueel vooral kritisch en onafhankelijk.
Dat laatste is een levenshouding en tege1ijkertijd een levensnoodzaak. De
intellectueel aanvaardt de eenzaamheid die voortvloeit uit zijn onafhankelijke
en kritische stellingname, gelijk de mensheid zuurstof aanvaardt als de noodzakelijke
voorwaarde om überhaupt te kunnen leven. Het zijn van intellectueel is dus
meer dan een beroep, het is een levenshouding zonder welke de intellectueel
niet kan leven. Hij zal het leven ook opgeven, letterlijk en figuur1ijk, indien
hem de ruimte voor onafhankelijke en kritische stelllingname wordt ontnomen.
Zo ver komt het echter niet gauw. We hoeven alleen maar te denken aan al die
moedige intellectuelen in het voormalige Oostblok die onder de meest erbarmelijke
omstandigheden gewoon door gingen met stelling nemen tegen het regime dat
hen onderdrukte. In het licht van het vorenstaande is het misschien ook wat
minder moedig dan veelal wordt gedacht. De meeste Oost-Europese intellectuelen
konden gewoon niet anders. Voor hen stond het opgeven van hun intellectuele
habitus gelijk aan zelfmoord en daarvoor waren ze te gehecht aan het leven.
Een maatschappij zonder intellectuelen is niet alleen een saaie maatschappij,
maar ook een maatschappij die snel in een situatie van stilstand terecht komt.
Het is niet voor niets dat het altijd dezelfde typen zijn die in opstand komen
tegen de intellectuelen. Het is het behoudende type, bang voor verandering,
dat de meerderheid der anti-intellectuelen uitmaakt. Zij zijn niet gevaarlijk
zolang er aan hen geen leiding wordt gegeven. Zo gauw er echter politieke
leiding wordt gegeven, is het oppassen geblazen. Die leidinggevenden zijn
niet de domsten en in politiek opzicht zijn ze dikwijls heel handig. Ze weten
de angst van de burgerman voor verandering en extern gevaar uitstekend te
exploiteren. Bij die exploitatie kan de intellectueel uiteraard worden gemist
als kiespijn.
Immers, hij zal die exploitatie onmiddellijk als zodanig aan de kaak stellen.
Dat nu komt de machthebber in spé niet gelegen. Het begint dan met verdachtmaking
van de intellectueel en zo gauw de mogelijkheid zich voordoet met opsluiting
of nog erger. De nazi's hebben het op dit terrein, zoals op menig ander terrein,
het bontst gemaakt. Zij slachtten hun intellectuelen niet alleen zonodig af,
maar gingen ook nog over tot het verbranden van hun produkten: boeken, schilderijen,
muziek e.d. Alsof de menselijke geest zich ooit zou laten knechten!
Uit de mond van Bolkestein klinkt deze intellectuelenhaat bovendien uitermate
verdacht. Hij is als geen ander de intellectueel onder de politici. Leest
niet alleen weleens een boek, maar schrijft er af en toe ook een. Is onafhankelijk
en kritisch in zijn denken en stelt terecht het tekort aan intellectuele vorming
aan onze universiteiten aan de kaak. Zelfhaat mogen wij deze oprisping dus
met een gerust hart noemen. Een vitale maatschappij koestert zijn intellectuelen.
Foei, Olleke Bolleke ga je mond spoelen!
Deze column is verschenen in Sum april 1994
Studenten en politiek: nu niet direct een ideaal koppel. De belangstelling
onder jongeren voor de verrichtingen van de politiek is niet erg groot en
al helemaal niet levendig. De meeste politieke jongerenorganisaties worden
bemenst door oudere jongeren en de echt leuke en aantrekkelijke jongeren vind
in de disco, niet op de partijpolitieke avonden. Net als de kerken lopen de
politieke partijen leeg en zijn het de jongeren die het eerst vertrekken.
De politiek levert niet de spanning en het vertier op waaraan je behoefte
hebt als je jong bent. Bovenal is de politiek machteloos. De politiek stelt
menig probleem, maar weet weinig echt op te lossen. Een heldere stellingname
wordt immer gevolgd door een nuancering die van het eerder ingenomen standpunt
weinig heel laat.
Het zespuntenprogramma van Bolkestein inzake de beheersing van de stroom asielzoekers
dat zoveel stof deed opwaaien bevatte slechts een nieuw punt. Dat punt was
dat vluchtelingen van buiten Europa niet meer in ons land zouden worden opgenomen
maar met behulp van onder meer Nederlands ontwikkelingsgeld in hun eigen regio.
Uit gerekend dit nieuwe punt wordt door Bolkestein een dag later weggenuanceerd.
Uit allerlei onderzoek blijkt dat jongeren duidelijk stellingname verkiezen
boven het vage compromis. Voor zover niets nieuws onder de zon. Ook in de
roemruchte jaren zestig, de tijd dat ik jullie leeftijd had, werd door jongeren
duidelijkheid boven vaagheid gesteld en moest het leven vooral spannend zijn.
Ook wij vonden aan de Hollandse partijpolitiek weinig te beleven en richtten
ons liever op de grote wereldvraagstukken als de strijd tegen het oprukkende
kapitalisme, de oorlog in Vietman, de uitputting van de grondstoffen, milieubeleid
(en dat graag wereldomvattend) en natuurlijk het verbeteren van de positie
van de landen in de zogenoemde derde wereld. Het verschil tussen toen en nu
is dat jongeren liever wat dichter bij huis blijven en zich meer bekommeren
om hun directe omgeving en om vraagstukken waar zij met hun beperkte mogelijkheden
meteen iets aan kunnen doen. Men wil concrete resultaten: hier en nu!
Binnen de weinig levendige belangstelling voor politieke partijen scoort D66
relatief hoog. Dat vind ik op zijn minst opmerkelijk. Zeker, Hans van Mierlo
is een schat van een man en zeker iemand met uitstraling, maar verder?
D66 staat voor niets, zelfs niet voor haar staatkundige hervormingen. Het
bestaansrecht van D66 ligt in de heldere stellingname dat je naast een stem
op de controle van de macht ook een stem moet kunnen uitbrengen op de macht
zelf. Dus gekozen burgemeesters, ministerpresidenten e.d. Een beetje het Amerikaanse
systeem. Daarnaast wil de partij dat niet het volk via referenda over belangrijke
zaken kan meestemmen. Geen van deze punten blijken voor D66 breekpunten te
zijn als het pluche dus de macht in zicht komt. Naast deze staatkunde heeft
de partij niets meer te melden dan dat zij redelijk wil zijn en tussen de
uitersten door wil laveren. Dus doe me een lol als je gaat stemmen op 3 mei
aanstaande: stem op iets duidelijks en niet op D66!
Deze column is verschenen in Sum mei 1994
De jongste generatie literatoren, mensen van jullie leeftijd, heeft een nieuw
modern thema bedacht: de verveling. Boeken lang worden we geconfronteerd met
mateloze verveling en wat die bij mensen aanricht. Nimmer is aan de orde wat
verveling in maatschappelijk verband aanricht. De maatschappij interesseert
hen immers niet. Alles is individueel en het komt er op aan om je tenminste
te vermaken. Je vraagt je in gemoede af of de maatschappij, laat staan de
samenleving, voor deze snotneuzen überhaupt nog wel bestaat. Op basis van
een volstrekt gebrek aan historisch besef komen de dames en heren tot de conclusie
dat alles in ons leven al eens is bedacht en vooral geregeld. Er valt dus
niets meer te bedenken noch te regelen.
Nu hoef je de knop van je TV-toestel maar om te draaien om te zien wat er
allemaal niet is geregeld met deze wereld. Hele volkeren worden onder ons
toeziend oog uitgemoord om maar eens iets te noemen. Onze literatoren vinden
dat echter een uitgemolken thema en bovendien te ver af van hun behagelijke
welvaartsbedjes. Maar dichterbij huis valt er ook nog het een en ander te
doen. Twee miljoen min of meer gezonde Nederlanders die in principe zelf in
hun levensonderhoud zouden kunnen voorzien staan aan de kant. Nederland is
verworden tot een groot verzorgingstehuis, waarin volkomen gezonde mensen
levenslang zijn opgenomen. Onze arbeidsmarkt kalft in hoog tempo af onder
invloed van de buitenlandse concurrentie, waar arbeid nog wordt beloond op
basis van schaarste en overvloed daaraan. Nederland wordt in hoog tempo een
automatenland, waarin arbeid uit is en wetenschap en techniek in. Er grijpt
een overweldigende stemming van malaise en onverschilligheid om zich heen
en we beleven momenteel de nadagen van het Romeinse Keizerrijk of iets dichter
bij in de tijd de nadagen van de Franse absolute monarchie. En zoals sommigen
van jullie wellicht nog op school hebben geleerd, zijn dat de voortekenen
van een ingrijpende omwenteling; van een Umwertung aller Werte.
De saaiheid is in onze samenleving wel degelijk manifest, maar daaronder broeit
het en krioelt het van de nieuwe initiatieven. Er zijn genoeg jonge mensen
die het zat zijn om hun huig te laten hangen naar de gevestigde belangen en
orde en die bezig zijn met iets nieuws. Of het nu de kunsten, de wetenschappen
of het bedrijfsleven zijn, overal staan mensen klaar om iets nieuws te beginnen.
Zij die de verveling dus tot het thema van deze tijd verklaren, hollen in
werkelijkheid achter de feiten aan. Beter is het om je jonge leven te oriënteren
op verandering en vooruitgang, waarbij wat mij betreft de profetische woorden
van John F. Kennedy als leidraad mogen dienen: 'Vraag niet wat uw land voor
u kan doen, maar vraag u indringend af wat u voor uw land kunt betekenen.'
Veel succes met het nieuwe studiejaar.
Deze column is verschenen in Sum september 1994
Door toeval en nieuwsgierigheid gedreven kwam ik op een zaterdagnacht in augustus
terecht in de Rotterdamse cult-disco Night Town en ik moet u zeggen: ik heb
mijn ogen uitgekeken. Ze lagen bijna op schoteltjes! Night Town is een disco
met drie dansvloeren onderling verbonden door trappen en gangetjes. Het binnenkomen
is al een belevenis van de eerste orde. Ik moest door een detectiepoort en
werd onmiddellijk gespot. Uitvoerige fouillering tot met de inhoud van mijn
sigarenkoker was mijn deel.
Na dit welkom voelde ik me in ieder geval uiterst serieus genomen. De portier
zag mij tenminste aan voor een potentiële drager van wapentuig en dat overkomt
je als professor niet iedere dag. Daarna het labyrint van gangen ingedoken.
Het is daar een drukte van belang. Overal staan en hangen jongens en meisjes.
De gemiddelde leeftijd is ongeveer 25 jaar. Ik zou dus met mijn 46 jaar en
kale kop op zijn minst een bezienswaardigheid moeten zijn. Niets van dat al.
Ik had net zo goed geen lijf kunnen hebben. Als een onzichtbare geest dwaalde
ik door de gangen om tenslotte in een van de grote danszalen aan te komen.
Daarbinnen op de dansvloer een paar honderd jongeren en op het amfitheater
rond de dansvloer nog eens zo'n aantal. Op het podium half ontblote jongelui
die als inspiratiebron voor de dansenden dienden en zich in prachtige bochten
en andere bewegingen kronkelden.
Ik heb daar een tijdje staan kijken. Naarmate dat langer duurde sloeg de verbazing
en tenslotte de verbijstering toe. Iedereen probeerde cool te zijn. Er was
geen enkel contact tussen mensen die elkaar niet kennen. Keek je iemand aan,
dan kreeg je een wezenloze blik terug. Niet een keer, maar tientallen keren.
Wat mij daarbij opviel is dat het cool zijn de jongens veel beter lukt dan
de meisjes. Het was vol met mooie mannen en vrouwen, maar behalve de oorverdovende
muziek die je zeker in hoger sferen brengt, was er op het eerste gezicht niets
te beleven. Nergens zag je een flirt - laat staan een versierpartij. Het uitstralen
van uiterste verveeldheid was de code. Die verveeldheid was overigens dikwijls
heel mooi verpakt. Prachtige kleren en maar al te vaak prachtige lijven. Het
zou daar heel erg opwindend kunnen zijn. Het kost niet veel moeite om je seksuele
fantasie de vrije loop te laten. Prikkels genoeg. Maar toch, er gebeurde niets.
Ik zelf werd niet gezien, zelfs niet een beetje.
Na twee uur rond gelopen te hebben, heb ik het pand in grote verwarring verlaten.
Is dit de toekomst, zo vroeg ik mij af? Is het deze kille harde maatschappij,
waarin eenieder voor zichzelf leeft, die ons te wachten staat? Of is het gewoon
maar een beetje uitgaan en is dat cool doen een modetrend die weer net zo
snel voorbij gaat als de meeste modetrends? Ik weet het niet. Ik hoop dat
ik ongelijk heb en dat het allemaal veel onschuldiger is dan ik waarneem.
De socioloog in mij zegt echter dat dit inderdaad de toekomst wel eens zou
kunnen zijn. Het enige dat ik daartegenover kan stellen is dat men mij dan
zal tegenkomen. Dit zal ik te vuur en te zwaard bestrijden, daar is mij Holland
en het volk dat daar woont te lief voor!
Deze column is verschenen in Sum oktober 1994
Er is op het ogenblik weer veel te doen rond de herstructurering van het hoger
onderwijs. Het afgelopen decennium zijn de plannen om dit onderwijs om dit
onderwijs qua structuur te veranderen over elkaar heen getuimeld. De motor
van de noodzakelijk geachte verandering was onveranderlijk dezelfde: de noodzaak
om op het hoger onderwijs te bezuinigen. Met minder mensen en middelen een
beter resultaat was het devies.
Dat het hoger onderwijs ingrijpend moest veranderen staat voor mij buiten
kijf. Het is een bedrijfstak waar in het algemeen nog steeds een matig produkt
wordt geleverd tegen een forse prijs. Daarbij heb ik niet zozeer het onderzoek
op het oog alswel het onderwijs. Zie ik het goed dan is dit laatste produkt,
ondanks alle bezuinigings- en herstructureringsoperaties, niet zozeer verbeterd
alswel in heel veel gevallen verslechterd. De massale toestroom tot het hoger
onderwijs is in de meeste gevallen opgevangen door schaalvergroting. Schaalvergroting
van de instituten en van het hoger onderwijs zelf. Het hoger beroepsonderwijs
is bijeengeveegd in hoge scholen met heuse colleges van bestuur. Het conservatorium
zit nu in een bestuurlijke eenheid met de HEAO, de HTS, de pedagogische academie
en wat dies meer zij. Aan die samenvoegingen liggen nauwelijks onderwijskundige
ideeën ten grondslag. Terwijl het bedrijfsleven nu al weer een decennium bezig
is met de verwerking van het idee dat ‘big’ zeker heel vaak niet gelijk is
aan ‘beautiful’, gaat men in het onderwijs er nog onverminderd van uit dat
schaalvergroting de efficiency en de kwaliteit van het onderwijs zal verbeteren.
In deze sector wordt door de beleidsmakers nog steeds geloofd dat het samenvoegen
van wezensvreemde onderdelen vrijwel als vanzelf synergetische effecten zal
hebben.
Diegenen die werkzaam zijn in de dagelijkse praktijk van het onderwijs constateren
intussen iets heel anders. Die grote megalomane instituten leveren absoluut
geen onderwijs op maat en produceren een hele hoop vervreemding voor studenten
en docenten. De menselijke maat is totaal verloren gegaan. Niemand voelt zich
meer echt voor iets persoonlijk verantwoordelijk. De identiteit van veel instituten
verwatert in een hoog tempo, bestuurd als zij worden door technocraten die
bij wijze van spreken net zo goed een snoepjesfabriek zouden kunnen leiden.
De leermeester-leerlingverhouding lijkt door dit alles onherstelbaar verwoest.
Toch ligt daarin de essentie van het onderwijs. Overdracht van kennis is het
middel waardoor die leermeester-leerlingrelatie gestalte krijgt. Velen in
het onderwijs denken echter dat de overdracht van kennis het einddoel is.
Niets is minder waar. Zeker in een maatschappij als de onze waar niets zo
snel veroudert als kennis, is vorming het allerbelangrijkste en constante
produkt dat het onderwijs kan afleveren. Met vorming kun je een heel leven
vooruit, kennis moet voortdurend worden bijgespijkerd. Dat betekent terugkeer
naar de menselijke maat waarin de verhouding leermeester-leerling kan bloeien.
Ergo: terugkeer naar kleine instituten van ten hoogste zo’n zeshonderd studenten.
Dat er door al die instituten moet worden samengewerkt spreekt voor zich.
Het is niet dienstig om iedere keer weer het wiel uit te vinden. De moderne
managementliteratuur wijst ons daarin met behulp van de informatica de weg.
Het bouwen van netwerken om de synergie van samenwerking binnen te halen is
tenslotte tegenwoordig een fluitje van een cent. Het zou goed zijn indien
het departement van onderwijs, kunst en wetenschappen zich dit eens zouden
realiseren!
Deze column is verschenen in Sum november 1994
Toen ik in 1989 met de OV-Studentenkaart begon, kostte die kaart vierhonderdzeventig
miljoen gulden. Het was een kaart waarmee de student het hele jaar door kon
reizen met aIle vormen van openbaar vervoer die Nederland kent. Bij wijze
van spreken 24 uur per dag. De nieuwe OV-Studentenkaart die een november jongstleden
is ingevoerd, kost bijna een miljard gulden en zal gedurende de looptijd van
het contract de een miljard zeker overschrijden. Die kaart werd en wordt natuurlijk
betaald door de studenten zelf.
In 1989 waren er voor de student eigenlijk alleen maar voordelen aan de kaart
verbonden. Tegen een bedrag van ruim zestig gulden in de maand had hij een
kaart waar weliswaar niet de wereld maar zeker Nederland mee kon worden veroverd.
Het enige nadeel dat aan de kaart kleefde, was dat het gedwongen winkelnering
was. Of je de kaart nu wilde hebben of niet, je moest hem afnemen. Dat kon
ook niet anders, omdat de goedkope prijsstelling nu eenmaal direct verband
hield met de bulkafname van de kaart door het ministerie van Onderwijs.
We zijn nu ruim vijf jaar verder en er is een nieuw contract. Dat nieuwe contract
is niet alleen twee keer zo duur, maar voorziet bovendien in een slechter
produkt. De student kan op deze kaart nog maar beperkt reizen. Hij moet kiezen
tussen een week- of weekendkaart, mag er niet op reizen gedurende de vakanties
en is bovendien een keer zo duur uit. Dit contract is het resultaat van volstrekt
tekort schietende onderhandelingsvaardigheid van de toenmalige minister van
Onderwijs in het kabinet Lubbers Ill, Ritzen. Hij heeft de Nederlandse studenten
met dit wanprodukt opgescheept. De gedwongen winkelnering breekt de student
nu echt op. De openbaarvervoersbedrijven hebben zich ten tijde van de contractonderhandelingen
goede kooplieden getoond, de minister een slecht beheerder van de portemonnaie
van de studenten.
Heeft dit wanbeleid van de vorige minister nu enig politiek gevolg voor de
huidige minister in het kabinet Kok, die toevallig een en dezelfde is? Naar
het zich laat aanzien niet. De Kamer lijkt niet bereid de minister hierover
hard aan te vallen. Er is natuurlijk alle reden toe, want deze fenomenale
kostenstijging valt voor een klein deel te verklaren uit de stijging van de
openbaarvervoerstarieven. Er zijn ministers om minder naar huis gestuurd!
Ritzen heeft bij de aanvaarding van zijn nieuwe termijn zijn ziel aan de duivel
verkocht en is daarmee de gevangene van zijn bazen. Vlak voor hij in beeld
kwam als opvolger van zichzelf wist hij nog te melden dat de bezuinigingen
op onderwijs de absolute limiet hadden bereikt. Enkele dagen later aanvaardt
hij een bezuinigingsopgave in deze kabinetsperiode van ten minste anderhalf
miljard gulden. Ritzen mag dat nu gaan waarmaken en zal dat ook proberen te
doen. Zolang hij zich daarvoor inspant mag hij blijven zitten van zijn bazen,
zoals het een goed zetbaas betaamt!
Deze column is verschenen in Sum december 1994
‘Verveling’ is des duivels oorkussen, zeiden de moeders die mijn generatie
hebben grootgebracht. We hebben hen, zoals het hoort, daar natuurlijk om uitgelachen
maar werden intussen wel zodanig door hen opgevoed dat we probeerden ons niet
te vervelen. Deden of doen we dat toch, dan trachten we dat op alle mogelijke
manieren te maskeren. Mijn generatie is een grote taboedoorbreker geweest,
maar dit taboe hebben we met rust gelaten. Als we ons vervelen doen we alsof
dat niet zo is, alsof we denken of zomaar wat uitrusten. Betrapt iemand ons
op onze verveling, dan krijgen we een rood hoofd en verzinnen een uitvlucht.
Zo niet jullie generatie.
Er rust geen enkel meer op verveling en het is in de hedendaagse belevingswereld
zeker niet des duivels oorkussen. Politici van GroenLinks proberen de aandacht
op zich te vestigen door een house-party te organiseren. Vrijwel letterlijk
bezopen zoiets: een politieke discussie voeren terwijl de housemuziek je uit
de luidsprekers wordt toegeblazen. De meeste jongeren beschadigen met deze
muziek levenslang hun gehoor, laat staan dat je daar als politicus bovenuit
kan komen. Erger is echter dat het de meeste jongeren ook geen bal kan schelen.
Er is weinig belangstelling voor maatschappelijke vraagstukken van een iets
bredere strekking. De belangstelling reikt niet veel verder dan waaraan je
direct, hier en nu, iets kunt doen.
Problemen die een langere adem vergen zijn aan jullie niet besteed. De meesten
stemmen dan ook op de flodderpartij D66. De EO brengt schaamteloos een documentaire
over vakantievierende jongeren. Hun enige vertier blijkt te zijn: rondhangen,
zuipen, seks en sommigen brengen een heimelijk bezoek aan de evangelisatietent.
De EO-organisatie ‘ontfermt zich’, zoals dat heet, over deze jongelui onder
het motto: ‘Jullie zijn lang zo slecht nog niet als jullie je voordoen.’ Een
schop onder je kont, zullen ze bedoelen!
Nu kan ter verdediging worden aangevoerd dat wij, jullie opvoeders, het er
ook wel naar hebben gemaakt. We zijn vergeten jullie eisen te stellen. We
hebben het goede voorbeeld zelden gegeven en hebben jullie – heel goed bedoeld
– toch wel erg aan jullie lot overgelaten. Daarnaast zijn we op een weerzinwekkende
manier gehecht aan onze posities. We wensen geen centimeter van onze macht,
invloed en welvaart prijs te geven. Dit zal de huidige generatie jongeren
dus straks nog opbreken, want jullie zijn niet bepaald opgevoed in het breken
van weerstand. Integendeel, het zal nog lang een fluitje van een cent blijken
om jullie buiten de deur te houden. Ondertussen vervelen jullie je te pletter
en verpakken dat in een levensstijl van niet aflatend entertainment. Het leven
als groot vermaak. De nadagen van het Romeinse Rijk zijn er hiermee vergelen
niets mee. De landing zal wel even hard zijn. Niet voor ons maar oor jullie.
Overdreven, deze algemene schets van de huidige generatie? Ik ben de eerste
die dat hartgrondig hoopt!
Deze column is verschenen in Sum juni 1994
Nederland kan weer rustig gaan slapen. De ruzie in het hoger onderwijs is
voorbij. De bestuurderen, inclusief die van de studentenorganisaties, hebben
hun geschil op slaapverwekkende Hollandse wijze bijgelegd. Achteraf bezien
ging het allemaal over niets. Her en der zijn de potjes aangesleept en is
hutje bij mutje gelegd om de bezuinigingen althans boekhoudkundig in te boeken.
Iedereen een bluts. De universiteiten, de hogescholen, het ministerie en natuurlijk
de studenten. Echte veranderingen zijn behendig uit de weg gegaan. Hoewel,
de studiefinanciering wordt met een miljard gulden verder uitgekleed en het
collegegeld gaat met vijfhonderd gulden per jaar omhoog. Dit komt net a1s
de miscalculatie van minister Ritzen inzake de OV-studentenkaart, groot honderdvijfentwintig
miljoen op jaarbasis, allemaal ten laste van het studenteninkomen. Op een
socialistische manier natuurlijk. De hoogste en de middeninkomens, van de
vreselijk rijke mensen die ons land nog telt, betalen het gelag. Als je in
een iets beter wiegje bent geboren dan zul je het weten ook en dit als jongmens
betalen met grotere ouderafhankelijkheid dan je soortgenoten die op modaal
niveau zitten en daaronder. Boeten zul je voor je steen- en steenrijke ouders.
Het zal mij benieuwen hoe lang dit nog duurt, hoe lang die zogenoemde rijke
ouders nog in dit land willen vertoeven, waarin inmiddels ook de VVD en D66
een dergelijk voor jonge mensen asociaal beleid voor hun rekening wensen te
nemen. De politiek heeft overigens niet het lef om de kosten onmiddellijk
bij die 'rijke' ouders in rekening te brengen middels het belastingbiljet,
maar doet dat door de toegangsdrempel voor hun kinderen financieel te verhogen.
Deze jonge mensen mogen vervolgens proberen om het met hun ouders eens te
worden. Een situatie waaraan door de invoering van het stelsel van de studiefinanciering
een eind is gemaakt.
Toen ik studeerde in de jaren zestig kwam het maar al te vaak voor dat rijke
ouders,die toen nog echt rijk waren, hun studerende kinderen de kinderbijslag
onthielden en ook voor de rest geen toelage verstrekten. Zij waren de echte
gedupeerden in die tijd en er zat voor hen niets anders op dan een werkstudentschap.
Sommige emancipatieprocessen zijn dus heel wel omkeerbaar en dat doet vrezen
voor de toekomst onder paars. Ondertussen is het onafwendbaar dat de student
meer dan voorheen zelf zal moeten bijdragen aan de kosten van zijn studie.
De student als consument, naar ik hoop een kritische consument. Er ontbreekt
nogal het een en ander aan de kwaliteit van het consumentenprodukt hoger onderwijs.
Massale, slecht verzorgde colleges bij voorbeeld, veel en veel te weinig contacturen
met docenten, te weinig echt aansprekende docenten, heel veel bureaucratie
en weinig aandacht voor het onderwijsprodukt en voor de wensen van de klant:
de student. Met name universiteiten maken zich daar op grote schaal schuldig
aan. Daar wordt heel veel meer tijd, menskracht en kapitaal besteed aan onderzoek,
want dat brengt immers veel geld in het universitaire laatje. Het wordt de
hoogste tijd dat de student gaat eisen dat hij waar krijgt voor zijn geld.
Hij steekt zich immers fors in de schulden in het besef dat hij niet zeker
weet of hij deze ooit kan aflossen. Afgezien van de vraag of je nog wel wilt
studeren, is het verstandig om bij een positieve beslissing, kwaliteit, en
nog eens kwaliteit te eisen. Daar zou het debat over moeten gaan en daar zouden
studentenbestuurders zich in de eerste plaats druk om moeten maken.
Deze column is verschenen in Sum maart 1995
Jong zijn in Nederland, is dat leuk? Ja natuurlijk, jong zijn is immers meestal
leuk, vooral in een welvarend land als het onze. Je lijdt geen gebrek, er
is een mooi veelzijdig uitgaansleven en er zijn ongelooflijk veel mogelijkheden
om je te ontplooien. Tal van studies en studiemogelijkheden staan tot je beschikking.
Je kunt geleerde worden, maar ook een mooi beroep kiezen, tandarts bij voorbeeld
of advocaat. Je kunt een goed vak leren, loodgieter of elektriciën worden.
Je kunt zelfs kunstenaar worden, beeldend of uitvoerend. Als je niet beter
zou weten, zou je kunnen denken dat je leeft in een aards paradijs.
Toch valt op dit rooskleurige beeld wel wat af te dingen. Groeien gaat immers
altijd gepaard met pijn en gaat zelden vanzelf. Het is voor de meesten toch
een hele klus om uit het aanbod van talloze mogelijkheden iets te kiezen.
De keuze moet maar al te vaak een leven lang mee en dat is dus een zware opgave.
Daarnaast moet je erachter zien te komen wie je eigenlijk bent. En ook dat
is niet gemakkelijk. Ben je degene die anderen willen dat je bent, of wil
je proberen dat zelf uit te maken?
De eerste weg lijkt het gemakkelijkst, maar kan in het latere leven tot problemen
leiden. Immers, zijn wie anderen denken dat je bent vereist een voortdurend
toneelspel en dat is naast vermoeiend ook castrerend. Je bent er tenslotte
voor weggelopen en hebt niet uitgezocht wie je ten diepste bent en wilt zijn.
Toch is dat een weg die veel mensen gaan. Het oerhollandse gezegde ‘doe maar
gewoon dan doe je al gek genoeg’ sterkt velen in de opvatting dat het zo maar
het beste is.
Je kunt kiezen voor regelmatig zelfonderzoek. Dan behoor je bij een kleine
voorhoede van mensen die hun eigen weg gaan. Dat is heel enerverend, en de
beloning is niet gering, maar het is ook een met angst en vrees beladen avontuur.
Je kunt dan niet links en rechts over je schouder kijken om je koers te bepalen,
neen, je zult je eigen kompas moeten ontwikkelen en dat gaat door heel veel
vallen en evenveel keren weer opstaan. Het is ook eenzaam, want ook je hartsvrienden
en –vriendinnen kunnen je daar niet in raden, zelfs de ene prins of prinses
op dat witte paard niet. Ze kunnen met je meedenken, ze kunnen vertellen van
hun eigen ervaringen, maar jij moet zoeken, afwegen en daarna geheel alleen
besluiten en opdraaien voor de gevolgen. Dat is soms een hard gelag, maar
de beloning is groei.
Je hebt twee soorten mensen, jonge en oude mensen. Dat heeft niets met leeftijd
te maken. Jonge mensen kiezen voor het pad van de groei, keer op keer een
leven lang, oude mensen passen zich aan en doen wat anderen van hen verwachten
en vragen, eveneens een leven lang. Je kunt daar ver mee komen. In ons land
kun je er zelfs minister-president mee worden. Toch hoop ik dat velen van
jullie kiezen voor dat smalle moeilijke pad, dan zal Nederland nog decennia
lang kunnen profiteren van deze generatie. Jong, op groei gericht en een levenlang
vitaal!
Deze column is verschenen is Sum april 1995
De meesten van jullie denken na het afstuderen een klassieke ban te verwerven
in het bedrijfsleven of in de collectieve sector. Dat zou weleens tegen kunnen
vallen. Ik doel hierbij niet alleen op de betrekkelijk hoge werkeloosheid
onder de academici en afgestudeerden van het HBO – 33 procent heeft een jaar
na het afstuderen nog geen baan en Nederland telt momenteel 130.000 werkloze
academici – maar vooral ook op de veranderde positie van de werknemer in het
algemeen en die van de hooggeschoolde in het bijzonder. In ons soort samenlevingen
is intussen sprake van een zekere overscholing, in die zin dat niet voor iedere
hooggeschoolde een daarbij passende baan beschikbaar is. Het zal steeds vaker
voorkomen dat een hooggeschoolde een deel van zijn hele beroepsleven werk
zal verrichten dat beneden zijn mogelijkheden ligt. Het automatische verband
tussen hoge scholing, hoge baan en hoog salaris verdwijnt in rap tempo en
komt nooit weerom.
Je kunt je daarin schikken of denken: dat overkomt mij niet, maar dan loop
je de kansen die er wèl zijn en vooral komen mis. Indien je besluit niet te
gaan voor een vaste betrekking, maar voor een losse contractuele binding dan
haal je de toekomst naar je toe. We gaan toe naar een wereld van post-industriële
contractarbeid, dat wil zeggen arbeid die wordt verleend voor de duur van
een bepaalde klus. Dat kunnen voltijdige contracten zijn, maar ook een aantal
contracten die tegelijkertijd lopen. Het is allemaal afhankelijk van de soort
deskundigheid die je te bieden hebt, de vraag daarnaar en de onderhandelingsbekwaamheid
waarover je beschikt.
Deze trend tekent zich momenteel wereldwijd af. De traditionele baan heeft
zijn langste tijd gehad en wordt vervangen door het contract van bepaalde
duur. Een volwassen contract waarin beide partijen hun rechten en plichten
vastleggen. De post-industriële contractarbeider regelt in zijn contract de
hele winkel, van inkomen tot en met verzekering, autovergoeding en dergelijke.
Hij spreekt een bedrag af waarvoor hij het doet. Alles inclusief.
Het is van belang dat je daar nu al over gaat nadenken, hoe dat straks aan
te pakken. Hoe kom ik aan mijn contracten? Bij welke bedrijven of instellingen
wil ik die in de wacht slepen? Wat moet er in zo’n contract allemaal gereld
worden? Welke soort verzekeringen wil ik hebben, waar kan ik die krijgen en
tegen welke prijs? Anders gezegd, contract-arbeid vereist dat je ondernemer
wordt van je eigen arbeid. Dat je weet wat je kunt. Dat je weet wat je bedingen
moet. Dat je weet waar je je orders vandaan haalt. Dat je weet wat je nog
verder wil leren en waar je dat kunt en hoe je dat regelt binnen de grenzen
van het door jou af te sluiten contract. Kortom, spannend, ondernemer worden
van je eigen arbeid, heel wat zelfstandiger dan solliciteren op de een of
andere baan die op den duur in deze vorm toch verdwijnt!
Deze column is verschenen in Sum mei 1995
Politie en Openbaar Ministerie hebben een nieuwe vijand ontdekt; 'gabbers'.
Deze leeftijdgenoten van jullie zijn dikwijls goed opgeleide vaklieden met
LBO en vervolgopleidingen. De meesten van hen hebben betaald werk. Gabbers
onderscheiden zich van andere jongeren door hun eigen cultuur .Sportjackies
met daarop onze nationale driekleur, sportschoenen en afgetrapte spijkerbroeken.
Het weekend vormt voor hen het hoogtepunt van de week. Dan wordt er gezopen,
gedanst op keiharde oorverwoestende house-muziek, ook wel gabber-house genoemd,
en worden er allerhande pillen naar binnengewerkt, zodat de zaterdag en zondag
wordt doorgebracht in een stimulerende en tegelijkertijd verdovende extase.
Politiek zijn gabbers rechts georiënteerd. Daarin schuilt ook de belangstelling
van de politionele autoriteiten voor jullie leeftijdgenoten.
De gabbers zijn van mening dat het slecht gaat met Nederland, dat de Nederlandse
identiteit is verwaterd tot een absoluut dieptepunt. Volgens de gabbers weet
niemand iets van onze nationale geschiedenis. De gabbers zelf weten des temeer,
van de wording van de Republiek tot heden. Kom daar nog maar eens om bij de
hedendaagse student. Die lijkt dat allemaal niets te interesseren, in voorbereiding
als hij is op zijn aanstaand wereldburgerschap of tenminste het euroburgerschap.
Studenten krijgen daarin het 'goede' voorbeeld van de huidige minister van
Buitenlandse Zaken, Van Mierlo (D66), die op een vraag over hoe hij denkt
over het Nederlanderschap doodleuk antwoordt: "Daar denk ik nooit over
na. Ik voel mij Europeaan en vind het wel spannend om na te denken over het
naderende einde van de natiestaat." In een echt land, zoals bijvoorbeeld
Duitsland of Groot-Brittannië, zou een dergelijke uitspraak van een minister
van Buitenlandse Zaken een politieke rel veroorzaken van de eerste orde. Zoniet
in Nederland. Hier gaan politieke rellen over de deugdelijkheid van een magneetkaartje.
De gabbers hebben dus wel degelijk gelijk als ze vinden dat het bergafwaarts
gaat met die Nederlandse identiteit. Ze overdrijven daarin en provoceren vooral.
De provocatie betreft vooral de houding ten opzichte van vreemdelingen. Zij
zouden medeverantwoordelijk zijn voor de erosie van de nationale identiteit.
Op zo 'n moment halen ze natuurlijk wel oorzaak en gevolg door elkaar. De
erosie van onze nationale identiteit heeft alles met onszelf te maken en met
de ziekte van het nihilisme en het cultuurrelativisme. Dit wordt gevoed door
een verkeerde benadering van de internationalisering van de economische en
culturele wereldorde; een proces dat nog veel verder zal voortschrijden en
dat nationale identiteiten zeer onder druk kan zetten. Op zichzelf is dat
gevaarlijk, omdat een goed internationaal acteren alleen kan, indien men heel
goed weet wie en wat men zelf is, zowel wat betreft de zwakke als de sterke
kanten.
Voorts is het internationaliseringproces gevaarlijk, omdat de zorg voor de
regio en de natie in een steeds mondialer wordende wereld aan steeds minder
instituties automatisch is toevertrouwd. De onderneming is niet meer persé
regionaal of nationaal, de arbeidsmarkt wordt steeds internationaler en het
openbaar bestuur wordt steeds grootschaliger. Wie bekommert zich in die orde
nog om het dorp, de stad, de regio en het land? Dat wordt de grote vraag de
komende tijd. Een belangrijke vraag, omdat de meerderheid van onze bevolking
afhankelijk zal zijn en blijven van dit relatief overzichtelijke, geografische
verband. Gabbers wijzen ons daar op hun manier op en het is de moeite waard
om naar hen te luisteren. Maar waar zij vreemdelingen aanwijzen als erosiefactor
voor nationale identiteit, moeten ze nog wat bijgeschoold worden. Dit lijkt
mij een goede taak voor jullie, want dan spijker je je kennis ten aanzien
van vraagstukken van nationale identiteit en nationale geschiedenis ook nog
bij. En laat justitie en politie dan weer gewoon gaan doen waarvoor ze zijn
aangesteld: boeven vangen!
Deze column is verschenen in Sum juni 1995
De gemeenteraadsverkiezingen zijn achter de rug en een ongekend laag aantal
kiesgerechtigden is naar de stembus gegaan, met name in de grote steden. In
Amsterdam, Den Haag en Rotterdam lag het opkomstpercentage beneden de vijftig
procent. Bolkestein (VVD) is daar snel klaar mee. De niet-stemmers zijn tevreden
burgers.
Zo simpel is het niet. Desinteresse van burgers in het lokale openbare bestuur
in een geëmancipeerde samenleving als de onze tast de legitimatie van dat
bestuur aan. Betonrot noemen we dat in vaktermen. Het gebouw lijkt solide,
maar het sluipende gevaar van instorting is voortdurend aanwezig. Meestal
stort zo'n gebouw in op een moment dat je er niet op bedacht bent.
Deze desinteresse is een serieus probleem en zegt iets over het weinig aansprekende
karakter van het beleid en de desbetreffende personen in het college van B
en W. Politici zouden daar structurele en personele conclusies aan moeten
verbinden. De gekozen burgemeester bijvoorbeeld, stopzetting van de schaalvergroting
in het lokale openbare bestuur en het aantrekken van aansprekende personen
als wethouder. Als het salaris een belemmering vormt moet dat gewoon worden
opgetrokken, dat zijn immers de peanuts op de meeste gemeentelijke begrotingen.
Van Paars horen we niets over dit alles. Nu er problemen zijn, zijn het ineens
lokale verkiezingen, terwijl tijdens de campagne niets werd nagelaten om het
beeld van nationale verkiezingen weg te nemen. Dat kinderachtige gezeur bijvoorbeeld
tussen Kok (PvdA) en Bolkestein over wie er straks de baas mag worden. Een
gotspe van de eerste orde, daar wij in dit land de minister-president niet
eens mogen kiezen. Ook zo'n aardige verandering waar de tijd meer dan rijp
voor is en waar de democratie een flinke oppepper van zou krijgen. Gekozen
premier en burgemeester formeren vervolgens volgens eigen inzicht en met inachtneming
van de politieke verhoudingen een kabinet dat gaat regeren in land en gemeente.
Aardige, vitale en goede ideeën van D66, die nu maar eens moeten worden ingevoerd
Hoezeer de landelijke partijen ook hebben geprobeerd om van de gemeenteraadsverkiezingen
een landelijke campagne te maken, de kiezer heeft hen in het stof laten bijten.
De lokale partijen hebben deze verkiezingen gewonnen en niet de landelijke
partijen. In een plaats als Utrecht of Hilversum is de lokale partij zelfs
uitgegroeid tot de grootste, in Utrecht bovendien in één keer. Je zou als
eenvoudig burger verwachten dat deze overwinning wordt beloond en daarmee
de kiezer gerespecteerd. Niets is minder waar. De zittende lokale politieke
elite van de landelijke partijen loopt onmiddellijk te hoop om de nieuwkomers
uit het college van B en W te weren.
Het omgekeerde zou moeten gebeuren. De zittende elite zou dit teken van de
burger moeten respecteren en er alles aan moeten doen om de nieuwkomers in
het college op te nemen. Dat zij nog geen bestuurservaring hebben is absoluut
geen argument en dat hun programma aanmerkelijk afwijkt van dat van de zittende
partijen al helemaal niet. Daar zijn deze lieden nu juist om gekozen. Blijkt
het na vier jaar de kiezers niet te bevallen, dan zullen zij dat zelf wel
corrigeren. Dat is democratie, en niet deze incestueuze relatie van een stelletje
bangeriken dat meer geïnteresseerd is in het behoud van hun eigen wethouder
dan in het ten uitvoer brengen van de wensen van de kiezer. Het zou de landelijke
partijen sieren indien zij hun lokale vertegenwoordigers op dit punt tot de
orde zouden roepen.
Dan is daar nog het wegvagen van wat in dit land extreem rechts wordt genoemd.
Politie en justitie doen hun best Janmaat te treiteren door hem voor elk wissewasje
voor de rechter te dagen. Bijvoorbeeld omdat hij zegt dat Nederland vol is.
Ik ben het graag met hem en met al die milieuactivisten eens. Nederland is
barstensvol en we zouden daar eens wat conclusies aan moeten verbinden. Een
uiterst restrictief toelatingsbeleid voor vreemdelingen, met name voor die
vreemdelingen die aan de economische voortgang van dit land geen bijdrage
kunnen leveren, nu niet en in de naaste toekomst niet.
Welnu, extreem recht is dus weggevaagd. Betekent dit nu ook dat men in ons
land over het vreemdelingenvraagstuk minder rechts is gaan denken? Nee, natuurlijk.
Het probleem met Janmaat is tweeërlei. Ten eerste is het niveau van deskundigheid
van Janmaat en zijn partijkader te beperkt om werkelijk iets te betekenen
in de landelijke en lokale politiek. Het is teveel een verzameling van roepers
en neezeggers en daarmee maak je geen politiek, landelijk noch lokaal. Ten
tweede is het politieke issue ingelijfd door de elite van de middelgrote partijen,
de VVD voorop. Het verguisde gedachtegoed van Janmaat is grotendeels geruisloos
overgenomen door de VVD en de PvdA en in iets mindere mate door het CDA en
D66. Janmaat heeft nu het nakijken.
Tot slot spreek ik twee wensen uit voor het nieuwe kabinet. Eén: realiseer
na 1998 een uiterst restrictief vreemdelingentoelatingsbeleid zodat we niet
langer hoeven dweilen met de kraan open. Twee: zet een deltaplan op voor de
integratie van vreemdelingen in de steigers op sociaal, cultureel, onderwijskundig
en economisch niveau. En van mij mag dit deltaplan van specifiek op hun integratie
gericht beleid miljarden kosten, zoiets als de Maasvlakte en de Betuwelijn
tezamen, twintig miljard gulden om mee te beginnen dus. Dat is echter goed
besteed geld, het is investeren in de toekomst en zal zich met rente terugbetalen.
© Pim Fortuyn - 14 maart 1998
1.
2.
3.
4.
Het onderwerp pedofilie is niet van de krantenpagina's te slaan. Na Dutroux
in België heeft Nederland zo zijn eigen affaires, rijp en groen. Van moord
tot het elkaar seksueel betasten van kinderen onderling.
Toen ik jong was, viel dat laatste onder het hoofdstuk 'doktertje spelen'.
Geen moeder die daar een woord aan vuil maakte. Wij hadden een groot huis
met een zolder en gingen daar met vriendjes en vriendinnetjes op spelen, en
als vanzelf ontaardde dat in doktertje spelen. Als het te stil werd, kwam
mijn moeder snel met een dienblad vol glazen ranja binnenlopen. Zij deed dan
of ze niets zag. Ons spel ging daarvan op een natuurlijke wijze over op iets
anders.
Sedert de kolonisatie van de wereld van het kind door volwassenen zijn dergelijke
eenvoudige oplossingen nog zelden voorhanden. Het valt onmiddellijk onder
het hoofdstuk ongeoorloofde en ongewenste intimiteiten, en voordat de kinderen
het doorhebben, is er een stoet van gogen die zich over hen ontfermt. Daardoor
wordt iets wat geen probleem was - het ontdekken van de wereld van de andere
sekse - ineens een levensgroot probleem. En als die kinderen ergens van getraumatiseerd
zouden kunnen raken, is het wel van deze bespottelijke aandacht en zorg om
niets.
Inmiddels houdt ook de premier zich met dit gewichtige vraagstuk bezig, weliswaar
niet uit eigen beweging, maar toch. En dan gaat het vooral over pedoseks:
seksuele aandacht van een volwassene voor en handelingen met een kind, jongetje
of meisje. Al snel komt daar tegenwoordig justitie aan te pas, en als het
kan worden aangetoond, verdwijnt de desbetreffende volwassene voor een tijdje
in de lik.
Pedofilie is net als hetero- of homoseksualiteit. Het is iets dat in de genen
zit, je kunt er dus weinig of niets aan en tegen doen, je bent wie je bent.
De sociale context doet er nauwelijks toe, vroeg of laat komt de neiging onweerstaanbaar
naar boven. Het is net zomin als hetero- of homoseksualiteit te genezen. De
kans op herhaling is dus levensgroot aanwezig. Daar wringt precies de schoen.
Tijdens en na het verblijf in de lik wordt de pedofiel er weliswaar op gewezen
dat dit niet kan en dat hij of zij zich moet zien te beheersen, maar ja het
zijn mensen als u en ik. Dus 100 procent zekerheid dat de pedofiel niet in
herhaling valt, is niet te geven.
In Amerika hebben ze daar, als zo vaak, iets op gevonden. De naam van de dader
wordt, na terugkeer in de maatschappij, bekendgemaakt in de buurt waar hij
gaat wonen opdat de ouders zijn gewaarschuwd en ze hun kroost bij deze mogelijke
recidivist weg kunnen houden. Barbaarse toestanden natuurlijk, maar het werkt,
en in Amerika draaien ze hun hand niet om voor de strafrechtelijke vervolging
van een jongetje van elf jaar dat het broekje van zijn zusje omlaag heeft
getrokken en zijn beklede kruis tegen haar ontblote bipsje heeft aangedrukt.
Dit alles op basis van een getuigenis van een buurvrouw, foei toch!
Inmiddels is het niet meer nodig dat de autoriteiten de naam van de dader
aan de buurt bekendmaken, internet bewijst zijn moderne diensten, de ouders
kunnen het zelf. In geval van verhuizing van de dader is ook dat karwei via
internet zo gepiept. Goed voorbeeld doet goed volgen, dus is er nu ook in
Nederland het burgerinitiatief om veroordeelde pedofielen op het internet
te zetten. Een moderne schandpaal!
In reactie op een aantal uit de hand gelopen affaires denkt de minister van
Justitie nu na over mogelijke vormen van begeleiding van pedofielen die hun
straf hebben uitgezeten. Gedacht wordt aan de inschakeling van de wijkagent
en verplichte begeleiding door de reclassering. Maar ja, de minister ziet
de eisen om meer geld al op zijn bordje liggen, en dus zal er wel niks van
komen. Dat het land maar weinig veroordeelde pedofielen telt, zal op politie
en reclassering weinig indruk maken, zij kunnen deze taak er onmogelijk bij
doen, zo gaat dat hier.
Intussen verzet de premier zich krachtig tegen de publieke schandpaal van
internet, maar hij kan daar ten eerste helemaal niets aan doen - het medium
is terecht vrij - en ten tweede staat hij met lege handen, daar van begeleiding
van de gestrafte pedofiel geen sprake kan zijn in verband met de kosten. Het
gezonde verstand zal zegevieren en de bewoners zullen het via dit publieke
meldsysteem zelf wel oplossen. Verschrikkelijk, maar waar!
De rechtsfilosoof en pedofiel Brongersma, jarenlang senator voor de PvdA,
heeft zijn leven lang gestreden voor begrip voor de pedofiele medemens. Hij
begon daar onverschrokken aan na het uitzitten van een gevangenisstraf voor
ongewenste intimiteiten met een minderjarige. De desbetreffende minderjarige
had het helemaal niet ongewenst gevonden, maar justitie oordeelde in de jaren
vijftig anders.
In de jaren zestig en zeventig kreeg Brongersma langzaam maar zeker voet aan
de grond. Na de uitvinding van de pil was er de bevrijding van de seks. Homoseks
werd geaccepteerd, en waarom zou dan - onder de strikte voorwaarde dat het
kind het wil en dat het niet wordt gedwongen - pedoseks niet zijn toegestaan?
Dit verlichte standpunt is inmiddels verlaten en onder invloed van de gogen
is het kind neergezet als geheel en al vrij van seksuele lusten, in elk geval
tegenover volwassenen.
We zijn ver verwijderd van het begrip dat Brongersma trachtte te kweken, overigens
tot schade van onszelf, want alles wat bespreekbaar is, is in beginsel ook
beheersbaar, moet u maar denken!
Pim Fortuyn
Ik heb er tot nu toe hardnekkig het stilzwijgen toegedaan, omdat ik het 'echtpaar'
op geen enkele manier de moeite van het becommentariëren waard vind. Maar
ja, het echtpaar is tezamen minister van Binnenlandse Zaken zoals het voorheen
burgemeester van Rotterdam was. Niemand heeft om mevrouw gevraagd, maar eerst
de stad en nu het land krijgt haar er gratis bijgeleverd, twee voor de prijs
van een, zal ik maar zeggen!
Het paar is uiterst bekwaam, zou wijlen Wim Sonneveld zeggen, maar is bovenal
bekwaam in het zichzelf handhaven. Deze nonvaleurs (om oud premier Van Agt
(CDA) te parafraseren), die als beleidsmakers zeker iets in hun mars hebben
maar als mensen helemaal niets, terroriseren nu al sedert jaar en dag stad
en land of om met mijn oude vriend Wiegel (VVD) te spreken: de ordentelijke
mensen in het land.
Maar ik zou zeggen genoeg is genoeg, weg met het echtpaar, ondanks de verdediging
te vuur en te zwaard van het stel door de o zo onkreukbare timmermanszoon
uit Hendrik Ido Ambacht, de premier der Nederlanden, consensus-masturbant
en niet te vergeten staatsman: Wim Kok (PVDA). Kortom, elk land en volk krijgt
de regering die het verdient en kennelijk wilt u het echtpaar en de staatsman
verdienen.
De cabaretier Youp van 't Hek heeft intussen in zijn column in NRC-Handelsblad
de kern van de zaak blootgelegd. Natuurlijk is er door Neelie Peper-Smit en
haar echtgenoot geen fraude gepleegd op het Rotterdamse Stadhuis. Neelie en
Bram zijn tenslotte niet van de straat, heel vroeger wel maar dat hebben zij
reeds lang achter zich gelaten. Nu zijn zij een dame en heer in bonus en dat
betekent dat de overheid en haar geldpotten gewoon hun eigendom zijn, zoals
dat vroeger gebruikelijk was bij absolute monarchen.
24 uur per dag in de weer voor stad en land, dus schaamteloos gebruik maken
van alle diensten en emolumenten die dat biedt. Geen kwartje, wat zeg ik geen
stuiver, overdragen van je belastingvrije onkostenvergoeding aan de overheid,
wij dus, die zo goed voor je zijn. Zelfs niet de schijn meer hoeven ophouden,
dat je als echtpaar financieel bijdraagt in het schemergebied dat workaholics
van deze soort nu eenmaal creëren, want ja, wat is werk en wat is privé.
Is bijvoorbeeld de Kalfjes van De Bank ontvangen nu privé of zakelijk, immers
De Bank doet grote projecten in de stad. Een knappe accountant die hier een
salomonsoordeel over duft te vellen, nee dus en gelijk heeft hij. Het gaat
zoals Van 't Hek terecht stelde om de mentaliteit en die deugt niet, dus het
echtpaar deugt niet en van geen kanten! Iedereen in Rotterdam weet dat al
die verhalen over het echtpaar waar zijn, over persoonlijke kofferdragers
en alle andere ongein. Overigens waren de kofferdragers niet de bodes van
het stadhuis, maar het hoofd voorlichting of een andere hotemetoot.
Stadhuize, want het echtpaar was dol op vernederingen door hooggeplaatsten
van tav hen ondergeschikten. Het is te hopen dat deze schijthuizen met kilo's
boter op hun hoofd nu eindelijk eens hun bek durven open te trekken, zodat
niet alleen het hoofd van de keuken, een enkele bode en beveilingsbeambte
disciplinair worden gestraft, want deze vorm van klassenjustitie zit de bevolking
van Rotterdam hoog!
Het zat goed fout ten stadhuize zoals het goed fout zat op het Ministerie
van Verkeer en Waterstaat ten tijde van Minister Smit-Kroes (VVD). 20 Miljoen
gulden subsidie verstrekken aan frauduleus tankcleaningbedrijf (TCR) te Rotterdam
en dat alles na door de advocaat-generaal Mr Feber bij het Hof te Den Haag
gewaarschuwd te zijn voor dit bedrijf en deze directie. Het openbaar ministerie
was immers heel ver gevorderd in een onderzoek naar de criminele activiteiten
van directie en bedrijf.
Daar wist ons Neelie (VVD) wel raad mee, ze belde haar vriendje de Minister
van Justitie Hirsch Balin (CDA) en deze sufkeukel gaf het Openbaar Ministerie
op verzoek van zijn vriendin de minister opdracht het strafrechtelijk onderzoek
met onmiddellijke ingang te staken. En ja, ambtenaren zijn gehoorzaam en het
onderzoek wordt door de hogelijk verbaasde advocaat-generaal bij het Hof,
door ons Neelie publiekelijk uitgemaakt voor een gefrustreerd konijn, gestaakt.
Neelie heeft echter haar hielen nog niet gelicht of de nijvere advocaat-generaal,
een uitstekend en consensieus ambtenaar, zet zijn onderzoek voort en met resultaat:
de frauduleuse directie verdwijnt voor enige jaren achter slot en grendel
en zwijgt ter terechtzitting over de rol van hun (amoureuze- zo wil een zeer
hardnekkig gerucht-) vriendin, mevrouw de voormalige Minister van Verkeer
en Waterstaat.
Elke rechtgeaarde journalist zou onmiddellijk geïnteresseerd zijn in de reden
van dit opmerkelijke stilzwijgen, want een jaar of wat gevangenis is natuurlijk
niet niks voor de Rotterdamse elitebaasjes. Zulke journalisten kent ons land
niet, dus loopt ons Neelie nog steeds frank en vrij op vrije voeten rond,
wat zeg ik roert het brutaaltje zich stevig en plein public ten faveure van
haar mannie, haar beertje!
In een normaal land als Italië staan politici en hoge ambtenaren niet buiten
of boven de wet en hebben zij zich net als u en ik te verantwoorden voor de
rechter, zeker indien zij hun positie misbruiken om de rechtsgang te belemmeren.
Een doodzonde in een land waar de onafhankelijkheid van justitie en rechtelijke
macht worden gerespecteerd, maar zo niet in het bananen Koninkrijk der Nederlanden,
daar ga je als oud-minister gewoon vrij uit, er komt geen Openbaar Ministerie
en geen rechter aan te pas, dat regelen wij als politieke elite onderling
wel.
En uitgerekend deze vrouw, die waarschijnlijk in de lik thuis hoort, is de
publieke verdediger van die andere ongelikte beer, de Minister van Binnenlandse
Zaken, de waker over de integriteit van ons ambtenarencorps, die Prof. Dr.A.Peper
heet (PvdA).
Lief echtpaar, elk woord van deze column, wat zeg ik elke letter daarvan,
is bedoeld als een afront tegen jullie misselijkmakende praktijken. Ik en
ik alleen ben hiervoor verantwoordelijk! Ik daag jullie publiekelijk uit een
proces tegen mij aan te spannen wegens smaad. Ik lust jullie rauw, of zoals
ze bij ons in Holland zeggen, ik maak jullie in met boter en suiker. Komt
maar op als je durft, houdt de weinige eer die jullie nog rest aan jullie
zelf en spoedt jullie weg met het eerste het beste vliegtuig dat gaat, nonvaleurs
van de ergste soort!
Pim Fortuyn
Het was al met heel veel tegenzin dat ik mijn eerste column over het 'echtpaar'
schreef, met enige schroom schrijf ik nu een vervolg. De tegenzin zat hem
in het weinig interessante van het echtpaar, de schroom zit hem in de stevige
schrobbering die ik mocht ontvangen van Youp van 't Hek in zijn column in
NRC-Handelsblad van jongstleden zaterdag onder de titel 'Brammetje'.
Ik ben over het algemeen een groot liefhebber van het werk van Van 't Hek
in woord en geschrift. Dan valt het niet mee om uitgerekend door hem uitgemaakt
te worden voor dom, ijdel, smakeloos en zo nog het een en ander. Het moet
gezegd, ik ben het bij nader inzien geheel met Van 't Hek eens, ik zie het
in!
Opvallend is dat hij niet van het bestaan van internet op de hoogte is. Youp
maakt triomfantelijk aan de lezer duidelijk dat hij op slinkse wijze in het
bezit van de door ELSEVIER geweigerde column is gekomen, terwijl deze reeds
lang en breed op internet was gepubliceerd. Buitendien is Van 't Hek ervan
overtuigd dat ik al mijn academische titels gratis heb gekregen. Dat is niet
juist: de Vrije Universiteit te Amsterdam en de Rijksuniversiteit Groningen
leveren deze titels bij de Persil, maar dan moet je wel hard en veel wassen
en dat heb ik gedaan! Dit zijn slechts kleinigheden, de kern van zijn betoog
aangaande mijn persoon staat als een huis, waarvan akte.
Intussen gaat het onderzoek naar de bestuurscultuur van het echtpaar onverdroten
voort. Het Algemeen Dagblad, De Volkskrant en De Nieuwe Revu hebben er onderzoeksjournalisten
voor vrij gemaakt. De oogst daarvan belooft het een en ander. Zo zou Neelie
als president van Nijenrode op de hoogte zijn van een omvangrijke zwarte kas
op dat instituut en heeft het disciplinair gestrafte hoofd van de keuken van
B & W van Rotterdam - ja een eigen keuken en ook nog eens een keukenhoofd!
- een compleet dossier gedeponeerd bij de juridische dienst van zijn vakbond
de ABVA-KABO. Het gestrafte hoofd van de keuken wil er niet meer over kwijt
dan dat dit dossier zowel belastend is voor hemzelf als voor prof. Peper.
Hij heeft het bij zijn bond gedeponeerd om terug te kunnen bijten, indien
B & W van Rotterdam het in hun hoofd halen hem na het onderzoek van de
commissie uit de gemeenteraad opnieuw te straffen. B & W zijn dus gewaarschuwd.
Met die commissie uit de gemeenteraad is wel iets opmerkelijks aan de hand.
Voor de PvdA zit daar de heer Middelkoop in, een man die er gedurende de hele
ambtsperiode van Peper met zijn snufferd bovenop heeft gezeten. Voorts zit
er voor het CDA Franz Jozef van der Heiden in. Een man die Peper in de krant
verdedigt met de anekdote dat hij als kamerlid maar met Peper hoefde te bellen
of hij kreeg gratis en voor niemendal de partyboot van de gemeente Rotterdam
om in stijl een delegatie van buitenlandse kamerleden te ontvangen.
De Tweede Kamer heeft voor dit soort representatieve verplichtingen gewoon
een budget, maar onze Franz Jozef komt niet eens op het idee om Bram om een
ordentelijke rekening te vragen. Is dit spijkers zoeken op laag water? Zeker
niet, immers diezelfde Franz Jozef moest als Kamerlid oordelen over investeringsbeslissingen
van het Rijk in het Rotterdamse, maar ja moest die wel afwegen tegen investeringsbeslissingen
van het rijk in Groningen, Maastricht etc, omdat zelfs het Rijk een gulden
maar een keer kan uitgeven.
Als Kamerlid moet je in zo'n geval te allen tijde de schijn van belangenverstrengeling
vermijden en moet je niet terecht komen in een sfeer waarin een verleende
dienst een wederdienst veronderstelt. Tenslotte is de vrouw van de Minister
van Justitie, Korthals (VVD), voor de VVD lid van deze commissie. Wat nu als
er onverhoopt toch sprake blijkt van frauduleuze praktijken? Dan is haar man
aan zet en dit zal, lijkt mij in de ministeriële echtelijke slaapkamer leiden
tot onverkwikkelijke taferelen.
Kortom de Nederlandse politiek begint een behoorlijk incestueus karakter te
tonen, overigens zonder dat de betrokken politici daar erg in hebben. Tenslotte
zit Peper als Minister van Binnenlandse Zaken straks weer tegenover Vrins,
de voorzitter van de grootste ambtenarenbond (ABVA-KABO), om te onderhandelen
over de nieuwe arbeidsvoorwaarden van al die honderdduizenden ambtenaren die
ons land rijk is. Nu is er natuurlijk officieel een 'Chinese wall' tussen
de juridische dienst van de bond en de bestuurders, maar ja Vrins is ook maar
een mens, dus wie weet heeft hij toch een steelse blik weten te werpen in
het wellicht brisante dossier van het voormalige keukenhoofd. In dat geval
bevindt de Minister zich in een chantabele positie en dat zou hij niet moeten
willen.
Ondertussen moeten we wachten op het rapport van de commissie uit de gemeenteraad.
Het stadhuis aan de Coolsingel zit momenteel potdicht en dat is natuurlijk
terecht. Ze slaan daar ook volledig op tilt. Ik vond het wel zo fatsoenlijk
om hetgeen ik te weten ben gekomen te melden aan de commissie, opdat deze
het niet zou hoeven te vernemen via internet. Dat kostte meer dan een half
uur, elke ambtenaar aan de telefoon schoof deze hete aardappel volgaarne door
aan een meerbevoegde collega en zo eindig je tenslotte bij het hoofd voorlichting
dat niet anders kon doen dan de boodschap in armoede in ontvangst nemen.
Enfin wordt vervolgd, zal ik maar zeggen.
Pim Fortuyn
Rotterdam 12 november 1999
Onlangs kwam er weer een topmanager bij mij langs om in de biechtstoel zijn
hart te luchten en zijn geweten te ontlasten. In de loop der jaren is het
een nationale biechtstoel geworden van op een zijspoor gezette topmanagers.
Mensen die je niet weten te vinden in tijden van voorspoed, maar in tijden
van tegenspoed des te beter. Daarover beklaag ik mij overigens niet, want
dat zij op hun moeilijke ogenblikken mij zien als een waardevolle gesprekspartner
is een opsteker van de eerste orde.
Onderwerp van gesprek is natuurlijk het overhaaste vertrek bij het bedrijf
dat men dikwijls vele jaren heeft gediend. Een beslissing, zoals dat in die
kringen heet, die is genomen in wederzijds overleg tussen commissarissen en
directie. De werkelijkheid is dat de betrokkene geen andere keuze restte dan
op te stappen, omdat commissarissen het vertrouwen in hem dreigden op te zeggen.
Op die momenten hebben commissarissen in Nederland onwaarschijnlijk veel macht:
er komt geen aandeelhouder, kapitaalverschaffer of werknemersvertegenwoordiging
aan te pas. Dit gebeurt in alle beslotenheid en ook de gegeven redenen zijn
meer dan curieus. 'Verschil van inzicht' is wel de meest vergaande.
Waar dat verschil van inzicht dan wel over mag gaan, dat mag men raden. Niemand
zegt er iets over, ook niet de aan de kant geschoven topmanager. De laatste
heeft bij zijn afscheid een gouden handdruk gekregen en een wurgcontract dat
hem absolute zwijgplicht oplegt op straffe van het verlies van de handdruk
en een eventuele schadeclaim. De manager houdt dus stevig zijn kiezen op elkaar.
Niet dat we daar veel respect voor moeten hebben. Wie laat zich nu de mond
snoeren voor een aantal miljoen gulden? Het is als je ziel aan de duivel verkopen,
maar helaas is er op deze regel tot nu toe geen enkele uitzondering te bekennen.
Allemaal gaan ze voor die paar rotcenten, hoe fundamenteel dat verschil van
inzicht ook was.
Ik heb meegemaakt dat niet minder dan het voortbestaan van de onderneming
in het geding was. Een prachtig bedrijf bijvoorbeeld dat zogenaamd vanwege
de schaalgrootte zou moeten fuseren. Lariekoek, indien wordt bedacht dat het
een der grootste en beste ter wereld is. De opkoper is in werkelijkheid een
speculant met een dikke buidel geld, die straks door het opsplitsen van het
bedrijf nog heel veel meer geld hoopt te verdienen.
Werknemers hebben bij deze gang van zaken in ieder geval geen enkel belang
en of de aandeelhouder er goed uitspringt valt nog helemaal te bezien. En
toch zetten commissarissen door, hoewel ze nog niet zo lang geleden op het
verse graf van de stichter van het bedrijf hebben gezworen het bedrijf nimmer
te vervreemden. En dit is maar een voorbeeld dat ik moeiteloos met tientallen
voorbeelden kan uitbreiden.
Nu is het altijd moeilijk uit te maken wie gelijk heeft: de commissarissen
of de aan de kant geschoven topmanager. Zonder belang is dat intussen niet;
niet zelden is het zelfs van levensbelang voor de onderneming. We zullen hier
naar mijn oordeel iets aan moeten doen, in het belang van de werknemers, de
aandeelhouders, de kapitaalverschaffers en last but not least in het belang
van de Nederlandse economie en samenleving.
Die samenleving heeft tenslotte ook geïnvesteerd in het bedrijf en heeft recht
op openheid in dit soort conflicten, temeer daar we in ons soort samenlevingen
in toenemende mate belang hechten aan de vrije markt. Het toenemend gewicht
van marktpartijen en het effect dat hun handelen heeft op de samenleving als
geheel noopt als vanzelf tot grotere openheid en tot het afleggen van verantwoording.
Mijn voorstel is tweeërlei.
Ten eerste een klein wetje dat het vastleggen van zwijgplicht inzake de reden
van vertrek verbiedt. Dat laat onverlet dat de vertrokken topmanager gehouden
is om bedrijfsgeheimen voor zich te houden.
Ten tweede zou ik het recht willen toekennen aan werknemers van het betrokken
bedrijf, de aandeelhouders en de kapitaalverschaffers, om betrokken verantwoordelijken
onder ede te horen over het conflict en de reden van vertrek. Dat zou bijvoorbeeld
ondergebracht kunnen worden bij de ondernemingskamer die toeziet op een correcte
gang van zaken inclusief eedsaflegging en verslaglegging van het besprokene.
Blijkt er achteraf gezien gelogen te zijn, dan kan de leugenaar vervolgd worden
wegens meineed.
Een zeer preventieve maatregel!
De macht van commissarissen in ondernemingen behoeft hoognodig controle. Ook
zij hebben zich te verantwoorden en dienen dat tenminste te doen tegenover
de directe belanghebbenden: kapitaal en arbeid. Het huidige regime biedt hen
te gemakkelijk de mogelijkheid om kapitaal en arbeid zonodig met een kluitje
in het riet te sturen, en dat is een geïndividualiseerde maatschappij met
veelal hoogopgeleide mensen als de onze, beslist onwaardig!
Pim Fortuyn
Rotterdam 2 januari 2000
Zojuist teruggekeerd van een bezoek aan het Havana van de seniele revolutionair
Fidel Castro. Net als van de dictator, rest van de hoofdstad van zijn koninkrijk
niets meer dan een schim. Welk een onbeschrijfelijke armoede, verval en inertie
teisteren dit beeldschone land, dat qua natuurschoon in een reclamespot voor
een Bacardi-Cola, in mijn tijd nog een Cuba Libre geheten, niet zou misstaan.
De machtige buur, de Verenigde Staten van Noord Amerika, heeft deze dwerg
onder de staten economisch, militair en politiek in de ban gedaan. Een grotesk
en zielig gebaar dat met een bedreiging van de VS van welke aard dan ook,
niets heeft uit te staan.
Zouden de VS kunnen besluiten morgen de grenzen gewoon open te gooien en het
economisch verkeer met Cuba te hervatten, dan zijn Fidel Castro c.s. binnen
enkele maanden zonder enig bloedvergieten van het toneel verdwenen. Het regime
staat op het punt van instorten en kan zich nog slechts staande houden door
repressie en door de absolute inertie van de bevolking. Zo gauw die bevolking
een (economisch) wenkend perspectief wordt geboden is het met deze orde snel
gedaan.
Ter voorbereiding van mijn reis, die had moeten uitmonden in een vraaggesprek
met de grote leider, heb ik menig journalistieke reportage over land en bevolking
doorgeworsteld. Dikwijls romantische verhandelingen over het natuurschoon,
de leuke vijftiger jaren auto's die daar nog rondtouren in aanzienlijke aantallen,
het lekkere weer en de vrolijke bevolking.
Na mijn bezoek aan dit land vraag ik mij af of de dames en heren journalisten
zich niet in het land van hun genietingen hebben vergist. Alleen de aankomst
vanaf het vliegveld in de hoofdstad al. Het lijkt wel of de stad net een verwoestend
bombardement achter de rug heeft. Vrijwel geen gebouw staat ongeschonden overeind.
Bijna vijftig jaar lang zijn alle overheidsgebouwen, particuliere gebouwen
en woningen van welke snit dan ook compleet uitgewoond, door ze overbevolkt
te laten zijn en ze nimmer van enig onderhoud te laten genieten. Ik heb het
dan niet over de krottenwijken van Havana, want die zijn er ook te kust en
te keur, maar over het centrum van de stad.
In de huizen van de elite van voor Fidels revolutie wonen nu talloze gezinnen
in 'appartementjes'. Primitieve scheidingen palen de woonruimte van een hele
familie af, vaak niet veel meer dan veertig vierkante meter en dat is al royaal.
Bezitten doet zo'n familie vrijwel niets. Wat oud krakkemikkig meubilair,
wat bedden en een ruimte die moet doorgaan voor keuken annex badkamer, een
toilet wordt vaak gedeeld met meer families.
Waterdruk is er niet, dus zie je maar enigszins schoon te houden en dat zijn
de mensen dan ook niet. Kopen kun je er vrijwel niets, winkels zijn er nauwelijks.
Als je iets koopt moet dat in dollars - de munt nota bene van de aartsvijand!
- en dat geldt niet alleen voor de buitenlanders, maar ook voor de Cubanen
zelf. Overleefd wordt er in een soort ruileconomie.
Elke avond vervolgens die zielige propaganda van het regime over geweldige
stappen voorwaarts die worden gemaakt op ieder denkbaar (economisch) terrein,
terwijl de bevolking dag in dag uit gratis en voor niets de leugenachtigheid
daarvan eigenhandig kan vaststellen.
Elke fut is er overigens uit. Weinig ondernemingszin, veel gehang de hele
dag door en een ontstellende apathie. Indien de bevolking het zou opbrengen
gedurende een aantal maanden te demonstreren op het centrale plein van de
stad, dan zakt het regiem als een plumpudding ineen. Zelfs dat wordt niet
meer opgebracht.
Ons buitenlanders ontbreekt het tegen fikse betaling overigens aan niets in
hotels die voldoen aan alle maatstaven van het hoogontwikkelde westen. Als
je de politieke, economische en maatschappelijk situatie negeert, is het wel
romantisch en een verademing: al dat gebrek en die schrijnende armoede, en
ja, natuurlijk, die enige auto's uit de jaren vijftig. Havana mon amour, moet
u maar denken!
Pim Fortuyn
12 januari 2000
Er is op het ogenblik een waar gevecht gaande tussen aanbieders van informatieproducten
en de distributeurs daarvan. Een klassiek gevecht in de logistieke keten,
dat immer ontstaat op het moment dat technologische vernieuwingen een andere,
veelal efficiëntere en dus profijtelijker, manier van werken mogelijk maken.
Tot nu toe waren het meestal degenen die inhoudelijk iets te bieden hadden,
een product of een dienst, die aan het langste eind trokken. Bijvoorbeeld
als het gaat om het fysieke transport van goederen zijn het zij die zich beperken
tot het transport op zich die genoegen moeten nemen met de magere rendementen.
De regisseur van een dergelijke logistieke keten gaat er vandoor met de grote
winsten.
Een bedrijf als het Rotterdamse Nedlloyd bijvoorbeeld, eens een van onze vlaggenschepen
op het gebied van maritiem transport, houdt het om die reden voor gezien en
gaat de voormalige HAL achterna, de eens trotste verzorger van de transatlantische
route van passagiersvervoer per schip. Het wordt waarschijnlijk omgevormd
tot een beleggingsmaatschappij, die zich gezien zijn expertise, zal bezighouden
met beleggingen in transport en aanverwante zaken.
In de wereld van de telecommunicatie lijkt het nu anders te gaan en zijn het
niet zozeer de aanbieders van inhoudelijke producten die aan het langste eind
trekken, maar degenen die de transportnetwerken organiseren en in handen hebben.
Bedenkelijk in die ontwikkeling is wel dat netwerk en inhoudelijke producten
in een hand terechtkomen en dat doet het ergste vrezen voor de concurrentie.
Het is hetzelfde als een grote transportonderneming de weg waarover hij moet
rijden in handen krijgt en mag bepalen wie er wel en wie er niet op die weg
wordt toegelaten.
Voor definitieve conclusies is het overigens nog te vroeg, daar het fusie-
en overnamegeweld nog in de beginfase verkeert en het moeilijk te voorspellen
is welke structuur van vervoer en inhoud er overblijft als de stofwolken van
dit adembenemende gevecht zijn gaan liggen. Het lijkt overigens niet te ver
te gaan om de verwachting uit te spreken dat daarna overheidsingrijpen noodzakelijk
zal zijn om faire vormen van mededinging opnieuw af te dwingen.
Een interessant vraagstuk, daar in dit geval het afdwingen zal moeten gebeuren
door een forum als de G-8 omdat een nationale overheid, zelfs die van de VS,
op te kleine schaal werkt om zoiets effectief te organiseren, gezien het grensoverschrijdend
karakter van IT. Zo bezien zou een 'wereldregering' wel eens dichterbij kunnen
liggen dan de visionair Hollands econoom en Nobelprijswinnaar Tinbergen ooit
had kunnen denken.
In dat kader is het van groot gewicht hoe het gevecht tussen de Amerikaanse
overheid en Microsoft afloopt. Mocht de Amerikaanse overheid dit gevecht winnen,
dan is er een belangrijke piketpaal geplaatst voor het tegengaan van ongewenste
monopolievorming. Een piketpaal die richtinggevend zal zijn voor de beoordeling
van de nieuw te vormen conglomeraten.
Overigens kan het best zo zijn dat het diezelfde techniek is die de overheden
ongewild te hulp snelt in hun strijd om faire mededinging af te dwingen. Immers,
die techniek heeft ons tot nu toe in staat gesteld om met steeds verfijndere
apparatuur steeds kleinschaliger te werken. En wat belangrijker is, die techniek
maakt het steeds weer mogelijk dat nieuwe partijen toetreden.
Aan de ontwikkeling van de computer valt deze gang van zaken goed af te lezen.
Eerst enorme apparaten, die slechts weggelegd was voor grote, technische instellingen
en bedrijven, daarna het mainframe, ook nog een exclusief apparaat, maar met
al een aanzienlijk grotere verspreiding, toen de pc, zonder meer booming qua
verspreidingsgraad, en straks elk apparaat zijn eigen "computer".
De productie van chips met een steeds grotere capaciteit en steeds meer mogelijkheden
ligt daaraan ten grondslag.
Hoe dan ook, het is duidelijk dat we aan de vooravond staan van een complete
restyling van onze economie en samenleving. E-commerce is daarbij de nieuwe
loot aan de stam. Dit systeem zal een enorme bijdrage leveren aan prijs- en
kwaliteitstransparantie. Met een druk op de knop worden geïnformeerd over
de kwaliteit en de prijs van goederen en diensten waar ook ter wereld geproduceerd.
Dit zal de concurrentie enorm aanjagen en van de economische wereld nog meer
een dorp maken dan thans het geval is.
De trekkers van deze ontwikkeling, te onzent iemand als Roel Pieper, verwachten
hiervan een complete herstructurering van het huidige bedrijfsleven. Tot nu
toe heeft Pieper steeds gelijk gekregen, zelfs in het geval van Philips. Als
dat zo is, kunnen we onze borst wel nat maken. Spannend is het in ieder geval.
Het zal een toevloed opleveren van nieuwe rijken, maar zeker ook van nieuwe
armen. Rijkdom went snel, voor de nieuwe armen zal het gelag wat zwaarder
vallen, maar als IT zijn pretenties waarmaakt dan is het ook voor hen: nieuwe
ronde, nieuwe kansen, en dat steeds maar weer.
Ik word er wel eens moe van, u ook ?
Pim Fortuyn
Rotterdam 20 januari 2000
In de krant van afgelopen maandag, in mijn geval NRC Handelsblad, stond het
min of meer terloops op pagina 2. De Raad van Hoofdcommissarissen gaat minister
Peper (PvdA) van Binnenlandse Zaken een voorstel doen om het Nederlandse politie-uniform
te verrijken met hoofddoekjes en tulbanden. Uiteraard naar uniform centraal
ontwerp door een vooraanstaand couturier.
Even dacht ik hier dat het een grap van de krant was en ik moest er dan ook
hartelijk om lachen. Maar ja, mijn krant maakt nooit grapjes en zeker niet
op nieuwspagina en liet mij dus in ongeloof en een zekere vertwijfeling achter.
Het is gewoon waar, dit wordt met droge ogen voorgesteld. De reden die wordt
opgegeven is dat Nederland een multicultureel land is en op deze manier de
politie herkenbaarder wordt bij delen van de bevolking en dat uit die delen
van de bevolking dan ook gemakkelijker politiefunctionarissen zouden zijn
aan te trekken.
Zelden een krommere redenering gehoord. De politie niet als wets- en ordehandhaver
in de maatschappij, maar als een softe instelling van maatschappelijk werk
uit de jaren zeventig. Dat kan er nog wel bij na de publieke uitlatingen van
politievoorlichter Klaas Wilting, dat de politie er vooral is voor de sloebers
in onze maatschappij en niet voor de welvarende burgers.
Wat hier op het spel wordt gezet is veel en een uiting van volstrekt misplaatst
cultuurrelativisme, alsmede van verlies van elk begrip van wat de rechtsstaat
inhoudt in een parlementair-democratische orde als de onze. We hebben er in
onze contreien wat eeuwen overgedaan en er rivieren bloed voor vergoten, maar
het uiteindelijk voor elkaar gekregen : de scheiding van Kerk en Staat. Het
eerste basisbeginsel van onze parlementair-democratische rechtsorde, niet
meer en niet minder.
Godsdienstige overtuiging en kerkelijke organisatie zijn volstrekt particuliere
zaken. Het is de zaak van de burger zelf en de overheid treedt daar zeer terughoudend
tegenover op. Tegenhanger daarvan is dat niemand in het publieke domein op
ongevraagde en ongewenste manier wordt geconfronteerd met deze overtuiging,
het is een kwestie van particuliere keuzen en vrijwilligheid.
Het introduceren van hoofddoekjes en tulbanden in het publieke domein door
ambtsdragers treedt dit grondbeginsel van onze parlementair-democratische
rechtstaat met voeten. Als burger heb ik het recht verschoond te blijven van
de godsdienstige opvatting van een politieagent. Hij mag er uiteraard een
hebben, maar ik mag daar door hem niet ongevraagd mee worden geconfronteerd,
dat moet hij maar in zijn vrije tijd doen en zelfs dan is dat aan de regel
van vrijwilligheid gebonden. Als ik er niet mee lastig wil worden gevallen
is dat mijn recht.
Hoofddoekjes en tulbanden zijn de uiting van een godsdienstige opvatting -
die ik overigens om goede redenen verwerpelijk vind, maar dit terzijde - waarmee
de politie mij in functie niet mag lastig vallen . Dat is mijn recht als burger.
Staan we dit wel toe, dan mag met hetzelfde recht een christenagent het vissenteken
op zijn uniform spelden, de homoagent het homoteken, de katholieke agent een
lam of een kruis of beiden, de boeddhist een beeltenis van Boeddha etc.
Dit kan dus gewoon niet en ik hoop dat politiek Den Haag na even nadenken
dit begrijpt. Het werkt ook volstrekt contraproductief. De politie heeft al
niet zoveel gezag meer en verspeelt op deze manier dat beetje gezag dat het
nog heeft. Het uniform, het woord alleen zegt het al, is er niet voor niks.
Voor iedere burger is de politie uniform, letterlijk en figuurlijk. Naast
het feit dat voor de politie iedere burger voor de wet gelijk is en daarnaar
behandeld dient te worden, dus zonder onderscheid naar persoon en functie,
is zijn uniforme verschijning de legitimatie van zijn optreden in het publieke
domein.
Onschuldig zijn de hoofddoekjes en tulbanden dus niet bij de politie. Zet
men dit onheilige voorstel toch door, dan is het te hopen dat alle agenten
massaal besluiten hun pet te verwisselen voor een tulband of hoofddoekje,
dan zijn we in een moeite van de godsdienstige betekenis van deze hoofdbedekking
af.
Pim Fortuyn
Rotterdam 27 januari 2000
Eerlijk gezegd heb ik met verbijstering gekeken en geluisterd naar de politieke
reacties in ons land en in veel andere lidstaten van de EU op de vorming van
een regering in Oostenrijk, waaraan de partij van Jörg Haider, de FPÖ deelneemt.
Ter bepaling van onze gedachte, deze partij heeft een even grote kiezersaanhang
als bij ons de PvdA. Op deze manier ingrijpen in de nationale soevereiniteit
van een land, het recht om op basis van de kiezersuitspraak een regering te
vormen, is nog nooit eerder vertoond en belooft niet veel goeds voor de toekomst.
De verklaring voor deze overkill zoek ik in het slechte geweten van veel politici
als het gaat om het hanteren van het vreemdelingenvraagstuk. De EU is niet
in staat gebleken dit belangrijke vraagstuk ook maar enigszins gezamenlijk
te regelen. Het liefst schuift men de hete aardappel van het eigen bord op
dat van de buurman. We weten de toestroom niet te matigen en in geen van de
lidstaten is het integreren van vreemdelingen in de eigen samenleving een
succes. Het lukt uiterst moeizaam tot helemaal niet. Dit wordt weliswaar in
allerlei onderzoek naar het verschijnsel kwalitatief en kwantitatief onderkend,
maar politiek min of meer doodgezwegen.
Geen regering of politieke partij die deel uitmaakt van het establishment,
durft te erkennen dat we met de handen in het haar zitten. Zij die dat wel
durven erkennen, worden steevast in de hoek geplaatst van vreemdelingenhaters
en racisten. Op politiek niveau wordt de ernst van de problematiek nog steeds
niet erkend. Men blijft de indruk wekken dat het beleid al deze problemen
in de naaste toekomst zal oplossen en benadrukken dat de ontsporingen slechts
incidenten zijn.
Ondertussen is het land dat het woord apartheid uitgevonden heeft, bezig met
rigoreuze segregatie van de samenleving. Over ruim tien jaar worden, aldus
berekeningen van het CBS, de meeste van onze steden bevolkt door burgers waarvan
meer dan de helft wortels heeft in den vreemde. In het onderwijs voltrekt
zich die segregatie inmiddels razendsnel. Een zogenaamde zwarte school lijkt
een paspoort voor slechte of mislukkende integratie en belabberde toegang
tot de arbeidsmarkt. Voor de gevangenissen en opvoedingsgestichten valt hetzelfde
verhaal te vertellen.
De oorzaak daarvan is in veel gevallen slechte integratie. Over de mogelijkheden
tot integratie en het tempo daarvan is de politiek tot nu toe niet alleen
veel te optimistisch geweest, maar heeft zij steeds een volstrekt verdraaid
beeld gegeven. De multiculturele samenleving bestaat alleen in hun hoofden,
nauwelijks in de werkelijkheid.
Haider drukt de Nederlandse politiek vroeg of laat met de neus op deze feiten
en dan levert alle commotie toch nog iets goeds op. Voor het overige is het
een schaamteloze vertoning, waarin het belang van Haider in Oostenrijk volledig
uit zijn verband wordt gerukt. Onze politieke elite is nog bezig met de vorige
oorlog en dus is Haider een mini-Hitler.
Was het maar zo eenvoudig, de geschiedenis herhaalt zich zelden en zeker niet
in dit geval. Oostenrijk heeft in achtertuin de Balkan, voor ons vooralsnog
een ver van ons bed show, voor hen een zeer nabije dagelijkse realiteit. Dat
men in dat land zo angstig is voor een muliculturele samenleving is geen waanidee,
maar een realiteit waarvan men de catastrofale gevolgen bij de buren dagelijks
kan ervaren.
In dat licht bezien en gevoegd bij het onverwerkte nazi-verleden van Oostenrijk
is de FPÖ een burgermanspartij die ten dele met angst kijkt naar de toekomst
en het eigene tracht te bewaren en te koesteren en anderzijds aansluiting
probeert te vinden met de nieuwe tijd. Ware evenwichtskunst, niet iets om
te isoleren.
Laten we maar eens afwachten wat hun regering te brengen heeft, ondertussen
hebben wij onze handen meer dan vol met het eigen volledig falende vreemdelingenbeleid.
Pim Fortuyn
Rotterdam 3 februari 2000
Langzaamaan dwarrelt het stof neer na alle commotie rond de deelname van Jörg
Haider en zijn partij aan de nieuwe regering van Oostenrijk. De regeringsverklaring
bevatte niets waarvoor de EU zich zou moeten schamen, integendeel, nuchter
en helder.
Tot ergernis van sommigen behoor ik tot de weinigen die onmiddellijk hebben
gewezen op het gevaar van de onbekookte reacties van de regeringsleiders van
de EU op de coalitiebesprekingen in Oostenrijk. Het heeft de EU alle instrumenten
uit handen geslagen om op een subtiele en effectieve manier druk uit te oefenen
op Oostenrijk indien dat nodig zou zijn. Buitendien is aan de besluitvorming
terzake geen enkel parlement te pas gekomen.
Op een moment dat het maatschappelijk en economisch leven op een ongekende
schaal individualiseert en democratiseert, krijgt politieke besluitvorming
over wezenlijke zaken steeds autoritairder trekken. De feitelijke democratie
is in het domein van de politiek echt in de gevarenzone aan het komen en dat
geldt voor alle lidstaten van de EU. Het kan en mag niet zo zijn dat het publieke
domein iets wordt waarin een betrekkelijk geïsoleerde politieke elite, zonder
echt verantwoording af te leggen, de dienst uitmaakt. Dat roept op den duur
spanningen op die moeilijk beheersbaar zijn.
Langzaam maar zeker draait nu de publieke opinie bij en begint men in te zien
dat een bedachtzamer optreden tegenover Oostenrijk verre de voorkeur verdient.
Kritisch volgen en waar nodig optreden, is nu het parool. De EU zal deze weg
weliswaar niet qua retoriek, maar zeker in de praktijk inslaan, hetgeen al
blijkt uit het feit dat nu ook de Oostenrijkse ministers gewoon worden uitgenodigd
voor het informele overleg van EU-ministers in weerwil van alle gespierde
taal en voornemens. De discussie gaat er nu over of je nu wel of niet met
hen kunt lunchen.
Kortom men staat voor gek en heeft een enorm gezichtsverlies geleden.
Enfin dat gaat ook weer voorbij en wat in ieder geval is bereikt, is dat nu
een EU-politiek ten aanzien van immigratie - ja of nee, en zo ja op welke
schaal en van welke soort hoog - op de politieke agenda staat, niet in de
laatste plaats na de onlusten in Zuid-Spanje, onlusten van een onversneden
racistisch karakter. En dat in het Spanje dat zich zoveel beter waant dan
Oostenrijk. Het wordt de hoogste tijd daarover eens níet te moraliseren, maar
om de oorzaken daarvan koel en rationeel te analyseren.
Spanje maakt ruim gebruik van illegale arbeidskrachten, met name uit Marokko.
Deze mensen worden niet alleen slecht betaald, maar hebben ook geen rechten.
Niet op fatsoenlijke huisvesting, gezondheidszorg, onderwijs etc., velen van
hen wonen in een soort bidonvilles en pogingen tot integratie worden niet
eens ondernomen.
Toestanden die men in het deels xenofobe Oostenrijk niet aantreft.
De mensen van buiten die er zijn worden goed behandeld en men probeert hen
te integreren in de samenleving. Problemen geeft dat genoeg en dat is ook
mede de basis voor de opgang van de FPÖ. Er is eigenlijk geen lidstaat in
de EU waar men niet met grote integratieproblemen kampt. Ook ons land kampt
daarmee, ook al trachten we zoveel mogelijk van die problemen onder het tapijt
te vegen.
Ondertussen weten we er al wel een hoop van, aan onderzoeksresultaten geen
gebrek. We weten dat over tien jaar de 24 grootste steden van Nederland voor
de helft of meer zullen bestaan uit bewoners van buitenlandse herkomst, waarvan
een flink deel zal behoren tot moeilijk te integreren groepen. Dat is voornamelijk
een cultuurprobleem. Het gaat dan met name om mensen afkomstig uit culturen
die moeite hebben met de westerse moderniteit en daar maar al te vaak zelfs
vijandig tegenover staan.
De vraag die we ons nu moeten stellen is of we deze problematiek aankunnen
en zo ja of we dan bereid zijn om daar veel in te investeren, men moet dan
denken aan een soort deltaplan. Zo nee, dan zullen we ons moeten afvragen
hoe de toestroom in te dammen en hoe we ervoor kunnen zorgen dat in dat geval
het werk naar de mensen komt, in plaats van omgekeerd.
Wezenlijk politieke vragen, die slechts beantwoord kunnen worden in een open
politiek en maatschappelijk debat.
Dat debat kan slechts open zijn indien daar niet onmiddellijk de fundamentalistische
meetlat van racisme en vreemdelingenhaat naast wordt gelegd. Onze politici
zijn nog teveel bezig met de vorige oorlog in plaats van zich in te zetten
om een nieuwe oorlog te voorkomen, hetzij in de letterlijk vorm van het woord,
hetzij in de vorm van toenemende maatschappelijke en culturele ontwrichting.
Wat dat betreft is het vijf voor twaalf.
Naar ik hoop brengt ons alle gedoe rond Oostenrijk ons dit noodzakelijke open
debat.
Pim Fortuyn
Rotterdam10 februari 2000
Een rare vertoning vorige week. Een vernietigend rapport over de aanwending
van EU subsidies door Nederland voor de werkgelegenheid. Het toont de gekte
aan in Brussel waaraan hoognodig een einde moet worden gemaakt.
Een puissant rijk land als het onze krijgt subsidie, ja u leest het goed subsidie,
van Brussel om iets te doen aan de werkgelegenheid. Ten eerste waar bemoeien
zij zich mee in Brussel, we kunnen onze eigen broek wel ophouden en ten tweede
wat een geldverspilling. Een complete bureaucratie die geld aan het rondpompen
is, want die subsidie is natuurlijk wel een sigaar uit eigen doos. Sterker
nog, Nederland is een netto betaler aan de EU, betaalt meer dan het ontvangt,
van de eerste orde.
Dat hebben we te danken aan de voorganger van premier Kok (PvdA), minister
president Lubbers (CDA), die met een hoge contributie het voorzitterschap
van de EU dacht te kopen. Niet dus en rechtgezet is het nog steeds niet. Kok
leende niet het handtasje van Margareth Thatcher, the Iron Lady, om daarmee
bij de collega regeringsleiders op tafel te meppen onder de kreet: ‘I want
my money back!’
Voor het probleem dat Nederland gezien de omvang van zijn bevolking teveel
betaalt, is een typische EU oplossing uit de bus gerold, de oorzaak van alle
problemen rond de EU werkgelegenheidssubsidies. Nederland mocht ondanks zijn
rijkdom delen in de pot voor arme EU landen om de werkgelegenheid te stimuleren.
De EU bureaucraten hebben nu bedacht dat dit niet volgens de regeltjes is
gebeurd en eisen een groot deel van het geld, vermeerderd met een boete, terug.
Vervolgens is er geen politicus in Nederland die zegt: ‘terug in jullie hok
of we stellen de zaak opnieuw aan de orde in de Raad van regeringsleiders’.
Het gaat hier immers om een compensatie voor te veel afgedragen contributie.
Beter is het natuurlijk om de zaak nu maar definitief, goed en ten principale
te regelen, d.w.z. een contributie die in overeenstemming is met de omvang
van onze bevolking en derzelve rijkdom.
Wat daarvan zij, de reactie van de politiek op het rapport Koning, oud president
van de Rekenkamer, was het poldermodel op zijn smalst. De enige die verantwoordelijkheid
namen, en dat nog royaal ook, waren de vakbonden FNV en CNV. De werkgeversbonden
vonden het sop de kool niet waard en in de politiek hadden we het weer met
zijn allen gedaan. Ad Melkert voelde zich gesteund door de feiten: hij had
geen fraude gepleegd. Het zou er nog bij moeten komen, dat dit wel zo was!
De feiten zijn er intussen niet minder om. De onder de politieke verantwoordelijkheid
van toen nog minister Melkert (PvdA), minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid
in het kabinet Kok I (PvdA, VVD en D66 1994 -1998) opererende Arbeidsvoorziening,
heeft er op administratief gebied een zooitje van gemaakt. In veel gevallen
valt niet eens meer vast te stellen of de EU subsidiegelden volgens de voorschriften
zijn aangewend, omdat er geen deugdelijke administratie van is. Je gelooft
je ogen niet. In het land waar nog geen mus van het dak kan vallen zonder
vergunning, administreert Arbeidsvoorziening als het zo uitkomt maar helemaal
niet. Melkert wist dat als minister en maande deze vreselijke organisatie,
die beter gisteren dan vandaag kan worden opgeheven (pleitte ik al voor in
1986! toen ik nog werkzaam was voor de WRR, het wetenschappelijk adviesorgaan
van de Nederlandse regering), een en ander maal schriftelijk zijn zaakjes
op orde te brengen. Hij verzuimde echter te controleren of ze dat wel deden,
sic!
Dat is gezien vanuit de politieke ministeriële verantwoordelijkheid onvergefelijk
en beslist geen reden nu achterover te leunen en de verantwoordelijkheid over
dit misgaan uit te smeren over velen, dus over niemand. Dat is eigenlijk het
meest ergerlijke van dat hele poldermodel. We hebben het, als er iets mis
gaat, altijd met zijn allen gedaan. Als het goed gaat, bijvoorbeeld met de
economie waar ze helemaal niet over gaan, dan staan onze polderaars in het
voorste gelid om de credits daarvan op te eisen, zo ook onze goede Melkert
(PvdA). Zijn partij in het algemeen en Kok en hij in het bijzonder, hebben
gezorgd voor een prachtige werkgelegenheidsontwikkeling. Al die zwoegende
MKB-ondernemers natuurlijk niet, dat begrijpt u! Melkert is een vent zonder
ballen, die de verantwoordelijkheid niet neemt maar mijdt als het hem dat
zo uitkomt. Het is heel wel mogelijk om deze verantwoordelijkheid zonder omwegen
op je te nemen en toch lijsttrekker te zijn bij de Tweede Kamer verkiezingen
van 2002. Het is dan aan de kiezer om te bepalen in hoeverre hij vergeeft
en Melkert een royale nieuwe kans gunt.
En zo hoort het ook .
Pim Fortuyn,
Rotterdam, 07 september 2001
De opkomst van de informatie- en commucicatietechnologie heeft grote gevolgen
voor de inrichting van de samenleving, de wijze van werken en de manier waarop
ondernemingen en instellingen hun arbeidsorganisatie moeten inrichten. De
hele zaak zal op zijn kop moeten en dat is niet minder dan een revolutie.
Ingesleten gewoonten zullen we achter ons moeten laten. Kennis en vaardigheden
van de medewerkers van ondernemingen en instellingen moeten optimaal benut
worden, zonder de tussenschakels waarin zich macht en invloed ophopen, waarin
we nu nog grossieren.
Nog weer anders gezegd: we bedienen met onze vingers de toetsenborden van
de ICT-economie en -samenleving, terwijl we met onze hoofden, cultuur, mentaliteit
en organisatiearrangementen nog in de industriële economie zitten. Een economie
die bepaald werd door het ritme, de vormgeving en het vermogen van de machine
en de daaraan geparenteerde bureaucratie. Als iets kenmerkend is voor de industriële
economie, dan zijn het wel grootschaligheid en eenvormigheid, welke zich ook
weerspiegelt in de organisatie van de arbeid: sterk gericht op procedures,
hiërarchisch (commandostructuur), voornamelijk georiënteerd op de productie
van goederen en diensten en pas in de tweede plaats op de klanten en afnemers.
De ICT manier van werken stelt de klant/afnemer centraal, niet wat kan maar
wat gevraagd wordt is het uitgangspunt, handelt strategisch grootschalig (alle
kennis op de wereld is in beginsel binnen te halen) en is qua uitvoering in
staat de kleinste schaal te bedienen. Dat vereist een uitermate flexibele
arbeidsorganisatie, werkend in netwerken van andere arbeidsorganisaties. Niet
de procedure maar de klus staat centraal en niet de hiërarchie maar de uitvoering
en dus de uitvoerenden (bezitters van kennis en vaardigheden) bepalen de mogelijkheden.
De industriële economie wordt op zijn hoogtepunt verbeeld door de manager,
opgenomen in een bureaucratische structuur van management. De ICT-economie
is de manager en zijn bureaucratie voorbij en legt een grote verantwoordelijkheid
en veel initiatief bij de uitvoerenden in de organisatie. Dit betekent niet
minder dan een forse kaalslag onder het management en voor de kleine groep
overgebleven managers een geheel andere manier van werken. Deze kleine groep
nieuwe managers zal veeleer optreden als regisseurs van het logistieke proces
dan als bevelvoerders daarvan. In het bedrijfsleven begint dit besef langzaamaan
door te dringen - in de collectieve sector allerminst.
Onderwijs en Zorg, de twee sectoren waar de politiek nu weer veel geld in
wil investeren, worden geplaagd door een volstrekt industriële manier van
werken en van organiseren van de arbeid. Grootschaligheid is nog steeds het
oplossingsmiddel voor de zeer omvangrijke problemen in die sectoren. Bureaucratie,
procedures en een zeer omvangrijk management bepalen de gang van zaken, met
als gevolg een uitermate schraal product dat nauwelijks is toegesneden op
de wensen en behoeften van de afnemer. Er is sprake van een gigantische overhead,
dus een zeer kostbare vorm van produceren van diensten, die eerder de kwaliteit
van het dienstverleningsproduct schaadt dan het verbetert.
Alvorens meer geld te pompen in deze sectoren, zullen zij volledig op de schop
moeten. Er zal fors moeten worden gesneden in de overhead, dus in het management,
in de bureaucratie en in al die kundes die vanuit het management losgelaten
zijn op de uitvoerenden en hen veelal hinderen in hun werk in plaats van ze
te ondersteunen. Management en zogenaamd ondersteunende kundes hebben de macht
in deze sectoren en de uitvoerenden zijn letterlijk uitvoerenden van hun directieven.
Minister Zalm (VVD) van Financiën lijkt dat in te zien, maar zwicht desondanks
voor de druk van PvdA en D66 om meer geld voor deze sectoren beschikbaar te
stellen. In het bedrijfsleven weten we dat dat op dit moment goed geld naar
kwaad geld gooien is. Het is duidelijk dat deze manier van werken in de ICT-maatschappij
niet langer houdbaar is. Net als in het bedrijfsleven zullen de uitvoerenden
centraal moeten staan: de dokters, verpleegsters, onderwijzers en dergelijke
en zullen deze moeten worden afgerekend op het dienstverleningsproduct dat
zij voortbrengen.
Dat vereist een opstand van de uitvoerenden in deze sectoren tegen het eigen
management, niet meer en niet minder dan dat. Voor de afnemers en de werkers
in deze wijngaarden des Heren is het te hopen dat deze onvermijdelijke opstand
er op korte termijn komt. Dan wordt het weer leuk en aantrekkelijk om te werken
in deze boeiende sectoren en daar hebben we allemaal baat bij. Ik zou zo zeggen:
dames en heren dokters, verpleegsters en onderwijzers, kom van hoog tot laag
in opstand en neem de macht over van al die betweters die jullie tot op heden
aansturen en daarmee onderdrukken!
Pim Fortuyn
Rotterdam 17 februari 2000
Het gaat niet goed met de politiek in ons deel van de wereld. Het schandaal
rond de partijfinanciering van de CDU in de Bondsrepubliek Duitsland doet
de politiek in dat land op zijn grondvesten schudden. Het gaat niet meer alleen
om de CDU, maar om het vertrouwen van de burger in de politiek in het algemeen.
Dat is ook wel terecht. Er zijn niet veel redenen om aan te nemen dat die
andere grote politieke partij, de SPD, in de grond veel beter en netter is
dan de CDU. Het is een kwestie van de gelegenheid die de dief heeft gemaakt.
De jarenlange onafgebroken macht van de CDU en met name de positie van de
'eeuwige kanselier' Helmuth Kohl, heeft een sfeer doen ontstaan bij de kanselier
en de hem omringende politici dat zij boven de wet staan.
Zij wanen zo belangrijk voor het land en hun verdiensten zo groot, dat voor
hen andere normen, waarden en regels gelden dan voor de gewone sterveling.
Een van de grondbeginselen van de democratische rechtsstaat en de parlementaire
democratie is evenwel dat eenieder, niemand uitgezonderd, gelijk is voor de
wet. Een voor machthebbers nogal moeilijk grondbeginsel, zoals blijkt uit
tal van ontsporingen, ook in ons land.
De handhaving van dit grondbeginsel is evenwel van eminent belang. Het is
naast de parlementaire controle de enige manier om de uitvoerende macht in
het gareel te houden. Met name door het soms tekort schieten van die parlementaire
controle is dit het veiligheidsslot op het hele systeem.
Toch is er meer aan de hand dan wat incidentele ontsporingen door groepen
die te lang aan de macht zijn. Het functioneren van de politiek zelf is in
de loop der jaren grondig veranderd en ook zijn positie in de maatschappij
is niet meer dezelfde als zo'n twintig jaar geleden. Op golven van welvaart,
onderwijs en technologische ontwikkeling heeft zich een geweldige democratisering
voltrokken in economie en maatschappij. Minder dan ooit is afkomst bepalend
voor positie en loopbaan van het individu. Niet dat het er niet meer toe doet;
de positie van veel allochtonen wijst dat wel uit - geen grondige kennis van
de Nederlandse taal betekent geen carrière. Maar het is zeker niet meer alles
bepalend. Iemand met talenten heeft tal van mogelijkheden om zich te ontplooien
en een positie te verwerven. Een goede afkomst kan daarbij helpen, maar is
geen noodzakelijke voorwaarde meer.
De politiek daarentegen beweegt zich precies in de tegenovergestelde richting.
Politieke partijen hebben nauwelijks een maatschappelijke inbedding en verworden
meer en meer tot een carieremechanisme ten dienste van hen die een rol willen
spelen in het publieke domein. Politiek wordt daarbij steeds meer verengd
tot besturen, tot de uitoefening van macht en invloed. Een technocratische
aangelegenheid van daarin gespecialiseerde functionarissen.
Besturen wordt daardoor een onderonsje van deze functionarissen met alle ontsporingen
van dien, maar ook met alle vervreemding van dien. Er wordt steeds meer beleid
ontwikkeld dat weinig van doen heeft met vitale maatschappelijke en economische
behoeften. In die technocratische sfeer is daar ook geen discussie over.
Een mooi voorbeeld daarvan is de keuze van ons land om de 'Gateway to Europe'
te willen zijn middels onze twee mainports: de Rotterdamse haven en Schiphol
met alle infrastructuur op het gebied van wegen, spoorwegen en dergelijk,
en dat in overvol land en een meer dan volle Randstad. Een keuze die zelfs
in onze ICT-maatschappij niet ter discussie staat Er is geen enkele politieke
partij die daar tegen in gaat en bijvoorbeeld via ICT een alternatief aanbiedt.
Voor de burger valt er dus niets te kiezen.
Meer in het algemeen depolitiseert de op technocratie georiënteerde politiek
vrijwel alle gewichtige politieke vraagstukken, met als toppunt de depolitisering
van het vreemdelingenvraagstuk. Eenieder die dit gewichtige vraagstuk tracht
te politiseren, is onbeschaafd en wordt zo snel mogelijk door de politieke
elite geisoleerd.
Zolang de politiek zich blijft opsluiten in zichzelf en elk vraagstuk van
gewicht op een technocratische manier depolitiseert, zal de kloof tussen kiezer
en gekozene groeien. Een huiveringwekkend vooruitzicht in een wereld waarin
voor de parlementaire democratie en de soevereine staat vooralsnog geen betere
alternatieven voorhanden zijn.
Pim Fortuyn
Rotterdam 25 februari 2000
Alle sluizen staan nu open. Nina Brink en haar bedrijf WorldOnline gaan op
een onwaarschijnlijke manier cashen met hun beursgang. Een bedrijf dat alleen
maar verliezen maakt en in Nederland beschikt over een driekwart miljoen abonnees.
Het kan allemaal, zo lijkt het. De prangende vraag is echter: zijn wij hier
bezig met het opblazen van een gigantische luchtbel, die op enigerlei moment
knapt of staan we aan de vooravond van een grote sprongsgewijze economische
groei met behulp van internet?
De eerst aangewezenen om op deze vraag een antwoord te geven zijn mensen als
Nina Brink. Je zou zo'n antwoord verwachten in het prospectus bij de beursintroductie.
Niets van dit al, het gaat alleen maar over verwachtingen aangaande de impact
van het medium internet en niet over concrete plannen wat men na de collecte
op de beurs met dit gigantische vermogen gaat doen om het rendabel te maken.
Dat het bedrijf van mevrouw Brink dat niet kan, kan een kind zien. Ze beschikt
gewoon niet over producten die haar zeer hoge beursnotering waar zullen maken.
De enige manier om die notering waar te maken is zorgen dat zij als de wiedeweerga
die producten in huis heeft door slimme acquisities te doen die een zodanige
productcombinatie met haar internetnetwerk opleveren, dat zij een gigantische
toegevoegde waarde creëren.
Bijvoorbeeld Nina Brink koopt, na de beursintroductie van WorldOnline, ING
op en weet met haar internet dusdanige bank- en verzekeringsproducten te introduceren,
dat zij nieuwe markten aanboort en het marktaandeel van ING aanzienlijk weet
te vergroten. Of ze haalt Philips consumentenelektronica binnen en begint
er een internetwinkel mee die zodanig groeit dat ze daarna Ahold weet toe
te voegen en zo nog het een en ander.
Zouden we iets van dien aard vernemen, een strategie die collega AOL nu uitprobeert
na zijn aankoop van Time Warner, dan zouden we iets geruster adem kunnen halen.
Vooralsnog lijkt het mevrouw Brink en haar medeaandeelhouders slechts te doen
te zijn om het grote geld zo snel mogelijk binnen te halen en dan weg te wezen.
Dat is trouwens een opvallend aspect aan veel van die internetfondsen die
de beursgang maken. Het lijkt de eigenaren alleen maar te doen te zijn om
het grote geld. Zouden zij zelf in de verwachtingen van de belegger geloven
dan stap je er niet zo snel mogelijk uit, maar blijf je er in. Dit snelle
uitstappen zou te denken moeten geven. Die uitstappers zien kennelijk elders
lucratievere mogelijkheden en dit zijn nog wel de mensen die het bedrijf en
de producten, en bovenal de mogelijkheden daarvan kennen als geen ander.
Meer in het algemeen zit hierin de bottleneck van internet en ICT. Zonder
enige twijfel zullen zij het aanzien van de wereld, onze economie en de structuur
van het bedrijfsleven ingrijpend veranderen. De vraag is alleen in welk tempo.
De verwachtingen zijn, onder meer van mensen als Roel Pieper, dat dit gebeurt
in een adembenemend tempo en dat is de reden van de zeer hoge beursnoteringen.
Mijn verwachting is dat dit nog heel wat meer voeten in aarde zal hebben en
dat ligt volgens mij aan het lage tempo van de ontwikkeling van nieuwe producten
en diensten, en interessante combinaties daarvan. Ik ben niet zo onder de
indruk van de creativiteit in deze sector en al helemaal niet van hun zogenaamde
gerichtheid op de consument.
Veel producten vind ik apert gebruikersonvriendelijk. Hoeveel beslissingen
moet ik - consument - niet nemen alvorens te kunnen e-mailen of te internetten.
De telefoon hoef je maar van de haak te nemen en je kunt aan de slag. En waarom
zoveel adresnoteringen voor een persoon. Waarom is mijn telefoonnummer niet
gepersonaliseerd om dan tevens te dienen als fax-, internet- en woonadres.
Technisch allemaal mogelijk, maar van integratie is in de verste verte nog
geen sprake.
Meer in het algemeen zal men in deze sector veel moeten doen om het gebruikersgemak
te verhogen door drastische terugdringing van het aantal beslismomenten, door
terugdringing van de complexiteit, door integratie van communicatiemedia en
door product- en dienstencombinaties, kortom door de weg te wijzen hoe de
hoog gespannen verwachtingen waar worden gemaakt door producten en diensten
met een hoge toegevoegde waarde.
Mevrouw Brink bent u daar nog of zit u al te genieten van de consumptie van
uw miljardencollecte op de beurs?
Pim Fortuyn
Rotterdam 8 maart 2000
De miljardendans in politiek Den Haag is begonnen. Men verwacht een meevaller
van 15 miljard gulden voor de komende twee jaar. Grotendeels als gevolg van
hogere belastinginkomsten door de aanhoudende economische groei en voor een
kleiner deel als gevolg van minder uitgaven voor de sociale zekerheid daar
de werkeloosheid nog steeds terug loopt.
De vraag die dan vervolgens opkomt is wat te doen met al dat geld? Het antwoord
daarop zou heel eenvoudig kunnen zijn: gebruik het om een begin te maken met
de aflossing van de torenhoge staatsschuld. Dat zou ook niet meer dan rechtvaardig
zijn tegenover de jonge mensen van nu. Immers mijn generatie heeft die schulden
gemaakt in een periode van ruim 25 jaar.
Het is ook mijn generatie, die der babyboomers, die straks zal zorgen voor
substantieel verhoogde uitgaven voor de gezondheidszorg en de AOW, de zogenoemde
vergrijzingsproblematiek. Om te zorgen dat de werkers van dan nog iets ter
eigen besteding overhouden, is het goed om in de publieke financiën daarvoor
reeds nu de ruimte te scheppen. Dat is niet meer dan een kwestie van rechtvaardigheid
en een bijdrage aan het voorkomen van een toekomstige 'oorlog' tussen de generaties.
Politiek Den Haag voelt daar natuurlijk niet voor. Veel partijen willen met
een flink deel van dit geld leuke dingen voor de mensen doen, zoals daar zijn
onderwijs, gezondheidszorg en milieu. Nobele doelen natuurlijk, maar worden
daar het onderwijs, de gezondheidszorg en het milieu ook echt beter van?
Ik denk het niet. Zowel in het onderwijs als in de gezondheidszorg is sprake
van een gigantische grotendeels bureaucratische overhead.
Bij een hbo-instelling in het oosten van het land werken 1200 leerkrachten
en tussen de vier- en vijfhonderd krachten die zogenaamde ondersteunende diensten
verlenen. In het ICT-tijdperk is dit van de gekke, zoals het ook voordien
natuurlijk ook al van de gekke was. Veel van die zogenoemde diensten houden
de uitvoerende van hun echte werk af: goed onderwijs geven.
Iets soortgelijks, maar nog veel grotesker is eraan de hand in de zorg sector.
Daar komt men nu zo langzamerhand achter. Het centraal stellen van de patiënt
en niet van de behandelaar en de behandelwijze, blijkt ineens te leiden tot
efficiënter en effectiever optreden en wachtlijsten smelten weg als sneeuw
voor de zon.
Dat smaakt dus naar meer.
Pomp je extra geld in deze sectoren, waarin al vele miljarden omgaan, dan
zal deze voor de hand liggende oplossing niet verder worden doorgevoerd. Het
zijn ook daar net mensen. Meer geld neemt gewoon de prikkel weg om je zaakjes
beter te organiseren. Het is net als in het bedrijfsleven, een slecht functionerend
bedrijf gaat niet beter werken door er meer geld in te pompen. Integendeel,
dat is goed geld naar slecht geld gooien.
Het is van het grootste belang dat de sectoren onderwijs en zorg flink worden
geherstructureerd en dat de aanzienlijke overhead, de bureaucratie en het
veel te uitgebreide management worden teruggedrongen. Tevens moeten de uitvoerenden
meer verantwoordelijkheid krijgen en daar ook op worden afgerekend, zowel
in positieve als in negatieve zin.
Zoiets bereik je alleen door de geldkraan niet verder open te draaien. Het
is de onderwijzers, verpleegsters en dokters van harte gegund beter te gaan
verdienen, maar dan wel gefinancierd uit de bestaande budgetten door effectiever
en efficiënter te gaan werken. De arbeidsproductiviteit in deze sectoren ligt
veel en veel te laag en kan dan ook aanzienlijk omhoog.
Investeren in het milieu is helemaal van de gekke, men weet zich daar met
het geld geen raad en zal dit dus gaan besteden aan meer functionarissen,
betere arbeidsvoorwaarden en meer bureaucratie. Dat dit niet zo maar een mening
is kan men zien bij de Nederlandse politie. In de loop van de tijd is daar
een paar honderd miljoen gulden extra ingepompt en het resultaat is nog steeds
heel mager. Het geld is weggevloeid via bestaande kanalen en de burger heeft
het nakijken.
Zeker geen voorbeeld om na te volgen.
Pim Fortuyn
Rotterdam 16 maart 2000
Vijf maanden lang hebben de forensische accountants van KPMG, een deftige
term voor fraudespecialisten, moeten spitten in de gemeentelijke administratie
van Rotterdam om het declaratie gedrag van B&W, in het bijzonder van ex-burgemeester
Peper (PvdA), in kaart te brengen.
En naar nu blijkt is het accountantsrapport nog niet volledig. Dit zegt iets
over de weinig inzichtelijke manier waarop door de gemeente Rotterdam het
declaratiegedrag van B&W werd vastgelegd. Een fout van de ambtenaren en
dan in het bijzonder van de gemeentesecretaris die daar op had moeten toezien?
In zekere zin wel, een moedige gemeentesecretaris had dit niet gepikt. Een
dergelijke secretaris was er in de toenmalige bestuurscultuur wel linea recta
uitgevlogen, omdat met name burgemeester Peper van mening was, en is, dat
dit tot zijn eigen bevoegdheden behoort. Als dat zo is behoort ook het afleggen
van deugdelijke verantwoording over deze uitgaven tot zijn plichten.
Die plicht heeft hij tot op de dag van vandaag schromelijk verzaakt. In zijn
verdediging via de media maakt Peper KPMG uit voor een stelletje amateurs
en op de wedervraag waarom hij, als hij het dan allemaal zo goed weet, de
betreffende stukken niet tevoorschijn tovert, stelt hij botweg dat dit niet
zijn taak is. Het is echter wel zijn taak, daarover kan geen twijfel bestaan.
Een burgemeester, een door de Kroon benoemde ambtsdrager, is verplicht toe
te zien op de rechtmatigheid van het bestuur van de gemeente en dient ervoor
te waken dat er door het ambtelijk apparaat zodanig wordt gewerkt dat daar
te allen tijde verantwoording over kan worden afgelegd. Zeker in een gevoelige
materie als de persoonsgebonden uitgaven van het college van B&W.
Hier wringt hem nu juist de schoen. Peper is van mening dat hij dat eigenlijk
niet hoeft, omdat hij zeven dagen per week 24 uur per dag burgemeester was
en omdat hij onbeschrijfelijk veel voor de stad heeft gedaan en betekend.
Peper vond en vindt het beledigend dat er überhaupt een onderzoek is gedaan
naar zijn declaratiegedrag en heeft dan ook feitelijk geen medewerking verleend
aan het onderzoek daarnaar door de commissie uit de gemeenteraad.
Afgezien nog van het feit of Peper het nu wel of niet zo nauw heeft genomen
met zijn declaratiegedrag is het je niet willen verantwoorden en er niet voor
zorgdragen dat dit ook goed en snel kan, een doodzonde in het openbaar bestuur.
KPMG had niet meer dan een paar weken nodig moeten hebben om de bevindingen
ter zake te rapporteren. Bij een deugdelijke administratie was dat ruim voldoende
geweest. De burgemeester heeft daar niet alleen niet op willen toezien - hij
voelde zich daar verre boven verheven - maar ook heeft hij pogingen om dat
te verbeteren actief en passief, en naar nu blijkt met succes, weten te verhinderen.
Het is door dit gedrag van Peper dat een geur van bederf opstijgt uit het
rapport aan de gemeenteraad.
Een geur die niet meer valt te verjagen, welke documenten nu nog op tafel
komen.
Peper zegt verslingerd te zijn aan het openbaar bestuur van ons land. Zijn
gedrag is daar niet mee in overeenstemming geweest. Dat getuigt eerder van
minachting voor de gemeenteraad en de burgers van Rotterdam, met name nu hij
met modder begint te gooien in plaats van zich minutieus en degelijk te verantwoorden.
Alle Rotterdammers worden zelfs gestraft, hij zal geen voet meer op onze bodem
zetten.
Waarvan akte!
Peper stelde: er is een ex-burgemeester, een ex-minister, maar geen ex-Bram
Peper.
Zo is het maar net en had hij in zijn werkzame leven nu ook maar zo glashelder
de scheilijn getrokken tussen ambt en persoon, dat had het openbaar bestuur
een bezoedeld blazoen bespaard.
Pim Fortuyn
Rotterdam 23 maart 2000
Nederland is weer eens geschokt. Na extra geld te hebben gepompt in de zorgsector
blijken wachtlijsten, met name in de thuiszorg en van de verzorgings- en verpleegtehuizen,
niet gekrompen maar gegroeid. Men is er inmiddels achter dat de registratie
zo gebrekkig is dat men niet precies weet waarop wordt gewacht. In het registratiesysteem
staat niet de zorgvrager - in modern jargon de klant - centraal, maar de zorgverlener.
Langzaam begint het besef door te dringen dat dit niet alleen voor bedrijven
fnuikend is, maar ook voor de dienstverleners in de zorgsector.
Jaren geleden heb ik erbij de verzekeraars al op aangedrongen om een voorbeeld
te nemen aan de bloemen- en plantenveiling in Aalsmeer, daar wordt het product
geautomatiseerd gevolgd, dat zou ook moeten gebeuren met de zorgvrager. Op
die manier doet men een schat aan informatie op die kan bijdragen aan een
effectievere en bovenal efficiëntere zorgverlening.
Dat levert een beter bij de zorgvrager passend product op en het zal schelen
in de hoogte van de kosten daarvan. In het geval van de wachtlijsten weet
men dan bijvoorbeeld precies wie waar op wacht en op welke plaats. Dan ook
kan men zien of de wachtlijst voor de ene vorm van hulpverlening een wachtlijst
veroorzaakt voor de andere vorm. Bijvoorbeeld als men eigenlijk wacht op een
verpleegtehuis wordt men tijdelijk doorgeschoven naar de thuiszorg en daar
belandt men dan ook weer op een wachtlijst.
Goede, patiëntgerichte administratie geeft in ieder geval inzicht in waar
eigenlijk op wordt gewacht en dus waar men capaciteitsproblemen moet oplossen.
Het is heel wel mogelijk dat een verruiming van de capaciteit van verpleegtehuizen
de wachtlijst in de thuiszorg doet verdwijnen of in elk geval sterk doet verminderen.
Nu tast men is het duister.
Meer in het algemeen weet men helemaal niet of er wel efficiënt wordt gewerkt
in die vormen van zorg. Het is mijn stellige indruk dat de overhead, management,
bureaucratie en kundes, een onevenredig groot deel van het beschikbare budget
opslokt. De inrichting van de zorgkantoren die de zorg moeten distribueren
over de vragers van zorg, is weer zo'n nieuwe vorm van bureaucratie die uit
hetzelfde budget moet worden betaald. Het is nog maar de vraag of deze zorgkantoren
het functioneren van de afstemming van vraag en aanbod zal verbeteren.
Het lijkt mij de hoogste tijd worden om in de zorgsector het particulier initiatief
in te schakelen, niet van burgers maar van bedrijven. Ga de boer maar op bij
de uitzendbureaus en de cateraars. Ga met hen praten over de aanbieding van
totaalproducten. Waarom zouden deze bedrijven geen verpleeg- en verzorgingstehuizen
kunnen exploiteren en geen thuiszorg kunnen geven op maat. Zover ligt dat
niet van hun huidige business af.
Het grootste probleem in de zorg is gebrek aan uitvoerend personeel. Dat heeft
velerlei oorzaken. Het zit hem in de honorering van de uitvoerenden (dokters,
verplegers, gezinsverzorgers e.d.) die aan de lage kant is, in de bureaucratie
die de werkdruk niet verlaagd maar verhoogd (denk aan de eindeloze vergader-
en administratiecultuur) en in een te uniform aanbod.
Particulier initiatief kan hierin veel veranderingen ten goede brengen, zo
wijst de ervaring uit. Meer in het algemeen zal het die kant toch uit moeten.
Straks doen ook welgestelde mensen beroep op zorg en zij willen zorg die bij
hen past en niet de eenheidsworst die thans wordt gepresenteerd.
Natuurlijk hangt daaraan ook een prijskaartje, maar dat kunnen zij zeker betalen.
Het betekent ook onderscheid in de zorg naar kapitaalkracht. Maar wat is daar
eigenlijk op tegen. De villabewoner deelt zijn leven nu ook niet met die van
de modale flatbewoner, maar moet dat in het verzorgings- c.q. verpleegtehuis
van nu wel doen.
De hele discussie hierover wordt verlamd door een moralistisch beroep op gelijkheid.
Onderscheid hoeft nog helemaal niet te betekenen dat de kwaliteit van de geboden
zorg daaronder lijdt. Het handhaven van een standaardkwaliteit is zeker een
overheidstaak, daarboven moet men duizend bloemen laten bloeien.
Indien het particulier initiatief zijn intrede doet in het zorgveld, zullen
ook de traditionele instituties hun kwaliteit, hun effectiviteit en hun efficiëntie
verbeteren. Dat is beter dan maar hersenloos een nieuw blik geld open te trekken.
Pim Fortuyn
Rotterdam 30 maart 2000
Nina Brink, president van WorldOnline heeft vals gespeeld. Haar aandelen voor
een flink deel verkocht, een paar maanden voor de beursgang en wel tegen het
luttele bedragje van ruim 6 euro per aandeel, met de clausule dat zij 50%
van de winst krijgt bij doorverkoop.
Ons Nina denkt overal aan, in de eerste plaats aan zichzelf. Ten tijde van
het door haarzelf in gang gezette mediaspektakel beweerde zij bij hoog en
bij laag niet geïnteresseerd te zijn in geld. Het gaat haar in het leven om
andere, meer spirituele zaken. Dat blijkt nu gewoon ronduit een leugen te
zijn.
Voorts heeft zij in het prospectus bij de beursgang de belegger op zijn minst
misleid. Uit het prospectus kan men na enig zoeken opmaken dat Brink haar
aandelen elders heeft ondergebracht, maar van verkoop is geen sprake.
Het juridische carrousel begint nu langzaam maar zeker warm te draaien. Schadeclaims
worden voorbereid tegen het bankenconsortium dat WorldOnline naar de beurs
bracht. En door de fameuze strafrechtadvocaat Spong wordt zelfs de mogelijkheid
onderzocht van een strafproces wegens oplichting tegen het bedrijf zelf en
tegen Brink.
Ik hoop dat het er allemaal van komt, want dat maakt meteen duidelijk dat
dit geen tweede keer meer moet gebeuren. De Raad van Commissarissen van WorldOnline
doet intussen helemaal niets. Hij heeft Brink een- en andermaal (her)bevestigd
als president van het bedrijf. Men schijnt daar te denken dat dit soort spierballenvertoon
op belegger indruk zal maken!
Niets is minder waar, het aandeel glijdt steeds verder weg en het enige zinnige
advies dat de belegger nu nog valt te geven is: zo snel mogelijk verkopen
die handel. De Raad had Nina Brink onverwijld weg moeten sturen en voorts
moeten aankondigen op welke terreinen het bedrijf zijn internetactiviteiten
wil ontplooien en op die terreinen ook acquisities moeten doen. Dat had indruk
gemaakt en het vertrouwen van de belegger in het aandeel WorldOnline kunnen
herstellen. Goed voor de belegger en meer in het algemeen goed voor het vertrouwen
in de ICT-fondsen, die door alle affaires momenteel stevig onder druk staan.
Dit alles is echter niet gebeurd en de reden daarvoor is nogal simpel. Een
Raad van Commissarissen behoort onafhankelijk te zijn. Hij oefent toezicht
uit op het management, behartigt de belangen van bij de onderneming betrokkenen,
zoals aandeelhouders, personeel en management, en draagt zorg voor de continuïteit
van de onderneming.
Deze Raad heeft evenwel slechts de belangen behartigd van Nina Brink en van
zichzelf natuurlijk. Commissarissen zijn gerekruteerd uit de kring van investeerders
van het eerste uur in de onderneming WorldOnline. Het is aannemelijk dat zij
op de hoogte waren van de verkoop voor de beursgang door Brink van een flink
deel van haar aandelen. Bovendien hebben zij ook zelf flink gecasht.
Van onafhankelijkheid van de Raad en het evenwichtig behartigen van alle betrokken
belangen is in de verste verte geen sprake geweest en ook nu gebeurt dit nog
niet (wellicht ligt hier ook nog een mogelijkheid van een schadeclaim). Integendeel,
de Raad heeft de belangen van het personeel geschaad (velen van hen zitten
nu dik in de schulden door hun aandeel in het bedrijf tegen de introductiekoers
van 43 euro) en bovenal heeft de Raad de belangen van de beleggers (aandeelhouders)
geschaad. Door dit alles heeft de Raad de continuïteit van de onderneming
nodeloos in gevaar gebracht.
Het bestuur van de beurs en het bankenconsortium valt ook het nodige aan te
rekenen. Zij zijn duidelijk tekort geschoten in hun toezichthoudende en voorlichtende
functie. Zij hebben het spel met de leiding van WorldOnline meegespeeld en
gezien de aard van deze instellingen valt nauwelijks aannemelijk te maken
dat zij naïef zijn geweest.
Dat dit alles heeft kunnen gebeuren is voor een belangrijk deel terug te brengen
op de ongeëvenaarde en sterk om zich heen grijpende hebzucht van velen, inclusief
de hebzuchtige belegger.
Enig wantrouwen was op zijn plaats geweest, zeker na die opgeblazen mediacampagne,
die ik eerder heb omschreven als gebakken lucht. Had een bedrijf uit de oude
economie bij een beursgang een sootrgelijk prospectus gepresenteerd als WorldOnline
heeft gedaan, dan was het niet eens aan een beursintroductie toegekomen.
In die zin was de belegger dus wel degelijk gewaarschuwd en gaat adagium voor
hen voluit op:
Wie zijn kont brandt moet even op de blaren zitten!
Pim Fortuyn
Rotterdam 6 april 2000
Er is een ware publicitaire hype ontstaan rond het optreden van de Majesteit.
Twee boeken van journalisten die een stevig onderzoek hebben gedaan - weliswaar
op basis van anonieme bronnen - naar de handel en wandel van de Majesteit
en de partijleider van D66 Thom de Graaf, die voorstellen doet om het koningschap
te moderniseren. Dat wil zeggen: het terug brengen van het koningsschap tot
een louter ceremoniële functie omdat er een democratisch gat zou gapen.
De reacties op de voorstellen van De Graaf in politiek den Haag, waren hilarisch.
Het leek wel of er een haan werd losgelaten in een kippenhok dat het maanden
zonder haan moest stellen. De verontwaardigde commentaren en sympathiebetuigingen
aan de Majesteit buitelden over elkaar heen. Zelfs the Queen under the Queens,
de vice president van de Raad van State, Herman Tjeenk Willink, verbrak zijn
plechtig stilzwijgen en mengde zich op zijn eigen deftige manier in het gekrakeel.
Hij deed een oproep om de grenzen van het majesteitelijk handelen juist niet
in te perken, maar nog verder op te rekken vanwege haar vele en bovenal voortreffelijke
kwaliteiten. Zij is koningin bij de gratie Gods, maar als we de paladijnen
rond de troon mogen geloven ook een beetje God zelve.
Dat de Majesteit met verve de grenzen van het staatsrecht verkent en alles
probeert om haar invloed en macht uit te breiden is al langer een publiek
geheim en door velen, onder meer door mijzelf, bij relevante gelegenheden
in de pers aan de kaak gesteld. Menselijk gezien doet de Majesteit niets meer
dan in deze ambitieuze tijd van ambitieuze mensen mag worden verwacht: zoveel
mogelijk inhoud aan haar functie geven. En ja, na zo'n twintig jaar wil je
ook wel eens zelf met de majesteitelijke vingers aan de knoppen zitten! Staatsrechtelijk
moet dit niet mogen en daar wringt de schoen.
Hiermee wordt het erfelijk koningschap in de moderne tijd gewoonweg een onmenselijke
functie. Geen zinnig mens, die nu nog een bestel zou ontwerpen, waarin het
staatshoofd publiekelijk geen mening mag hebben over belangrijke maatschappelijke
vraagstukken. Zeker niet als deze politiek gevoelig liggen en het aanstaande
staatshoofd verordonneren om zijn huwelijk goed te laten keuren door de Staten
- Generaal. Of nog erger: een uitgebreid antecedentenonderzoek eisen naar
zijn bruid en naaste familie, met name naar de vader van de bruid.
Wij vinden geheel terecht dat wij daar niets mee van doen hebben en dat het
gedrag van de vader de bruid niet mag worden aangerekend. Maar ja dat moet
wel, wil het staatshoofd onschendbaar zijn en de ministers verantwoordelijk.
Kortom, als we mensen niet meer in een dergelijke onhanteerbare spagaat willen
dwingen dan is er maar een oplossing en dat is de afschaffing van deze constructie.
Dat was consequent geweest, maar daarvoor ontbrak de Graaf de moed. De familie
Van Oranje wil dat niet en ook het overgrote deel van het volk wil het niet.
Er blijft dus weinig anders over dan voortmodderen onder het motto: als het
volk poppenkast wil dan krijgt het zo briljant mogelijk gespeelde poppenkast.
Ondertussen is er met deze plotselinge belangstelling van D66 voor de modernisering
van het koningschap wel iets merkwaardigs aan de hand. Sedert haar oprichting
pleit de partij voor het uitbrengen van twee stemmen door het kiezersvolk:
een op de macht en een op de controle daarop. Dat wil in de praktijk zeggen
dat we onze volksvertegenwoordigingen kiezen, maar ook de premier, de commissaris
ven de koningin en de burgemeester. Deze laatste functionarissen formeren
hun kabinet, college van gedeputeerde staten en college van B&W op basis
van het mandaat dat ze van de kiezer hebben gekregen.
Als de minister-president wordt gekozen vervalt vanzelf de rol van de koningin
bij de kabinetsformatie en meer in het algemeen zal de premier handelen op
basis van het mandaat van de kiezer en dus het erfelijke staatshoofd als vanzelf
op afstand houden van het politieke bedrijf. Zonder wijziging van de grondwet
aangaande de positie van het staatshoofd is dan alles gerealiseerd wat de
Graaf wil bereiken door de modernisering van het koningschap en nog veel meer
dan dat.
Pas dan is het democratische gat echt gedicht, want kan de kiezer rechtstreeks
zijn regering kiezen en is dat geen onderdeel meer van de fameuze achter-
en torenkamertjes politiek die de polder tot nu toe moet gedogen. Voor de
familie van Oranje wordt het er natuurlijk niet leuker op, maar zolang zij
het zelf willen en het volk er niet vanaf wil is er niets aan de hand.
Pim Fortuyn
Rotterdam 13 april 2000
In economisch opzicht raakt de wereld steeds meer vervlecht, althans de moderne
wereld, dat wil zeggen: al die landen die beschikken over een technologisch
goed ontwikkelde economie. Er zijn ook veel landen die daarover helemaal niet
of maar zeer ten dele beschikken. Het Afrikaanse continent doet bijvoorbeeld,
behoudens segmenten van de Zuid-Afrikaanse economie, gewoon in zijn geheel
niet of nauwelijks mee.
Het ziet er naar uit dat de tweedeling van de wereld op het gebied van de
economische ontwikkeling alleen nog maar verder zal verscherpen en verdiepen.
De ICT-economie en ICT-maatschappij schiet in de landen van het Afrikaanse
continent slechts op een passieve manier wortel. Men gebruikt de ICT-technologie
waar mogelijk, maar een vooraanstaande positie in de ontwikkeling daarvan
neemt men niet in, zelfs niet op segmenten daarvan. En het is ook hier wie
het eerst komt die het eerst maalt.
De succesvolle innovatieve bedrijven gaan aan de haal met de grote rendementen
en dragen op die manier direct en indirect bij aan de dynamiek van de economie
van de betreffende landen en aan de steeds toenemende welvaart van hun bevolkingen.
De niet ontwikkelde economieën hebben het nakijken en kunnen slechts profiteren
en dat meestal nog beduidend later van de producten die deze elkaar in hoog
tempo opvolgende innovaties opleveren. In dat licht bezien is de tweedeling
in landen met moderne economieën, van deelnemers aan die economie en van een
onderklasse van niet-deelnemers, slechts een relatief, zij het in zwaarte
toenemend probleem.
Als gevolg van de economische vervlechting van de moderne economieën, vervat
in de metafoor van the global village, komen langzaam maar zeker kleine volksverhuizingen
opgang. Een deel van de mensen vindt het niet meer gek om tijdelijk of voor
goed te verkassen naar het buitenland. Het minst levert dit problemen op voor
goed opgeleidde mensen. In de meeste gevallen hebben die hun zaakjes, inclusief
werk en woning al geregeld voor vertrek. Problematischer wordt het indien
men laag opgeleid is, niets heeft kunnen regelen voor vertrek en op goed geluk
vertrekt van een arm naar een rijk land.
Indien dat rijke land officieel geen immigratie land is en dus niet over een
immigratie beleid beschikt, dan doet men dit onder het mom van asielzoeker
te zijn. Ons land is zo'n land en krijgt mede daardoor het asielzoekersvraagstuk
maar niet in de vingers. Het bestand wordt bij voortduring vervuild door grote
groepen mensen die zich aanmelden als asielzoeker, maar feitelijk opzoek zijn
naar een situatie waarin zij welvarender dan in eigen land kunnen leven.
In het onnavolgbare jargon van de polder, worden deze mensen economische vluchtelingen
genoemd. De meeste van hen komen na aankomst in de onderklasse terecht. Sommigen
emanciperen na betrekkelijk korte tijd, maar de meeste zullen er een a twee
generaties over doen om te emanciperen en bij delen van Turkse en Marrokkaanse
etnische groepen lukt het zelfs voor de derde generatie nog niet.
Daar het mijn verwachting is dat de tweedeling in de wereld eerder zal verdiepen
en verscherpen dan verminderen en verzachten, is het alleszins aannemelijk
te verwachten dat de toestroom van economische vluchtelingen naar de rijke
landen eer toe dan af zal nemen. Het wordt steeds goedkoper en gemakkelijker
om zich te verplaatsen. De economie van de global village duldt geen potdichte
grenzen dus het wordt ook steeds gemakkelijker om binnen te komen. Een maal
binnen is de weg terug heel erg moeilijk.
Bovendien verspreidt de informatie over de westerse vleespotten zich als een
lopend vuurtje onder de bevolkingen van de arme landen, met name door de zegeningen
der ICT-technologie. De eetlust wordt al doende opgewekt en de animo om te
vertrekken neemt alleen maar toe, vooral onder de jonge mensen.
Het valt goed te vergelijken met de trek van het platteland naar de stad die
plaats gevonden heeft in vrijwel alle landen ter wereld. De stad is nu het
rijke westen en het platteland zijn de arme landen. Voor de landen van de
huidige Europese Unie komt daar straks met de toetreding van nieuwe leden
uit Oost en Midden Europa nog een probleem bij. Dan wordt de trek van die
landen van mensen naar het veel rijkere West-Europa een fluitje van een cent
en is deze ook met geen mogelijkheid meer tegen te houden.
Het is duidelijk dat van deze grote volksverhuizingen een behoorlijk ontwrichtende
werking kan uitgaan. Zo bezien dient het minderhedendebat geplaatst te worden
binnen de veel omvattender context van de aanstormende global village. Dat
is de schaduwzijde daarvan, waarop de rijke wereld zelfs het begin van een
antwoord nog niet heeft gevonden.
Pim Fortuyn
Rotterdam 21 april 2000
De glans van de nieuwe economie is er een beetje vanaf. Beursfondsen van de
nieuwe economie gaan als een jojo heen en weer, sommigen, zoals WorldOnline,
zakken gestaag helemaal weg, en de inflatie wakkert aan in het beloofde land
van de nieuwe economie: de Verenigde Staten van Amerika en dat terwijl de
goeroes van deze economie ons beloofden: nooit meer inflatie!
De redenering was even simpel als misleidend, schaarste, die zorgt voor prijsopdrijving
in de oude economie, komt in de nieuwe economie niet voor. Daarin staat niet
de schaarste centraal, maar de overvloed, hoe meer zielen hoe meer vreugd,
hoe lager de prijzen en hoe groter de verdiensten. Kortom het perpetuum mobile
heeft in zijn intrede gedaan en de oude economie afgedaan. Winst was voor
de dommen, het gaat om de ideeën (kennis, creativiteit ) en de hooggespannen
verwachtingen daaromtrent en ja dan? dan is de sky the limit!
Inmiddels belanden we langzaam maar zeker weer met beide voeten op aarde,
de aloude vaste grond!
Betekent dit nu dat al die verwachtingen van de nieuwe economie op drijfzand
zijn gebouwd? Zeker niet, die verwachtingen zijn terecht, maar de doorlooptijd
wordt zwaar onderschat en het aantal nieuwe producten valt tegen, de toepassingen
zijn niet direct duidelijk en de gebruiksvriendelijkheid laat veel te wensen
over.
In de nieuwe economie heeft men bedacht dat men een product direct op de markt
moet zetten. Flopt het, dan voer je het even snel weer af, is het een top
dan ben je snel binnen. Gevolg van deze strategie is dat de consument wordt
overspoeld met onrijpe producten, die bovendien nogal eens gebruiksonvriendelijk
zijn.
Deze strategie is vanuit de producent in de nieuwe economie goed te begrijpen,
via trial and error tracht hij zijn slag te slaan. Dat die trial and error
over onze ruggen gaat is niet zijn zorg, maar bederft wel het vertrouwen van
de consument in de IT-markt zoals het dat gedaan heeft met het vertrouwen
van de belegger in de IT-fondsen.
De enige remedie om dit tekort aan vertrouwen bij beleggers en consumenten
te stoppen is net als in de oude economie: degelijkheid! Consumenten en beleggers
niet langer als proefkonijnen, respectievelijk melkkoeien gebruiken, maar
als gewaardeerde afnemers en kredietverschaffers. Leert de nieuwe economie
deze klassieke lessen niet, dan wordt het op den duur tobben. Consumenten
en kredietverschaffers zullen meer dan thans de kat uit de boom kijken.
Met een voorproefje daarvan wordt Microsoft momenteel geconfronteerd. Windows
2000 is niet het kassucces aan het worden waarop men had gehoopt. Het nieuwe
product heeft te weinig nieuws te bieden om de afnemer massaal te bekeren
tot dit product.
Integendeel, het gebruik daarvan roept nog tal van complicaties op. Die complicaties
dacht Microsoft, geheel in traditie van deze branche, te verhelpen over de
ruggen van het eerste cohort gebruikers heen. Op basis van hun ervaringen,
zonder dat Microsoft een cent voor deze ervaringen hoeft betalen (sic!), zal
het programma worden aangepast en naar we hopen worden verbeterd.
Deze houding nu, zal men in de IT-branche moeten laten varen. Een product
zal gebruiksvriendelijk dienen te zijn en voor introductie op de markt uitvoerig
te zijn getest op bruikbaarheid en fouten daarin. Vindt deze cultuuromslag
niet plaats uit eigen beweging, dan straft de markt deze houding wel af door
afwachtend te zijn in koopgedrag en door voorzichtig te zijn met beleggen.
Dat zou veel van de huidige dynamiek in de IT-branche teniet doen en dat zou
buitengewoon jammer zijn voor de consument, de belegger en niet in de laatste
plaats voor onze nieuwe loot aan de economische stam: de IT-producent!
Pim Fortuyn
Rotterdam 27 april 2000
Onlangs is de complete directie van Bruna, een van de grootste boekenuitgevers
van ons land, opgestapt met medeneming van enkele belangrijke stafmedewerkers.
Zij beginnen voor zichzelf een nieuwe uitgeverij, waarin toepassing van ICT,
e-commerce en internet een belangrijke rol zal spelen. In de omgeving van
de oude uitgeverij Bruna ontmoetten zij teveel weerstanden en te weinig bereidheid
om in deze nieuwe ontwikkelingen te investeren. Intussen lieten ze mijn boek,
'De derde revolutie', dat precies op dat moment verscheen, als weeskind achter.
In de daaraan voorafgaande jaren werd almaar opnieuw bezuinigd. De Bruna-boekwinkelketen
was al eerder afgestoten, omdat deze niet tot de core-business zouden horen,
zo hadden de financiële managers in hun wijsheid besloten. Met de verkoop
van deze keten was de uitgeverij meteen zijn greep kwijt op het voor hen belangrijkste
distributiekanaal naar de boekenconsument en daarmee ook het directe contact
met die consument.
Als auteurs hebben we dat direct mogen merken. Voor de verkoop van je boek
is het van groot belang dat de boekhandelaar iets in jouw boek ziet en het
op een goede plek in zijn winkel wil leggen. Vanaf toen waren we van deze
betrekkelijke willekeur vrijwel geheel afhankelijk, met als gevolg dat een
en hetzelfde boek in de ene stad liep als een tierelier en de andere stad
helemaal niet.
Toen eenmaal de boekwinkelketen was verkocht namen de financiële managers
van de holding de macht in de uitgeverij over en werd deze jaar op jaar getrakteerd
op nieuwe targets en steeds weer nieuwe bezuinigingen. Had ik in het begin
nog een uitgever van niveau als gesprekspartner, aan het einde was dat de
voormalige tekstcorrector, dat was wel zo goedkoop!
Intussen is de verkoop van boeken via internet aan een vliegende start begonnen.
Mijn collega professor Heertje heeft zojuist zonder tussenkomst van een uitgever
en de boekhandel een nieuw boek op de markt gebracht dat alleen nog digitaal
kan worden besteld.
Ook de druktechniek is volop in beweging. Boeken worden nauwelijks meer klassiek
gedrukt, maar in toenemende mate via digitale technieken met behulp van zeer
geavanceerde kopieerapparaten geproduceerd. Vorige jaar mei mocht ik op een
beurs in de RAI de nieuwste loot aan deze stam van Xerox introduceren. Een
voorpublicatie van twee hoofdstukken uit mijn 'Derde revolutie' werd als demonstratie
in twintig seconden geproduceerd, gebrocheerd en met omslag en al.
De kwaliteit kon nog niet wedijveren met de klassieke paperback, maar de mogelijkheden
waren duidelijk. Binnen een jaar haalt men die kwaliteit wel en dan is het
mogelijk het boek gedecentraliseerd aan te maken. Zo'n machine kost nu nog
een miljoen gulden en is dus alleen binnen handbereik van de grote boekhandel
en de grote internetverkoper, maar dat is slechts een kwestie van tijd. Over
enige jaren is dat een betaalbare machine en dan kan men bij wijze van spreken
zijn boek eventjes laten produceren bij een vestiging van Albert Heijn.
Deze ontwikkelingen schudden de hele logistieke keten van auteur, uitgever,
boekverkoper en consument door elkaar. Technisch is het nu mogelijk dat de
auteur vrijwel rechtstreeks met de consument communiceert, zonder tussenkomst
van uitgever en boekverkoper. Daarbij kan de auteur zijn tekst op elk gewenst
moment actualiseren en is de doorlooptijd van een boek in zijn definitieve
tekstvorm terug gebracht tot nul.
Vroeger deed een goed non-fictie boek zo'n vijf jaar, nu is dat krap een jaar,
straks zonodig bij wijze van spreken een dag. Zo zal het overigens maar ten
dele gaan. Een boek en een artikel hebben een omgeving nodig, een auteur heeft
een stabiele discussieomgeving nodig wil hij kwaliteit produceren. Dat betekent
dat er hoog gekwalificeerde redacties en uitgevers nodig zijn, mensen die
inhoudelijk weten waarom het draait. Die in staat zijn concepten te ontwikkelen
en een voor de auteur goede werkomgeving weten te creëren.
Het is precies dat, waarop de uitgevers keer op keer hebben bezuinigd. Die
ontwikkeling zal in de nieuwe omgeving van productie, verspreiding en verkoop
moeten worden gekeerd, wil het boek, het tijdschrift, nog de moeite van het
lezen waard blijven. Kortom, er is een hoop werk aan de winkel voor de mensen
die bezig zijn met ICT en boeken en tijdschriften. Het is niet alleen kwestie
van nieuwe technologie en marketing, maar evenzeer een kwestie van inhoud
ofwel content, zoals ze dat in die kringen noemen.
Pim Fortuyn
Rotterdam4 mei 2000
Het was even groot nieuws, maar inmiddels al weer van het tv-scherm verdwenen.
Het I love you virus dat als een verwoestende orkaan met de snelheid van het
licht over de wereld ging.
Inmiddels zijn er, net als bij een echt virus, een hele reeks varianten en
klonen verspreid die zo mogelijk nog meer schade aanrichten. Opmerkelijk is
wel dat die verwoestende werking alleen opgaat als mensen zo nieuwsgierig
en onvoorzichtig zijn om het bijgevoegde bestand te openen.
Nieuwsgierige en onvoorzichtige mensen zitten kennelijk niet alleen op de
particuliere markt, maar ook in tal van bedrijven en vitale overheidsinstellingen
tot en met Pentagon, FBI en CIA aan toe. Met name bij deze laatste drie instellingen
wekt dat verbazing. Het is tenslotte niet de eerste keer dat een grappenmaker
inbreekt via internet in de systemen van aangeslotenen.
Je zou verwachten dat deze instellingen procedures voor hun medewerkers hebben
ontwikkeld over wat te doen met email waarvan de herkomst twijfelachtig is.
Nee dus, zoals kennelijk de systemen van deze organisaties niet in mootjes
zijn gehakt om olievlekwerking te voorkomen. Kennelijk is men zich onvoldoende
bewust van de grote gevaren die men loopt met software waar buitenstaanders,
naar nu weer eens blijkt, betrekkelijk makkelijk in kunnen binnendringen.
Als men geen afdoende maatregelen neemt is het nog slechts een kwestie van
tijd of een terroristische, godsdienstig en/of politiek geïnspireerde actie
volgt en dan gaan niet alleen systemen plat, maar vallen er ook doden. Het
is helemaal niet hysterisch om te denken dat daar op dit moment groepen mensen
mee bezig zijn, en je hoeft ze niet eens op het idee te brengen, het succes
van I love you zet ze er simpelweg toe aan.
Als je het goed tot je laat doordringen is het allemaal nogal huiveringwekkend.
De meeste wapenbesturingssystemen, vliegtuigbesturingssystemen en, zoals bleek
ten tijde van de oorlogen in de Golf en Kosovo, de aansturing van complete
oorlogen verlopen via computers en algemene software.
En dan hebben we het nog slechts over de militaire sector, ook de civiele
sector kent tal van systemen die bij ontsporing levensgevaarlijk zijn, zoals
(kern)energie en telecommunicatie, en wat te denken van chemische fabrieken,
grote raffinagecomplexen en wat dies meer zij.
Zijn we ons van deze tijdbom bewust dan is de laconieke houding van de pers
onbegrijpelijk. Het is nieuws en niet meer dan dat; op naar de volgende hype.
Ook de houding van softwarefabrikant Microsoft toont een misdadig gebrek aan
verantwoordelijkheidsgevoel. Men volstaat daar met het afwijzen van iedere
verantwoordelijkheid en schuwt totaal manke vergelijkingen niet.
Het zou hetzelfde zijn als de PTT verantwoordelijk stellen voor het bezorgen
van een bombrief en de wegenbeheerder voor ongelukken op zijn wegen. Het grote
verschil met de PTT en de wegenbeheerder zit hem erin dat die geen invloed
hebben op de inhoud van de enveloppe en op de reacties van de autobestuurders.
En dan nog aanvaarden ze een zekere verantwoordelijkheid door post te scannen
en door wegen steeds beter te bouwen en te anticiperen op mogelijke reacties
van de weggebruiker.
De softwarefabrikant levert echter niet alleen infrastructuur, maar maakt
hetgeen van die infrastructuur manipuleerbaar van buitenaf en dat gaat dus
wel degelijk een stap verder. Natuurlijk is Microsoft daar niet op uit, dat
zou er nog bij moeten komen, maar men is van die mogelijkheid wel terdege
op de hoogte en doet er te weinig aan om die mogelijkheid zo goed als uit
te sluiten. Het is allemaal reparatie achteraf.
Men kan een virusscanner kopen of downloaden tegen bekende virussen en dat
helpt ook, maar natuurlijk niet tegen nieuwe bedenksels, want die herkent
de scanner niet. Hier ziet men ook wat de verwoestende uitwerking is van een
feitelijk monopolie. Monopolist Microsoft wijst gewoon elke verantwoordelijkheid
af en de wereld zoekt het maar uit!
Het is meer dan waarschijnlijk dat tegen de introductie van steeds weer nieuwe
virussen niet zo veel valt te doen. Waar wel wat aan te doen valt is aan de
scheiding van systemen. Alles aan alles koppelen is weliswaar handig, maar
levert naar nu blijkt levensgevaarlijke situaties op. Het wordt de hoogste
tijd dat de vertegenwoordigers van het algemeen belang dit ten diepste beseffen
en dwingend wetgevend gaan optreden.
Hier heeft de markt even geen oplossing voor, die komt pas nadat de eerste
doden zijn gevallen.
Pim Fortuyn
Rotterdam 11 mei 2000
Verbijsterd zijn wij over de ramp in Enschede. In het meest aangeharkte land
ter wereld, waar men voor de meest pietluttige zaken vergunningen nodig heeft,
kan dit gebeuren. Een opslagplaats van zwaar vuurwerk midden in een woonwijk.
Natuurlijk in een achterstandswijk en niet in een middenstands- of villawijk.
Heel jammer, want dan waren er nu natuurlijk al een aantal dure advocaten
in de weer om de onderste steen boven te halen en de overheid in de beklaagdenbank
te plaatsen, om af te dwingen dat alle materiële maar ook immateriële schade
tot twee cijfers achter de komma door die overheid wordt vergoed. De bewoners
van de getroffen achterstandswijk moeten genoegen nemen met gewiekste verzekeraars,
een lening van de kredietbank en slechte vervangende woonruimte.
Uiteraard komt er een onafhankelijk onderzoek naar de oorzaak van de ramp,
het optreden van de autoriteiten en het naleven van vergunningen. Ook het
Openbaar Ministerie bemoeit zich ermee en zal onderzoeken of er sprake is
van een misdrijf. Tenslotte heeft Minister Pronk, nadat het kalf verdronken
is, aangekondigd dat soortgelijke opslagplaatsen in woonwijken op termijn
moeten verdwijnen.
De echte oorzaak van deze ramp ligt elders. Die ligt bij het volledig zoekraken
van het gezond verstand in de volkomen verbureaucratiseerde structuur van
het openbaar bestuur en de overheidsdienstverlening. Zoveel is nu al duidelijk:
de leiding van het brandweercorps, althans hun bureaucraten, waren wel degelijk
op de hoogte van het feit dat hier een grootschalige opslagplaats was van
zwaar vuurwerk.
Die leiding heeft niet alleen nimmer geprotesteerd tegen die opslag, maar
bovendien verzuimd haar uitvoerend personeel en de bewoners ervan op de hoogte
te stellen. Zo kon het gebeuren dat de brandweer uitrukte en de spuitgasten
konden denken met een niet bijzonder brandje van doen te hebben. Zij namen
dan ook geen maatregelen voor hun eigen veiligheid, die van de buurtbewoners
en sensatiebeluste toeschouwers. Gevolg: ontelbare gewonden, en tegen de twintig
doden, waaronder vier brandweerlieden.
Voor de dood van die vuurbestrijders draagt onze verbureaucratiseerde brandweerleiding
de directe verantwoordelijkheid. Een misdadig verzuim kan men dit noemen,
maar ze zullen het wel niet hebben geweten. Voor de opstelling van het beleid
in dit soort zaken en de controle daarop zijn -in meer of mindere mate- niet
minder dan tien overheidsinstanties verantwoordelijk. Zo'n acht departementale
diensten, het provinciebestuur en het gemeentebestuur en de daaraan gelieerde
ambtelijke bureaucratische diensten. De uitslag van het onderzoek is nu al
te voorspellen.
Eenieder heeft een stukje van de verantwoordelijkheid en heeft in het beste
geval zijn deel van de procedure naar de regel afgehandeld. Niemand heeft
de eindverantwoordelijkheid, dus is ook niemand aan te spreken, en behoudens
die van de brandweercommandant zullen er vast geen koppen rollen. De burgemeester
kan tegen de Duitse pers zeggen "Ich habe es nicht gewusst ", zonder
dat hij aan de schandpaal wordt genageld.
Integendeel, in de kranten verschijnen berichten dat hij een topper is in
het openbaar bestuur van ons land. Bovendien weet hij snel een brief op tafel
te leggen, waaruit blijkt dat de provincie het gevaar voor grootschalige calamiteiten
vanwege deze opslagplaats op nihiel heeft geschat. Dat is een aardige opsteker
voor de burgemeester; zijn stoep is in eerste aanleg hiermee schoon. En zo
zullen al die autoriteiten en autoriteitjes hun verschoningen binnenkort bij
de hand hebben.
Het verontrustende van dit alles is dat door deze wijze van besturen ons land
geen eindverantwoordelijken kent en dat gezond verstand stelselmatig wordt
uitgeschakeld. Gebruik je als bestuurder je gezonde verstand dan geef je zo'n
vergunning niet af ook al wordt aan alle regeltjes voldaan en zoek je voor
zo'n bedrijf een veiliger plek. Kun je er tijdelijk niet onderuit dan draag
je zorg voor een goede informatie aan de betreffende buurt.
Nu wist niemand iets en kon ook niemand maatregelen treffen om dit grote leed
enigszins te verzachten. De spuitgasten wisten niets en de buurt wist niets
en niemand is voor deze onwetendheid formeel verantwoordelijk. Daarover zal
premier Kok het in zijn herdenkingstoespraak wel niet hebben. De enige autoriteit
die deze zeer voor de hand liggende vraag wel indringend opriep was onze ontstelde
Majesteit en wel op de plaats van de ramp oog in oog met de slachtoffers van
dit leed.
Pim Fortuyn
Rotterdam 18 mei 2000
We zijn nu bijna veertien dagen verder en is nog geen autoriteit in Enschede
die zich aangemeld heeft om de verantwoordelijkheid voor de vuurwerkramp aldaar
geheel of ten dele te aanvaarden. Het aanvaarden van verantwoordelijkheid
getuigt van bestuurlijke moed en zegt nog niets over toerekenbare schuld,
laat staan van persoonlijke schuld in deze.
Het inmiddels gestarte onderzoek zal met name op dit laatste licht werpen,
maar dat duurt aard nog wel even. Het aanvaarden van verantwoordelijkheid
kan gebeuren zonder zo?n diepgaand onderzoek. Betrokkenen weten dat zelf en
konden dat direct na de ramp reeds voor zichzelf vaststellen. Twee in aanmerking
komende autoriteiten springen daarbij direct in het oog: de burgemeester en
de brandweercommandant.
Los van de vraag hoe het mogelijk is dat een dergelijk bedrijf zich, met de
benodigde vergunningen, in een woonwijk heeft mogen ontwikkelen, is het de
bizarre onwetendheid van uitvoerend brandweerpersoneel en buurtbewoners die
in het oog springt. Waren zij wel van de gevaarlijke situatie op de hoogte
geweest dan waren brandweerlieden en buurtbewoners in ieder geval in staat
geweest voorzorgsmaatregelen te treffen.
De spuitgasten waren niet zo maar begonnen met spuiten maar met het manen
van buurtbewoners om zich zo snel mogelijk uit de voeten te maken, zoals wetende
buurtbewoners dat naar alle waarschijnlijkheid ook uit zichzelf hadden geprobeerd.
Een dergelijk optreden had de kans in zich, het aantal te betreuren doden
en zwaar gewonden aanzienlijk te verminderen. En ook al was dit niet gelukt
dan nog was er de troost van iets geprobeerd te hebben.
Nu is het brandweer en bewoners overkomen als ware het een niet voorspelbare
natuurramp. Voor deze onwetendheid van brandweer en bewoners zijn er twee
die de eerste verantwoordelijkheid dragen. De burgemeester zowel ten aanzien
van bewoners, als in afgeleide zin voor de brandweer. De burgemeester heeft
het handhaven van openbare orde en veiligheid onvervreemdbaar in zijn takenpakket
zitten.
Het optreden van de burgemeester na de ramp wordt tot mijn verbazing alom
geprezen. Eerlijk gezegd vind ik daarin aspecten zitten die ik niet anders
dan als weerzinwekkend kan betitelen. Uit niets blijkt dat deze man zichzelf
met de vraag confronteert, wat had ik kunnen doen om deze ramp te voorkomen
en wat had ik moeten doen opdat bewoners en brandweerlieden tenminste op de
hoogte waren van deze gevaarlijke situatie?
Een normaal mens zou wroeging voelen, er gekweld uitzien en er slapeloze nachten
van hebben. Zo niet burgemeester Mans, hij zegt zelfs een grote voldoening
te hebben gevoeld over het werk dat hij de afgelopen weken voor zijn gemeente
heeft kunnen verzetten. Natuurlijk laat hij daar onmiddellijk politiek correct
op volgen dat men niet moet denken dat het verdriet van de slachtoffers langs
hem heen gaat. En zo is het maar net, de burgemeester glorieert in zijn rol
naar zijn burgers toe en niet te vergeten in de media.
Voor Mans is het leven momenteel zeer enerverend en de moeite waard, en voor
een vervolg van zijn carrière zeer behulpzaam. Geen gekwelde magistraat die
een toontje lager zingt bij al die herdenkingen, de hand in eigen boezem steekt
en woorden van schaamte en diepe spijt uit. Mans is gewoon een lafaard, die
de vraag van de verantwoordelijkheid graag buiten bespreking laat.
Is het in dit IT-tijdperk, waarin Jan en alleman op internet surft en de routeplanner
in de auto standaard aan het worden is, te veel gevraagd een display te installeren
in iedere brandweerauto, waarop spuitgasten onmiddellijk konden zien wat de
gevaren zijn op de plek van de brand en welke (voorzorgs)maatregelen in acht
genomen dienen te worden? Ja dus en daar dien je je als commandant voor verantwoordelijk
te voelen!
En dan Kok en zijn kabinet. Niks installatie van een taskforce die onmiddellijk
in beeld brengt of er nog plaatsen in Nederland zijn waar soortgelijke situaties
zich voordoen om subiet maatregelen te kunnen nemen om daar met ingang van
heden een einde aan te maken. Kok wacht liever het onderzoek af en laat de
afwikkeling volgaarne over aan de plaatselijke activiteiten. Het poldermodel
op zijn smalst en gevaarlijkst. Met regeren heeft het al helemaal niets van
doen, tenminste als dat ook vooruitzien behelst.
Je vraagt je af wanneer de slachtoffers eens een keer echt heel kwaad worden
op hun bestuurlijke elite die deze wanprestatie heeft neergezet!
Pim Fortuyn
Rotterdam 25 mei 2000
Ik zou willen dat ik de Nederlandse politie en justitie capabele en effectieve
organisaties zou kunnen vinden. Helaas is dat niet het geval. Het oplossingspercentage
van misdrijven is bedroevend laag, helemaal als het gaat om moord en doodslag
en zogenoemde afrekeningen in het criminele circuit. De politie heeft veel
te weinig kennis van deze criminele organisaties en ik vermoed dat betrokken
politiefunctionarissen maar al te dikwijls denken, opgeruimd staat netjes.
Waar de politie wel erg goed in is, zijn de verkeerscontroles. Met behulp
van moderne apparatuur wordt op steeds meer plaatsen de snelheid gecontroleerd
en rolt de boete bij de geringste overtreding volautomatisch op de mat.
In de strijd tegen de misdaad is zo langzamerhand niets meer te gek. De nieuwste
loot aan deze stam is het inzetten van DNA-technologie. Op het eerste gezicht
een mooi instrument. De foutenmarge is vrijwel nihil, het DNA van een mens
is uniek. De DNA-technologie wordt ook steeds verfijnder, het is nu al mogelijk
om met heel weinig materiaal het DNA-profiel van iemand volledig vast te stellen.
Ongekende mogelijkheden dus in de strijd tegen de misdaad, daar er vrijwel
altijd enig DNA-materiaal achterblijft op de plaats van het misdrijf of op
de persoon tegen wie het misdrijf is begaan. Dat wil overigens niet zeggen
dat onze koene speurders geen DNA-materiaal over het hoofd zien en daar begint
precies het probleem.
Criminelen lezen ook de krant of komen gewoon zelf op het idee om DNA-materiaal
van een onschuldig persoon op de plek van het misdrijf na te laten. Dat kan
een haar zijn of gewoon een weggegooid zakdoekje. DNA-materiaal van u en ik
dus. Wordt uw materiaal op de plek van het misdrijf aangetroffen, dan bent
u dus onmiddellijk verdachte en kunt u zich wijden aan de schone taak uw onschuld
te bewijzen en dat is dikwijls moeilijker dan u denkt.
In mijn directe omgeving heb ik een dergelijke kafkaëske situatie van zeer
nabij mogen meemaken en als ik er aan denk draait mijn maag zich nog om. Het
maatschappelijk leven van betrokkene is totaal verwoest en het is zijn ongekende
veerkracht die hem in staat stelt de draad van het leven opnieuw op te pakken.
En dat terwijl wij overtuigd zijn van zijn onschuld in deze. Probleem was
echter dat hij voor de rechter het overtuigend bewijs van zijn niet-weten
niet kon leveren.
In het gerechtelijk vonnis kwam de twijfel daarover wel zeker tot uitdrukking,
de straf was gezien de beschuldigingen van het OM buitengewoon licht. Dat
neemt niet weg dat de veroordeling op zich voldoende was om hem via civiele
procedures totaal uit te kleden. Immers, een veroordeling betekent een schuldigverklaring
door de bevoegde rechter.
Zelfs op een WAO-uitkering, veroorzaakt door maandenlange hechtenis, kon hij
bij zijn verzekeraar geen aanspraak maken. Het was immers zijn eigen schuld
dat hij in de WAO terecht was gekomen, daar er een direct verband was tussen
ziekte en hechtenis. Zijn bedrijf was hij al kwijt, want dat was een business
die draait op vertrouwen en onkreukbaarheid.
Wat mij het meest is bijgebleven van dit drama, is dat het adagium van ons
strafrecht dat de schuld door het OM moet worden bewezen, helemaal niet opgaat.
Politie en justitie hadden een theorie en zochten daar de hun welgevallige
feiten bij. Aan de verdachte de taak om dat te ontzenuwen. En ga er maar aan
staan te bewijzen dat je drie maanden geleden niet met door justitie aangemerkte
personen op die en die plaats was. Je moet dan aantonen op een andere plaats
geweest te zijn, in het bijzijn van voor justitie betrouwbare getuigen. En
wat nu als je gewoon een avondje thuis was, in je eentje met een borrel bij
de openhaard?
Justitie en politie zijn er natuurlijk niet voor om het verhaal van verdachte
voor zoete koek te slikken. Wat een deskundige politie en justitie echter
wel doen is de mogelijkheid open houden dat men de verkeerde persoon brandmerkt
als verdachte. Dat nu is bij deze instellingen totaal verdwenen. Als zij een
spoor menen te hebben, bouwen ze er een theorie omheen over hoe het gegaan
is, zoeken daarbij de feiten en dan is het bewijs rond, tenzij verdachte de
onzinnigheid daarvan ondubbelzinnig kan aantonen.
Deze werkwijze wordt nog versterkt door het lage oplossingspercentage van
politie en justitie. Er is een ongekende drang tot presteren. Aan deze onbekwame
apparaten wordt nu stapje voor stapje de DNA-technologie ten behoeve van opsporing
en berechting toevertrouwd. Het is nog maar een stap totdat er een DNA-bank
is van de gehele bevolking, die komt er zeker voor medische behandelingen.
En ja dan krijgt Justitie daar natuurlijk onder zogenoemde 'strikte voorwaarden'
ook toegang toe. Big Brother komt er aan.
Welterusten, zou ik willen zeggen!
Pim Fortuyn
Rotterdam 1 juni 2000
De rechter in de VS heeft gesproken. Microsoft moet worden opgesplitst in
twee bedrijven, te weten: een bedrijf voor besturingssystemen (thans Windows)
en een bedrijf voor toepassingen (bijvoorbeeld Office, Explorer en Websites).
De rechter komt tot deze conclusie op basis van het cowboygedrag van het grootste
software bedrijf ter wereld. Hij acht bewezen dat Microsoft zich schuldig
heeft gemaakt aan intimidatie en tal van andere praktijken om de concurrentie
uit te schakelen, goedschiks dan wel kwaadschiks. De bewoordingen waarin het
vonnis is gesteld zijn buitengewoon scherp. De rechter schildert het bedrijf
af als een onbetrouwbaar bedrijf dat bovendien weigert in te zien en te erkennen
dat het de wet stelselmatig heeft overtreden.
Zo die zit.
Wie nu van de leiding van Microsoft verwacht dat het een mea culpa uitspreekt
en zich schikt naar het vonnis komt bedrogen uit. De nieuwe topman, Steve
Ballmer, laat zich buitengewoon laatdunkend uit over dit gerechtelijke vonnis,
kondigt hoger beroep aan en beweert bij hoog en bij laag dat het bedrijf niets
valt te verwijten.
Integendeel, de concurrentie zou moordend zijn en het bedrijf heeft zijn dominante
positie slechts te danken aan de fantastische producten die het produceert.
Nog steeds denkt het bedrijf dat de aanval de beste verdediging is en in dat
opzicht heeft het bedrijf niets geleerd van de harde aanpak door de Amerikaanse
autoriteiten.
Het bewijsmateriaal voor deze harde aanpak is intussen overweldigend en wat
belangrijker is, iedere gebruiker van de producten van Microsoft kan vaststellen
dat er aan die producten het nodige mankeert, zoals ook iedere gebruiker kan
vaststellen dat hij met handen en voeten aan Microsoft is gebonden. Er zijn
gewoon weinig tot geen alternatieven.
De opdracht van de rechter om het bedrijf te splitsen in een bedrijf voor
besturingssystemen en een voor toepassingen is buitengewoon verstandig. Dit
maakt de weg vrij voor nieuwe toetreders op beide markten en dwingt Microsoft
zowel zijn besturingssystemen als zijn toepassingen zodanig te ontwerpen dat
ook producten van concurrenten te gebruiken zijn.
De gebruiker heeft hier alleen maar baat bij. Hij kan niet alleen kiezen,
maar de concurrentie op beide markten zal er ook toe leiden dat meer met zijn
wensen rekening zal worden gehouden. Kortom er zullen meer producten op de
markt komen, meer modificaties, waardoor de gebruiker de voor hem beste oplossing
kan kiezen.
Dit op zijn beurt geeft de markt en de techneuten een nieuwe impuls. Er komen
niet alleen meer producten en meer variëteiten, maar er wordt ook meer uitgevonden
en ontwikkeld en dat is alleen maar goed. Niet alleen voor de gebruiker van
al dit moois maar ook voor de branche als geheel. De dominante vaak monopolistische
positie van Microsoft heeft nieuwe ontwikkelingen al te lang in de weg gestaan.
Nu de kussens stevig zijn opgeschud kan een nieuwe ronde van productontwikkeling
in een hoog tempo beginnen.
Onbegrijpelijk is het intussen dat Ballmer het hier op heeft laten aankomen.
Veel van de energie van tenminste de leiding van het bedrijf is verspild aan
dit achterhoedegevecht. Energie die niet werd besteed aan nieuwe producten.
De schade is inmiddels aanzienlijk. De reputatie van het bedrijf is flink
te kijk gezet en het hoeft nu niet meer te proberen ook maar de schijn op
zich te laden van het uitoefenen van ongeoorloofde druk op afnemers en concurrenten.
Slimmer ware het geweest de zaak te schikken en zijn verlies te nemen of op
zijn Hollands: als je geknipt en geschoren wordt moet je stilzitten!
Het breken van het monopolie van Microsoft zal uiteindelijk niet komen van
de rechter, maar van de markt. En wie weet zit er ergens al een nieuwe Bill
Gates in een garage te sleutelen om Microsoft net zo'n dreun te bezorgen als
indertijd Microsoft gaf aan IBM. Gewoon door een concept met bijbehorende
technologie te ontwikkelen dat veel beter werkt en geheel en al om de technologie
van Microsoft heen surft. Dan komen de klanten vanzelf en heeft Microsoft
voor enige tijd het nakijken.
Ik kan het moment nauwelijks afwachten!
Pim Fortuyn
Rotterdam 8 juni 2000
Suriname wordt nu echt een gebed zonder end. De bevolking is ruim een jaar
geleden massaal de straat op gegaan om een einde te maken aan het incompetente,
corrupte en autoritaire bewind van president Wijdenbosch. Het gevolg was niet
de afzetting van de president, ook niet na een motie van wantrouwen in het
parlement, maar vervroegde verkiezingen. Nieuw Front, een verzameling van
oude en nieuwe partijtjes die zich verzetten tegen Wijdenbosch, heeft overtuigend
gewonnen.
Overigens hetzelfde Nieuw front dat het niet eens kon worden over een opvolger
voor Wijdenbosch, waardoor deze laatste ook na de aanname van de motie wantrouwen
nog vrolijk een jaar kon blijven zitten als president Na de verkiezingen begon
de achterkamertjespolitiek van Nieuw Front en dat heeft geen nieuwe gezichten
opgeleverd, maar de oude bekende, incompetente gezichten. De mislukte voormalige
president Venetiaan wordt opnieuw president van Suriname en de even incompetente
Lachmon, inmiddels 83 jaar (sic!), voor de zoveelste keer voorzitter van het
parlement.
Arm volk van Suriname!
De kiezer heeft onweerlegbaar duidelijk gemaakt de bezem te willen halen door
de varkensstal van economie, rechtsstaat en openbaar bestuur en de politiek
trakteert hen op meer van hetzelfde. Slechter dan onder Wijdenbosch is nauwelijks
denkbaar, maar om van deze oude gezichten de noodzakelijke herstructurering
en vernieuwing te verwachten gaat vele, zelfs Surinaamse, bruggen te ver.
Onder het koloniale bewind heeft Suriname zich ontwikkeld, goedschiks en kwaadschiks,
tot een multi etnische samenleving, waarin etniciteit weliswaar een belangrijke
rol speelde maar waarin dat met name in het openbaar bestuur en de politiek
ten dele ook werd ontstegen. Het militaire bewind van Bouterse en alles wat
daarna gekomen is heeft het land terug geworpen in een bijna niet te ontwarren
kluwen van etnische en economische belangenbehartigers.
Het algemeen belang bestaat in Suriname sedert de onafhankelijkheid in 1976
gewoon niet meer, noch in de politiek, noch in het openbaar bestuur en ook
niet in de rechtstaat. Het land is vergeven van het cliëntelisme, geen terrein
van het leven is daardoor niet gecorrumpeerd. Economie, samenleving, politiek,
openbaar bestuur en rechtstaat zijn door en door corrupt.
Zoals Bouterse en Wijdenbosch het beeldmerk zijn van het nieuwe cliëntelisme
van een klasse van nieuwe corrupte rijken zo zijn Venetiaan en Lachmon het
beeldmerk van het oude even corrupte etnisch- economische cliëntelisme. Het
land schiet dus met de benoeming van deze personen weinig op, de elite van
het nieuwe cliëntelisme wordt in het politieke bestuur voor de tweede keer
vervangen door de elite van het oude cliëntelisme. Het lijkt mij als bewoner
van dat land iets om gek en gedeprimeerd van te worden.
Intussen kan Nederland het zich niet permitteren om te doen alsof het hier
gaat om een willekeurig buitenland. Meer dan de helft van de Surinamers woont
inmiddels in ons land, waaronder vrijwel de gehele intelligentsia en een heel
groot deel van de middenklasse. Deze uittocht van talent, zo bitter hard nodig
in Suriname zelf, gaat nog steeds door en strekt zich nu ook al uit tot de
goed opgeleide verpleegkundigen en werkers in de zorgsector waaraan in Nederland
een groot tekort bestaat.
De voormalige kolonialen hebben onbedoeld en ongewild de voormalige kolonie
letterlijk onthoofd. Het wordt nooit meer wat met Suriname als een deel van
de Surinaamse intelligentsia en middenklasse die nu in ons land woont zich
niet kan en wil inspannen voor de vernieuwing en herstructurering van zijn
vaderland.
Voor zover ik dat kan bezien zijn velen van hen daartoe nog wel bereid, maar
zien zij daartoe op korte termijn geen mogelijkheden. Vernederlandst als zij
inmiddels zijn, hebben zij er geen behoefte aan om zich in dit corrupte wespennest
te begeven en zien zij geen mogelijkheden om daaraan een einde te maken. Zij
beperken zich tot zo nu en dan een vakantie in het moederland en tot de materiele
ondersteuning van de achtergebleven verwanten. Zonder hun steun zouden velen
daar nu honger leiden en helemaal niet meer weten hoe de eindjes aan elkaar
te knopen.
De Nederlandse politiek staat nu voor een onmogelijk dilemma. Men kan de ontwikkelingshulp
weer op gang brengen in de wetenschap dat daarvan veel verdwijnt in de zakken
van deze corrupte cliëntelistische elite, of men kijkt de kat uit de boom
in de wetenschap dat een groot deel van de bevolking het water tot aan de
lippen staat.
Het zal dus pappen en nathouden worden. Geld geven onder voorwaarden, in de
hoop dat niet al te veel daarvan verdwijnt in de zakken van de rijken. Die
paar bruggen bijvoorbeeld maar betalen, opdat de regering van Suriname in
de gelegenheid is enige orde op zaken te stellen aangaande 's lands financiën.
En dan te bedenken dat Suriname op het moment van de onafhankelijkheid beschikte
over een goed openbaar bestuur, een degelijke rechtssysteem, een florerende
economie en een welvarende en deels uitstekend opgeleide bevolking. Het land
had nooit onafhankelijk moeten worden kunnen we achteraf concluderen. Gedane
zaken nemen zelden een keer, het wachten is op betere tijden of terugkeer
in de schoot van Nederland.
Pim Fortuyn
Rotterdam 15 juni 2000
De dood van 58 Chinezen, 54 jonge mannen en 4 jonge vrouwen, heeft de meeste
van ons diep geschokt. Op een onbenullige manier zijn zij om het leven gekomen.
Gestikt in een vrachtwagen, omdat de koeling het niet deed. Geen mogelijkheid
om eruit te komen en niemand heeft hun gebonk op de deuren gehoord. Het moet
een klein inferno geweest zijn daarbinnen, te midden van een vracht tomaten
- sic!
De Europese politiek stond onmiddellijk klaar met verklaringen van afschuw
en het vertoon van daadkracht, onze minister-president Wim Kok (PvdA) voorop.
Een zielige vertoning daar op die Europese top van regeringsleiders. Een verklaring
van schaamte was meer op zijn plaats geweest en minder hypocriet.
Op Europees niveau is deze handel in mensen niet alleen bekend, men kent globaal
de omvang daarvan en de routes waarlangs de handel plaatsvindt. De röntgentechniek
maakt het mogelijk iedere vrachtauto en container te scannen op de inhoud.
Dat gebeurt slechts steekproefsgewijs. Waarom eigenlijk?
Technisch is het geen enkel probleem om al die vrachtauto's en containers
door een röntgenpoort te halen en daar is het menselijk oog niet bij nodig.
Is er iets verdacht, dan geeft de computer dat aan en kan men de betreffende
lading aan een nadere inspectie onderwerpen. Oponthoud hoeft dit nauwelijks
te geven, het kost natuurlijk wel een paar centen om in de noodzakelijke apparatuur
te investeren.
Hier ligt ook het hart van de problematiek. Heeft men er geld voor over om
deze verschrikkelijke mensenhandel tegen te gaan? Het antwoord daarop is even
eenvoudig als afschuwwekkend: nee dus!
Deskundigen beweren dat de slachtoffers ongeveer vijftigduizend gulden hebben
moeten betalen voor deze reis naar hun einde. Een heel bedrag, velen van ons
in het rijke westen zouden moeite hebben om dat bij elkaar te sprokkelen.
Wat te denken van deze Chinezen uit een derde wereld land? De hele familie
moet hutje bij mutje hebben gelegd om dit voor hun jonge mensen te kunnen
opbrengen. Een investering in de toekomst van hun jonge mensen, waarvan ze
wellicht in de nog wat verdere toekomst iets zouden hebben teruggezien. Die
families zij nu niet alleen hun kapitaal kwijt, maar ook hun kinderen. Dat
is het drama als je probeert achter dit nieuwsfeitte kijken.
De uitvoering van het reisje blijkt in handen te zijn geweest van een paar
jonge Hollandse schlemielen, knullen die het tot nu toe ook al niet meezat
in het leven. Waarschijnlijk in de macht van Chinese gokbazen in Nederland,
die wel een manier wisten om hun gokschulden af te lossen.
Een verhaal van losers op en top. De echte daders, de leiders van dit soort
maffiapraktijken, bevinden zich achter de schermen, in Nederland en in China
en zullen nooit worden opgepakt en zich nimmer hoeven te verantwoorden. Dat
weet ook Wim Kok!
Nederland noch de EU is competent gebleken om deze heren aan te pakken. We
hebben er de deskundigheid niet voor en zetten er de middelen niet voor in.
Onze regeringsdelegaties reppen er bij hun bezoeken aan China niet over, daar
gaat het in abstracte bewoordingen over mensenrechten en ja natuurlijk over
handel en geld verdienen.
Heel concreet over samenwerking tussen de Chinese en de Europese politieautoriteiten
om dit probleem aan te pakken, praten ze nooit. Nu is dat moeilijk genoeg
omdat een groot en relatief arm land als China met zijn autoritair geleide
staat daar niet zo veel belang bij heeft. Toch is het het proberen waard.
Het is voor de Chinese autoriteiten een stuk moeilijker om deze noodzakelijke
samenwerking af te wijzen, dan te zeggen dat de Europeanen zich niet moeten
bemoeien met binnenlandse aangelegenheden inzake democratie en vrijheid van
meningsuiting.
Ook de Chinese logica weet hiervoor geen afdoende oplossing te vinden. Naar
zijn aard is de mensenhandel geen binnenlandse aangelegenheid en moreel kunnen
ze het niet maken om de bestrijding daarvan doormiddel van goede samenwerking
af te wijzen. Van Wim Kok c.s. hadden we iets dergelijks willen horen, in
plaats van de obligate verontwaardiging en dit krachteloze vertoon van daadkracht!
Pim Fortuyn
Rotterdam 23 juni 2000
Justitie heeft met behulp van de nieuwste DNA-technieken tenminste twee oude
moorden opgelost. Niet alleen hulde daarvoor, maar het is voor de nabestaanden
ook enigszins een troost. Ze weten nu dat de dader wordt gestraft. Nieuwste
loot aan de stam van opsporingstechnieken is nu het daderprofiel. Een methode
die wordt toegepast bij het opsporen van de dader van de moord op Marian Vaatstra
in Kollum.
Ook hierbij zijn de modernste DNA-technieken toegepast, aangevuld met bevindingen
van gedragsdeskundigen.
De kleine dorpsgemeenschap staat nu al meer dan een jaar op zijn kop door
deze moord. Met name de nabijheid van een asielzoekerscentrum heeft de gemoederen
aldaar zeer verhit, niet in de laatste plaats omdat Justitie en politiek,
vanwege het politiek correcte denken, aanvankelijk dat centrum niet in hun
onderzoek naar de moord wilden betrekken.
Dat laatste wakkerde sluimerende gevoelens van onlust en angst aan en heeft
inmiddels een tweetal veroordelingen opgeleverd wegens discriminatie. Iets
dat heel goed had kunnen worden voorkomen door zo'n kapitale blunder niet
te begaan. Vrouwe Justitia wordt niet voor niets afgebeeld met een blinddoek
voor de ogen. Justitie dient onbevoordeeld te zijn en op zijn minst kleurenblind!
De DNA-test heeft inmiddels uitgewezen dat de dader een persoon van het blanke
ras moet zijn. Ik hoop dat dit overtuigend en wetenschappelijk is vastgesteld.
Vervolgens hebben gedragsdeskundigen een daderprofiel opgesteld. Nu ben ik
zelf sociale wetenschapper en word ik dus geacht iets van menselijk gedrag
af te weten. Het enige dat ik daarover kan zeggen is dat de wetenschap in
deze in staat is waarschijnlijkheden te debiteren. Zekerheden heeft zij nauwelijks
te bieden.
Het opgestelde daderprofiel is enerzijds toegespitst, anderzijds nogal ruim.
Men meent te weten dat de dader in een straal van 15 kilometer (geen 40 maar
15, sic!) van de plaats van het delict woont, alleen woont of bij zijn ouders,
op het oog zich normaal gedraagt, maar sociaal gestoord is en dat hij wel
overwogen te werk is gegaan. Hij heeft zelfs de moord zorgvuldig voorbereid
door de gedragingen van Marian zorgvuldig te bestuderen. Ik acht het volstrekt
onmogelijk om op basis van het sporenonderzoek en de manier waarop Marian
om het leven is gebracht een dergelijk gedetailleerd daderprofiel op te stellen.
Natuurlijk moet Justitie wat, in dit afschuwelijke geval, en dus is het logisch
dat zij alle kennis en deskundigheid inschakelt inclusief die van gedragsdeskundigen
die de feiten interpreteren op basis van eerder opgedane kennis in soortgelijke
moorden. Dat kan Justitie en politie een handvat bieden in het gerichter zoeken
naar de dader. Zo een profiel dient naar mijn oordeel echter enkel en alleen
ter hand te worden gesteld aan de speurders in kwestie in de veronderstelling
dat zij de relativiteit daarvan kunnen beoordelen en daar een wijs gebruik
van zullen maken.
Dat is niet gebeurd. Het profiel is op grote schaal, ondermeer via TV, verspreid.
En zie, de politie heeft al meer dan honderd tips gekregen. Niet verwonderlijk
als men het profiel goed tot zich laat doordringen. Het is een typisch plattelandsprofiel
dat men ook tegen komt in de beste engelse speurdersfilms. Er schijnen op
het platteland nogal wat broeierige personen te wonen, ongehuwd met de meest
gruwelijke fantasieen. Het is niet voor niets dat onze gedragsdeskundigen
met name gebruik hebben gemaakt van de engelse expertise in deze. In dat land
mag al veel meer dan in ons land, daar dromen ze van een DNA databank van
de complete bevolking zodat Justitie alles in handen heeft om misdrijven op
te lossen en wel elk misdrijf. Zo ver is het in ons land gelukkig nog niet.
Wat mij bij dit alles het meest verontrust is dat er geen woord van protest
klinkt tegen dergelijke wijdmazige publieke methoden. Elke vrijgezel, zeker
als hij bij zijn ouders woont, in de omgeving van Kollum is nu een potentiële
verdachte van deze afschuwelijke moord. Je zal er maar wonen. Kleine gemeenschappen
die elkaar van haver tot gort menen te kennen.
Wat een leed wordt er berokkend aan betrekkelijk willekeurige mensen. Als
de moord niet wordt opgelost blijven zij in die gemeenschappen verdachten,
en dat wellicht levenslang. Wie zijn wij dat we hen dit mogen aandoen? Staat
hier het belang van het oplossen van de moord en het belang van de nabestaanden
nog wel in verhouding tot het brandmerken van een aantal mensen in Kollum
op basis van zo weinig zekerheid? Naar mijn oordeel is daar geen sprake van
en wordt het tijd dat Justitie in haar ijver wordt beteugeld !
Pim Fortuyn
Rotterdam 30 juni 2000
De buitenlandse politiek verkeert stevig in de greep van de zogenoemde ethische
politiek. In het kort gezegd komt dat erop neer dat de soevereiniteit van
staten indien nodig dient te wijken voor hoge beginselen van de mensenrechten.
Een staat die de mensenrechten stelselmatig en grondig schendt, heeft in deze
visie geen recht op soevereiniteit en verbeurt dit recht aan de internationale
gemeenschap die in dat geval desgewenst kan ingrijpen, desnoods militair.
Kosovo en Timor zijn daar de meest recente voorbeelden van.
Grote pleitbezorgers van deze politiek zijn de Britse premier Blair en de
Amerikaanse president Clinton. Dat de laatste zich tot deze buitenlandse politiek
heeft bekeerd, geeft uiteraard de doorslag. Hij is de president van de enige
mogendheid ter wereld in cultureel, economisch, sociaal maar bovenal militair
opzicht. Amerika's wil is wet in de wereld en aangezien de buitenlandse politiek
voornamelijk een kwestie van de president is, is het in dit geval dus Clintons
wil die wet is.
In dat opzicht is hij gewoon president van de wereld en dat zou ervoor pleiten
dat ook wij een stem op hem zouden mogen uitbrengen. Liever niet natuurlijk,
daar het grootste en meest volkrijke deel van de wereld niets van deze pax
Americana moet hebben en dat welhaast zeker de een of andere islamitische
fundamentalist als Amerikaanse president zou opleveren en daar moet ik natuurlijk
niet aan denken, brrr! Verre toekomstmuziek dus nog.
Aan die ethische politiek kleven intussen wel de nodige belangrijke bezwaren.
Ten eerste is die politiek nog werkelijk nooit ergens uitgebreid geformuleerd
en voorzien van parlementaire goedkeuring.
Ten tweede is zelfs geen poging ondernomen toetsingscriteria te ontwikkelen
waarmee zonder twijfel kan worden vast gesteld wanneer de internationale gemeenschap
gerechtigd is - maar ook verplicht is - om in te grijpen in aangelegenheden
van een soevereine staat.
Dat laatste zou al veel schelen en bovendien preventief kunnen werken. Een
regering weet dan vooraf dat wanneer zij zich op het gebied van de mensenrechten
in de gevarenzone bevindt, kan rekenen op ingrijpen van de internationale
gemeenschap.
Zoals gezegd is dit alles niet gebeurd en dat biedt volop ruimte voor willekeur.
Wel ingrijpen in Kosovo maar niet ingrijpen in bijvoorbeeld Tsjetsjenië of
Afghanistan of Iran en Irak bijvoorbeeld.
Het kabinet Kok (PvdA, VVD en D66) heeft zich zonder enige discussie van betekenis,
ook niet in dat zo langzamerhand overbodige parlement, bij deze politiek aangesloten
en loopt daarbij in de kwestie Oostenrijk zelfs voorop.
Premier Kok (PvdA) wil van geen wijken weten, terwijl vast staat dat dit land
geen enkel mensenrecht schendt of heeft geschonden, integendeel!
Het enige dat dit land heeft 'misdreven' is op volstrekt democratische manier
een regering samenstellen waarin ook de democratische partij van Haider een
rol speelt. Daarvoor mocht zelfs het EU verdrag van Amsterdam wijken en hoefde
er ook dit keer geen parlement aan te pas te komen, gewoon een gezellig telefonisch
onderonsje van 14 EU-regeringsleiders was genoeg om een heel land met zijn
bevolking in de ethische ban te doen.
Onze minister van Buitenlandse Zaken, Van Aartsen (VVD), moet van deze ethische
politiek terecht weinig hebben, maar is vooralsnog niet krachtig en moedig
genoeg om daarover een ruzie met de PvdA te willen riskeren, terwijl het die
ruzie alleszins waard zou zijn. Het volk van Nederland stemt ondertussen met
de voeten en gaat gewoon op wintersport en zomervakantie in dat vermaledijde
Oostenrijk van onder meer Jörg Haider.
Heel verstandig van dat Hollandse volk!
Dient er dan helemaal geen ethiek te zijn in de buitenlandse politiek?
Natuurlijk wel, maar dan wel op basis van heldere criteria waar over in de
parlementen stevig is gedebatteerd en nog steviger over nagedacht, en dan
nog met mate. Soevereiniteit staat voorop en pas in heel uitzonderlijke, goed
omschreven gevallen mag daarop inbreuk worden gemaakt.
Zo, daar kan die Wim Kok nog even een puntje aan zuigen!
Pim Fortuyn
Rotterdam 30 juli 2000
De rel rond de behandeling van de Italiaanse ambassadeur en een RAI TV-ploeg
tijdens de finale van het EK voetbal in Rotterdam begint de trekken aan te
nemen van een commedia dell'arte volgens de beste Italiaanse tradities. Daar
kunnen die boerse Hollanders nog eens wat van leren!
In het Europees Parlement werden we door de geachte Italiaanse afgevaardigden
vergeleken met de Hutu's en de Tutsi's. De Nederlandse afgevaardigden zaten
er sip bij. Een en ander werd geïllustreerd met schitterend gemonteerde TV
beelden waaruit de volstrekte onschuld van de TV-ploeg en het barbaarse karakter
van onze ordehandhavers moest blijken. De ministerpresidenten van beide landen
en de ministers van Buitenlandse Zaken komen eraan te pas. De betrekkingen
tussen beide landen zijn ernstig in gevaar!
De Italianen weten perfect hoe zij ruzie moeten maken met inzet van alle middelen,
waarbij de voortdurende aanval de beste verdediging is. De Nederlandse autoriteiten
verbouwereerd achter latend. En er zal heus wel iets gebeurd zijn. Daarnaast
blijkt dat de leiding van de ordetroepen niet tijdig heeft ingegrepen, ook
één van de hoge ambtenaren van onze ministerpresident heeft een paar uur vast
gezeten.
Wat ik het goede nieuws vind in deze affaire is dat de ordedienst zonder onderscheid
naar rang en stand heeft gewerkt. Instructies zijn instructies en daar heeft
zelfs de koningin zich aan te houden. Zo niet, dan volgen de afgesproken maatregelen,
heerlijk! Voelt die ambtenaar ook eens wat het is om opgepakt te worden volgens
de instructies die door zijn collega's zijn bedacht.
Het slechte nieuws is natuurlijk dat men kennelijk zo nerveus was dat het
gevoel van verhoudingen enigszins verloren ging en een betrekkelijk onschuldig
incident niet werd gesust, maar verder kon escaleren. Wim Kok heeft nog eens
olie op het vuur gegooid door niet onmiddellijk zijn excuses aan te bieden,
maar een diepgaand onderzoek af te wachten. Kok denkt dat het overal de polder
is. Die Italianen zijn helemaal niet geïnteresseerd in dit diepgaande onderzoek
van Kok maar willen genoegdoening.
Buitendien maakt hij het zich nu wel erg moeilijk. Uit dat onderzoek zullen
weinig vreselijkheden blijken en zal het wel zo zijn als overal: waar twee
kijven hebben twee schuld. Dat worden dus wel erg ingewikkelde excuses. Enerzijds
mogen die dan niet zo worden geformuleerd dat de Italianen zich voor de tweede
keer geschoffeerd voelen en dat risico loop je gemakkelijk bij dit heetgebakerde
volk, anderzijds kunnen onze koene ordehandhavers ook niet in hun hemd worden
gezet, want de strenge instructies zijn door Kok c.s. zelf bedacht. Kok had
zich deze ellende kunnen besparen door met veel omhaal van mooie woorden dit
incident met een van onze beste vrienden diep te betreuren, einde oefening
en voluit begrepen in Italië.
Enig leedvermaak heb ik wel. Ruim een half jaar geleden werd Oostenrijk mede
op initiatief van Kok volstrekt ten onrechte in de beklaagdenbank geplaatst.
Op voorhand werd het land beschuldigd van schending van Europese normen en
waarden, omdat dit land het op grond van voorbeeldig verlopende verkiezingen
waagde de partij van Jorg Haider in de regering op te nemen. Het onder leiding
van Kok zelf opgestelde verdrag van Amsterdam werd door deze actie naar de
letter en de geest met voeten getreden.
Daar komt nog bij dat Oostenrijk behoort tot de landen die de meeste asielzoekers
opneemt in de EU en hen royaal behandelt. De hele actie sloeg dus vooralsnog
nergens op. Het land weet zich nu de risee van Europa, zonder enige vorm van
proces, van hoor en wederhoor. Als het aan Kok ligt gaat de EU daar net zo
lang mee door totdat de partij van Haider uit de regering is verdwenen. Zeldzaam
grof en zeldzaam dictatoriaal! In dat licht bezien is het partijtje oren wassen
door de Italianen maar kinderspel.
Pim Fortuyn
Rotterdam 7 juli 2000
Zojuist is het rapport verschenen over corruptie bij de politie van de Nederlandse
Antillen. De resultaten zijn niet verrassend, maar wel schokkend. De onderzoekscommissie
stelt vele gevallen van corruptie van politiefunctionarissen vast, waaronder
zeer ernstige. Met medewerking van deze functionarissen worden drugstransporten
geregeld naar onder meer Nederland. Daarbij worden met een gerust hart dienstauto's
ingezet.
De staatssecretaris voor Koninkrijkszaken, De Vries (VVD), neemt de kwestie
nogal laconiek op. Het is een zaak voor de Antilliaanse regering in het algemeen
en de minister van Justitie in het bijzonder.
Een opmerkelijke reactie, daar het volstrekt duidelijk is dat die regering
niet in staat is om dit probleem eigenhandig op te lossen. Overigens wel een
begrijpelijke reactie, aangezien Nederland niet in staat blijkt om corruptie
onder politie-, justitie- en douanefunctionarissen inzake drugs in eigen land
te bestrijden.
De resultaten van het onderzoek van een Kamercommissie onder leiding van het
Kamerlid Kalsbeek (PvdA), enige jaren geleden, waren minstens zo schokkend,
maar hebben niet geleid tot arrestaties laat staan tot een proces voor de
onafhankelijke rechter. Het spoor loopt telkens dood op stilzwijgen van de
betrokken apparaten.
De onderste steen boven is kennelijk niet mogelijk en men berust daar in.
De Kamer zit de verantwoordelijke bewindsman van Justitie bepaalt niet dagelijks
in de nek om deze rottende zweer uit te snijden. En wie zegt ons dat die praktijken
niet nog dagelijks voortgang vinden? Het is alleszins aannemelijk dat dit
door gaat tot op de dag van vandaag en ja, de verleiding is natuurlijk groot,
dat is nog eens een ander inkomen dan een ambtelijk traktement!
Intussen holt dit soort corruptie natuurlijk wel het gezag van de rechtsstaat
op een gevaarlijke manier uit. Het is van vitaal belang dat de burger kan
vertrouwen op de integriteit van de apparaten van de rechtsstaat, temeer daar
deze als enige zijn uitgerust met de zwaardmacht en dat legt een zware verantwoordelijkheid
op hun schouders.
Als nu die zwaardmacht wordt ingezet voor criminele activiteiten waarvan de
feiten wel worden vastgesteld, maar zware bestraffing onmogelijk blijkt, raakt
het vertrouwen zoek. Politiek Den Haag lijkt zich hierbij te hebben neergelegd
en dat is ronduit normloos en eng!
Indien men het eigen drugsbestrijdingsbeleid serieus neemt, kan hier niet
in worden berust. Het is van tweeën een, of men haalt soft- en harddrugs uit
de criminele sfeer door gebruik daarvan onder condities toe te staan - en
dan ook de productie en aanvoer daarvan - of men bestrijdt het als criminele
uitwassen.
Te beginnen natuurlijk bij de eigen apparaten.
In het geval de Antillen worden uiteraard direct samenwerkingsovereenkomsten
gesloten om het verschijnsel met wortel en tak uit te roeien!
Meer in het algemeen is onze verhouding met de Antillen hogelijk ambivalent.
Formeel is het overzeese rijksdeel binnenland, niet veel groter dan een flinke
Nederlandse gemeente met een heuse regering, feitelijk behandelen we het alsof
het buitenland is. Ook daar moet eens klare wijn worden geschonken. Of het
is binnenland, en de gang van zaken in Suriname na de onafhankelijkheid (1976)
laat zien dat dit de meest reële optie is, of het is buitenland, maar dan
ook in volledige onafhankelijkheid! De huidige tussenvorm leidt tot niets
en nodigt uit tot het ontlopen van verantwoordelijkheid, zowel van de Nederlandse
als van de Antilliaanse regering.
Kiest de Antilliaanse bevolking voor de optie binnenland, dan wordt de regering
van de Nederlandse Antillen een provinciebestuur en de eilanden krijgen elk
een gemeentebestuur volgens de Nederlandse wetten in deze. Dan zijn de verantwoordelijkheden
helder verdeeld en kan de minister van Binnenlandse Zaken aan de slag op basis
van het Nederlandse instrumentarium, zoals bijvoorbeeld de Fransen dat doen
in hun voortreffelijk bestuurde overzeese gebiedsdelen!
Pim Fortuyn
Rotterdam 14 juli 2000
Nog even en Nederland heeft een miljoen mensen in de WAO zitten, op een beroepsbevolking
van ruim zes miljoen, dat is zo'n vijftien procent. Wat een raar land moet
dat zijn, waar zoveel mensen ziek, zwak of misselijk zijn.
Aan de gemiddelde levensverwachting zou je dat niet zeggen, die nadert de
80 jaar, ook voor degenen die gebruik maken van de WAO. Je zou zeggen dat
als je zo ziek bent dat je niet eens meer 36 uur - ja 36 uur - in de week
kunt werken, dan ga je vast snel dood, maar niks daarvan! Waarschijnlijk is
die WAO juist bedoeld om niet vlug dood te gaan en nog heel lang van het leven
te genieten.
Maar ja dat mogen we niet hardop zeggen, want dat is discriminerend voor die
miljoen slachtoffers die geveld zijn door de immens zware en langdurige arbeid
in dit land.
Helemaal zielig zijn de jonge vrouwtjes. Zij vormen momenteel de grootste
instroom in de WAO, omdat dit op het ogenblik in de mode is.
In vroeger tijden waren het voornamelijk arbeiders - bouwvakkers, chauffeurs
en stratenmakers - die in de WAO terecht kwamen, omdat hun lichaam echt voortijdig
versleten was door zware lichamelijke arbeid.
Tegenwoordig mag je in de WAO als je allerhande oncontroleerbare ziektes hebt,
zoals lage rugpijn, burn out, of je gewoon niet lekker in je vel voelen, of
als je als jonge vrouw een baan met een gezin (je eigen keuze nota bene!)
wat moeilijk te combineren vindt of natuurlijk als je letsel hebt opgelopen
bij jouw favoriete sport, van de keukentrap afgevallen bent of de wintersport
wat minder fortuinlijk is afgelopen.
Nu ja u begrijpt, dat wil wel, op die manier zit je zo aan de een miljoen.
En wie zal deze vetpot betalen, ja u en ik natuurlijk, werkgevers en werknemers.
Ruud Lubbers (CDA), onze vorige premier, zei het al in 1989, dit land is ZIEK
en zo is het maar net!
Wat zijn we met elkaar toch een watjes dat we deze flauwekul nog willen betalen.
En die staatssecretaris van Sociale Zaken, de arme Hoogervorst (VVD), maar
aanmodderen om een oplossing te vinden voor al die non-valeurs die in groten
getale van de dure WAO gebruik willen maken. Die oplossing zal hij echter
niet vinden. Dat wordt nu al twintig jaar geprobeerd en dan wordt het tijd
eens te concluderen dat het kennelijk niet werkt.
De reden daarvoor is even simpel als weinig schokkend. Van voorzieningen die
voor het gevoel van mensen van niemand in het bijzonder zijn, de grote hoop
dus, maken de meeste mensen zonder schaamte royaal gebruik. Het is immers
gratis en dan staat ons volk traditiegetrouw in de rij!
De enige oplossing is de WAO onmiddellijk afschaffen. Eenieder die dan uitvalt
in het arbeidsproces komt dan zonder mankeren in de bijstand terecht - daar
is die regeling namelijk voor ? na natuurlijk eerst het eigen kapitaaltje
te hebben aangesproken.
Zij die er niet voor voelen dit risico te lopen, gaan gewoon naar een particuliere
verzekeraar om zich daar tegen, net als bij brand en ongeluk, te verzekeren.
Die particuliere verzekeraars weten zonder mankeren het kaf van het koren
te scheiden en als zij een fout maken is er altijd nog de rechter om bij in
beroep te gaan. Een eenvoudige regeling die de gemeenschap geen cent kost.
Dat zal de jonge vrouwtjes leren te veel lasten, op onze kosten, op heur schouders
te nemen
Kortom een normale oplossing in dit democratische, geëmancipeerde, individualistische
tijdperk. Gewoon je eigen broek ophouden, verantwoordelijk zijn voor je eigen
leven, voor je eigen beslissingen en ja, ook voor jouw hoogst eigen pech!
Pim Fortuyn
24 juli 2000
Onlangs is het eerste van een reeks processen gevoerd tegen tabaksfabrikant
Niemeijer. Deze zou lang geleden hebben verzuimd op zijn pakjes shag te vermelden
welke stoffen allemaal zijn verwerkt in zijn onvolprezen tabak.
Een rare eis, daar het nog maar van recente datum is om op voedings- en consumptiemiddelen
te vermelden wat er allemaal precies in zit. In vroeger tijden hadden we daar
geen belangstelling voor, als het maar lekker was. Met onze gezondheid waren
we niet zo gepreoccupeerd als vandaag de dag.
Eisers, een vrouw en een man, beroepen zich op hun onwetendheid toentertijd
dat roken schadelijk kan zijn voor de gezondheid, ja zelfs dodelijke ziekten
kan veroorzaken, en buitendien verslavend is, niet alleen vanwege de nicotine
maar ook vanwege toegevoegde verslavende stoffen. Laat dat nu net een deel
van de pret zijn, anders zou niemand roken!
Nogal dommig allemaal.
De overheid is in deze de grootste hypocriet. Alles wat leuk en lekker is
moet eigenlijk worden verboden, zoals daar zijn alcohol, tabak, drugs, auto
rijden en seks. We doen het allemaal en de overheid loopt binnen.
Behalve op seks wordt op alle andere middelen van verslavend genot een buiten
proportionele belasting geheven. Zouden we morgen stoppen met drinken, roken
en autorijden dan is de bodem van de schatkist snel in zicht. De hypocriete
boodschap van de overheid is duidelijk: u moet dit allemaal niet doen, maar
ga er voor het overige vooral mee door, hoe matelozer hoe beter!
Het eenzijdig aanpakken van tabaksfabrikanten wekt bij mij overigens wel bevreemding.
Op alcoholhoudende drank staat bijvoorbeeld ook niet wat erin zit en dat alcohol
in sociaal en fysiek opzicht een verwoestende werking kan hebben staat buiten
twijfel. Waarom nog geen processen tegen fabrikanten van alcoholhoudende dranken?
Waarom verweert die tabaksindustrie zich niet eens wat krachtiger en wijst
op deze flagrante rechtsongelijkheid? Waarom kruipen de heren zo in hun schulp?
Meestal is het zo dat als je geknipt en geschoren wordt, het verstandig is
om stil te zitten. In dit geval behoren zij zich stevig te weren en de belangen
van hun rokers te behartigen. Want wie denkt u dat straks voor al die overtrokken
schadeclaims mogen op draaien? Toch niet de tabaksindustrie met zijn verslaafde
gebruikers! Neen de roker kan dat straks gaan betalen via opcenten op zijn
rookwaar!
Hoe schandelijk het slachtofferschap is van de eisers tegen Niemeijer moge
blijken uit het feit dat de mannelijk eiser zich per rolstoel de rechtzaal
in liet rijden, de man heeft inmiddels longemfyseem, daarbij stevig paffend
van sigaretje.
Roken als je longemfyseem hebt, dan is er in die bovenkamer iets niet helemaal
in orde.
Dat is aldus de eiser niet zijn schuld, maar die van Niemeijer, die heeft
hem tenslotte onwetend en dus onschuldig verslaafd gemaakt! Wel de guts hebben
een schadevergoeding te eisen en niet het doorzettingsvermogen hebben om van
jouw rookverslaving af te komen, je moet er maar op komen.
Het ergste echter zijn nog die juridische deskundigen die het tegen Niemeijer
opnemen. Fanatieke fundamentalisten, ayatollahs, die denken dat ze voor de
rechter nog gelijk krijgen ook. Dat laatste zou mij niets verbazen. Dit land
lijdt tenslotte in vele opzichten aan collectieve politiek correcte waanzin,
dus dit kan er ook nog wel bij.
Deze column heb ik geschreven met een lekker sigaartje van Oud Kampen in het
hoofd. En u denkt toch niet, dat mocht ik daar iets (dodelijks) van oplopen,
dat ik dan schadevergoeding ga eisen. Het is dat geval gewoon all in the game,
zo u wilt: eigen schuld dikke bult! Overigens in de wetenschap dat Hij komt
als een dief in de nacht en dat ik dag noch uur ken. Ik ga dood op de voor
mij bestemde tijd, geen seconde eerder, maar ook geen seconde later!
Pim Fortuyn
Rotterdam7 augustus 2000
Het is al weer ruim tien jaar geleden dat, als door een Gods wonder, de Berlijnse
Muur ineen zeeg. Ik zie de beelden nog voor me: duizenden Oost-Berlijners
die door een gat in de Muur lopen, rijden er bovenop staan etc. en die als
helden door de West-Berlijners worden ingehaald met bloemen, applaus en geld
om wat te drinken en te eten te kopen in het vrije westen. Diep ontroerend
en een waar historisch moment.
De val van de Muur verbeeldde het ineenzijgen van het hele Sovjetimperium
met zijn Oost- en Midden-Europese satellietstaten, waarvan de voormalige DDR
(Oost-Duitsland) de belangrijkste was.
Prominenten van onze eigen PvdA, als daar zijn Han Lammers en Ien van den
Heuvel hadden tot dan een zwak gehad voor de DDR en die onmenselijke Muur
verklaard tot historische noodzaak. Nimmer hebben deze vooraanstaande PvdA-ers
voor deze historische misvatting hun excuses aangeboden, net zo min als zij
daar door de leiding van de PvdA ooit toe zijn uitgenodigd, laat staan geprest!
Hoe onmenselijk deze Muur was en daarmee dat ijzeren gordijn en het hele politieke,
militaire, maatschappelijke en economische systeem dat daarachter zat, weten
we inmiddels maar al te goed.
En wie het niet wil geloven reist maar naar Berlijn om de sporen ervan te
bezichtigen. Hele families ter weerszijden, die elkaar meer dan dertig jaar
niet mochten zien, vanwege de zegeningen van het communisme in het algemeen
en het neo-fascistische heilsrijk der DDR in het bijzonder.
En prominenten van de PvdA dit maar een historische noodzaak noemen, je moet
er in al je geborneerdheid maar op komen!
Inmiddels wordt er driftig gebouwd in het centrum van Berlijn, zodat het nu
de grootste bouwput van Europa is. En wat wordt het prachtig. De Rijksdag
is schitterend gerenoveerd met een majestueuze moderne glazen koepel op het
imposante gebouw, van waaruit de toerist een prachtig uitzicht heeft over
de stad die aan zijn voeten ligt. De Bundeskanzlerei in aanbouw, alle ondersteunende
diensten in het ene gebouw nog mooier dan het andere.
Een hele wijk van nieuwe ambassades wordt uit de grond gestampt, waarbij de
betreffende landen hun meest vooraanstaande architecten inschakelen. De mooiste
ambassade is ongetwijfeld neergezet door de Britten; imposant en toch ingetogen.
Iets verderop, op de Potsdammer Platz verrijst het centrum van het kapitalisme,
Mercedes Benz, Sony etc. prachtige glazen gebouwen, mooie intieme pleinen,
imposant, maar met inachtneming van de menselijke maat.
Hier wordt waarlijk iets schoons en super moderns geschapen.
Kortom, dit wordt zonder enige twijfel het nieuwe hart van Berlijn en wel
precies op de plaats van het door de geallieerden weggebombardeerde oude hart
van Berlijn, met zijn geschiedenis van Keizer, nazisme en Hitler.
Juist door het inschakelen van al die architecten uit de verschillende westerse
landen tot en met Japan aan toe, geeft het nieuwe centrum die spannende internationale
allure, waardoor het niet alleen de hoofdstad is van Duitsland, maar ook enigszins
van de Amerikanen, de Japanners, de Russen en van ons natuurlijk, de Europeanen.
We vielen bovendien met onze neus in de boter. De onthulling van het gerestaureerde
Checkpoint Charlie, als monument van de deling van de stad Dit alles op initiatief
van een oude, belangrijke, joodse inwoner van de stad Berlijn. Een man die
Hitler had meegemaakt, de deling had ondergaan, dit alles had overleefd en
nu het finest hour van zijn leven beleefde. Heel zichtbaar werd hierdoor hoe
ver weg het nazisme en communisme inmiddels zijn.
De vrijheid heeft overwonnen, symbolischer kon het niet!
Intussen valt het op hoe moeilijk zowel de inwoners van West- als van Oost-Berlijn
het met de nieuw verworven eenheid hebben. Beiden kraken zij gelijkelijk het
nieuwe stadscentrum in wording af. Ze zien de schoonheid daarvan nog niet.
Dat maakt ook duidelijk hoe diep de deling heeft gesneden in het sociale weefsel
van de stad.
Maar eer we tien jaar verder zijn, zijn de stad en zijn bewoners weer een
eenheid en is al het leed geleden en gedegradeerd tot oud zeer. Dan zal blijken,
dat niet zozeer er een nieuwe Muur is gebouwd tussen Oost en West, maar een
fantastische brug!
Mijn petje af voor het Duitse volk, dat deze prestatie even neerzet in de
wereld, als voorbeeld voor alle gedeelde volken van hoe het ook kan. Het goede
dat het kwade overwint. Wie had een dergelijke Duitse voorbeeldfunctie in
1945 durven voorspellen?
Pim Fortuyn
Rotterdam13 augustus 2000
Op het moment dat ik dit schrijf, zondagavond, is nog niet bekend of er nog
overlevenden zitten in de Russische kernonderzeeër Koersk. Mijn gevoel zegt
me dat er Rusissche marinemensen levend uit zullen komen. Intussen worden
de contouren van het schandaal met de dag duidelijker.
Reeds een etmaal na het arriveren van de Engelse en Noorse hulp in de vorm
van diepzeeduikers en een geavanceerde reddingsduikboot, worden de tv-beelden
wereldwijd getoond en zien we de reddingswerkers uiterst professioneel aan
de slag op de bodem van de Barentsz-zee op een diepte van honderd meter .
Koelbloedige mannen die in de weer zijn alsof ze zich op het land bevinden.
Over enkele uren moeten ze in de kernonderzeeër zijn, maar nu al staat vast
dat er grote luchtbellen in het schip zitten, dus de kans op leven aan boord
is reëel. Fascinerende beelden, waarin een staaltje westerse militaire techniek
en kunde wordt vertoond dat zijn weerga niet kent en dat binnen 24 uur. De
Russische president Poetin en zijn marine-staf hebben hun bevolking heel wat
uit te leggen.
Ruim een week na het ongeluk, nadat zeer veel kostbare tijd verloren is gegaan,
werd de hulp vanuit het westen geaccepteerd en het is duidelijk dat als de
Russen niet zo halsstarrig waren geweest de kans op het vinden van overlevenden
vele malen groter was geweest. Voor Poetin en de marine-staf is het te hopen
dat niemand meer leeft en vastgesteld kan worden dat de gehele bemanning vrijwel
onmiddellijk na het zinken van de onderzeeëer is omgekomen. Als dat niet zo
is en er toch nog overlevenden zijn, verkeren zowel president als marine-staf
in zeer grote moeilijkheden.
De volkswoede in Rusland is nu echt losgebarsten. De mensen zijn boos over
het weigeren van westerse hulp en over de incompetentie van president en marine.
De vraag is natuurlijk waarom de marine en de president zo lang hebben gewacht
met het accepteren van westerse hulp en waarom ze zo weinig informatie over
de ramp aan de eigen bevolking verstrekken en de eerste dagen ronduit gelogen
hebben.
Het antwoord moet waarschijnlijk worden gezocht op twee fronten. Ten eerste
is het koude oorlogsdenken bij de Russische civiele en militaire leiding nog
steeds geen voltooid verleden tijd en in het verlengde daarvan probeert men
nog steeds de idee van een Russische wereldmacht overeind te houden. Het spreekt
in die cultuur vanzelf dat het westen beslist geen vriend is, maar eerder
een soort vijand. En voorts heeft een wereldmacht geen hulp van buiten nodig.
Wat nu blijkt is dat de keizer geen kleren aan heeft en dat zal grote politieke
gevolgen hebben, zowel in Rusland zelf als ver daarbuiten. Eenieder kan nu
zien hoe incompetent het Russische militaire apparaat is, wat ook al in Tsjetjenië
is gebleken.
Daarnaast zien de Russen dat hun president en de marine-staf meer geven om
hun eigen prestige dan om het redden van de levens van jonge mensen. Dezelfde
houding wordt ook aangenomen tegenover de jonge Russische soldaten die bij
bosjes sneuvelen in Tsjetjenië. Want de lijken van de vorige oorlog met de
opstandige republiek liggen nog steeds opgeslagen in koelhuizen, omdat de
legerleiding onvoldoende deskundigen heeft kunnen vrijmaken om hen te identificeren
en de lichamen terug te geven aan de familie!
Meer nog dan de val van de Muur in Berlijn in november 1989 en het ineenstorten
van het Sovjet-imperium, is het Russische geklungel rond de gezonken onderzeeër
het teken dat Rusland geen wereldmacht meer is en ook militair niets meer
in de melk heeft te brokkelen. Economisch en maatschappelijk is dat al wat
langer duidelijk. De Verenigde Staten van Noord Amerika zijn nu nog de enige
wereldmacht en wel op elk terrein: militair, politiek, economisch, cultureel
en sociaal. Zij staan eenzaam, zeer eenzaam aan de top.
Op zichzelf wel een griezelige situatie, want het moeten sterke benen zijn
die deze weelde kunnen dragen, maar het is niet anders. De Koude Oorlog is
nu echt voorbij zelfs voor de Russische president en zijn militaire top. Dat
is winst, alleen wat verschrikkelijk dat dit op deze manier moet blijken.
Een week lang al gaan mijn gedachten regelmatig naar die mannen op de bodem
van de Barentsz-zee. Laten we hopen en bovenal voor hen bidden, levend of
dood.
20 augustus 2000
Pim Fortuyn Rotterdam
Zaterdagnacht zag ik ineens mijn gestolen gewaande fiets in de stad staan.
Mijn fietssleuteltje had ik niet bij mij - ik had vrolijk gestapt - dus nam
ik een taxi om het sleuteltje thuis op te halen, om dan op de fiets weer huiswaarts
te gaan. Het ritje heen kostte 12,50 gulden en zo ook terug. Bij elkaar 25
piek.
Een schande voor zo'n kleine dienst. Ik moest mijn huis in en om de taxichauffeur
gerust te stellen dat ik echt terug zou komen, gaf ik hem vijftig gulden -
ik had niet kleiner - met het verzoek even op mij te wachten. Toen ik terugkwam
was de vogel gevlogen, met medeneming van die vijftig gulden voor een ritje
van 12,50 piek. Een ordinaire dief dus. Je kan zoiets verwachten in Zuid-Amerika,
maar in Holland houd je dat gewoon niet voor mogelijk.
Meer in het algemeen, is het met de dienstverlening door de heren chauffeurs
erbarmelijk gesteld. De deur voor je openhouden is er niet bij, bagage flikker
je zelf maar in de achterbak. Er wordt gezwegen of geklaagd en dit alles zonder
de passagier te taxeren. Het opsteken van een sigaar of sigaret is helemaal
uit den boze, ook na een avondje stappen.
Doe je dit gedachteloos wel, dan is niet een vriendelijk verzoek om dit te
laten je deel, maar een ordinaire en beledigende scheldpartij. En dan de prijs,
zondermeer exorbitant! Over langere ritten valt helmaal niet te onderhandelen,
de taximeter gaat gewoon aan en de prijs is precies hetzelfde als voor stadskilometers.
Je moet naar een gespecialiseerd taxibedrijf toe om je voor een redelijke
prijs bijvoorbeeld van Rotterdam naar Schiphol te laten brengen en naar een
super gespecialiseerd taxibedrijf om je fatsoenlijk te laten behandelen. Nu
is het bekend dat de taxiwereld grotendeels bestaat uit maffia en kleine en
wat grotere criminelen, die met elkaar heel wat jaartjes gezeten hebben, dus
vreemd is dit alles niet.
Politiek Den Haag, met name de ministers Jorritsma (VVD) van Economische Zaken
en Netelenbos (PvdA) van Verkeer en Waterstaat, heeft getracht om in deze
vreselijke praktijken verandering te brengen door het monopolie van de taxibranche
te breken door het afschaffen van het gesloten vergunningenstelsel, zodat
de markt zijn werk kan doen.
Maar ja, dan moeten de gemeentebestuurders wel de nieuwe wet uitvoeren en
daar knelt de schoen. De gemeentebestuurders durven niet, bang als ze zijn
voor de taximaffia. Amsterdam heeft het geweten, een heuse taxioorlog met
gebruik van geweld en het in de fik steken van de auto's van nieuwkomers was
het gevolg.
En de overheid? De overheid, inclusief de politie, keek toe! Er is geen misdrijf
uit deze taxioorlog opgelost. De gewelddadige daders gaan vrijuit en de rechtsstaat
heeft het nakijken! Intussen woekert het taximonopolie met zijn erbarmelijke
dienstverlening en veel te hoge prijzen gewoon door. Niet de overheid en onze
politie zijn in het publieke domein de baas, maar de gevreesde taximaffia,
de wereld op zijn kop.
Nu zijn er zeker ook witte raven onder de taxichauffeurs en taxibedrijven.
Het overkomt je een enkele keer dat je uitstekend en voorkomend wordt behandeld,
kortom als een zeer gewenste klant. Het zou een situatie moeten zijn die standaard
is.
Dat is pas zo ver, als de gemeentebestuurders keihard de nieuwe wet gaan uitvoeren
en dat zal nog wel even duren, want slappe knieën zijn eerder regel dan uitzondering
in die kringen.
En wat betreft mijn dief annex taxichauffeur, die kom ik nog wel eens tegen
- zo groot is Rotterdam nu ook weer niet - en dan zwaait er wat. Hij kan natuurlijk
ook die 37,50 gulden storten op mijn girorekening (1294134) en dan zal ik
hem verder met rust laten!
Pim Fortuyn
Rotterdam 27 augustus 2000
Een weekeinde in Maastricht doorgebracht, de enige Nederlandse stad van het
goede leven. Winkels vol met mooie en smaakvolle spullen, een fantastisch
horecawezen met voor elk wat wils, vrolijke mensen en bovenal een stad die
er on-Hollands schoon en verzorgd uit ziet. Het lijkt Brussel, Parijs of Antwerpen
wel. Natuurlijk in pocketformaat, het blijft wel Nederland!
Op de terreinen van de vroegere keramiekfabrieken van Regout aan de borders
van de Maas, verrijst nu een hele nieuwe wijk. Een interessante plaats. Hier
was een van de eerste grote Nederlandse industrieën gevestigd, met alle daarbij
behorende ontsporingen van dien.
Lage lonen, kinderarbeid, moordende - en dat letterlijk - arbeidsomstandigheden.
Meneer Regout placht tegen meneer pastoor te zeggen: houdt jij ze dom, dan
houd ik ze arm! Uitgerekend op deze plek wordt een chique wijk van kantoren,
winkels, bedrijfjes en woningen gerealiseerd van een architectuur waar je
van moet houden, maar karakteristiek is het zeker. Je zou willen dat de arbeiders
en kinderarbeiders van toen er nu een kijkje konden nemen, ze zouden hun ogen
niet geloven.
In deze wijk staat ook het in de pers luid geprezen Bonnefantenmuseum. En
wat een deceptie! Het ontwerp kan ermee door, hoewel het een uitermate armoedige
uitstraling heeft. Maar licht en ruim is het wel. De afwerking is echter erbarmelijk,
het museum ziet er nu al afgetrapt uit. Van schoonmaken en met liefde je gebouw
behandelen, hebben directie en personeel nog nooit gehoord.
Het begint al bij de entree, een regelrechte vuilnisbelt, waar uitermate vieze
hardstenen trappen de bezoekers heen leiden. En dan de collectie. De oude
collectie heeft nog wel wat, zij het dat de getoonde kunst wel erg provinciaal
is en niet uitstijgt boven de middelmaat.
Ronduit fantastisch is evenwel de collectie houten beelden uit de late Middeleeuwen
en de vroege Renaissance. Er hangen de resten van een gekruisigde Christus,
die je niet snel meer loslaten. Met name het gezicht van de Christus is van
een diep lijden dat in je ziel snijdt. Wat kun je zoiets bewonderen en jaloers
zijn op de onbekende kunstenaar die dat heeft weten te maken.
De collectie moderne kunst en de expositie (nota bene in samenwerking met
de Tate Gallery) moderne kunst zijn een regelrechte ramp. Een partij kleutergefröbel
zonder weerga, met natuurlijk de uitleg erbij wat dit amateurisme allemaal
wel niet mag voorstellen. Het stelt nooit voor wat het voorstelt, neen, er
ligt immer een buitengewoon diepzinnige gedachte aan ten grondslag. Van enig
vakmanschap, dat in elk stuk van de oude collectie in ieder geval aanwezig
is, blijkt helemaal niks. U en ik kunnen het ook in elkaar fröbelen, met dit
verschil dat wij er ons voor zouden schamen iets dergelijks voor een groot
publiek ten toon te stellen.
Het lijkt een teken van de tijd. Ik ben een groot kunstliefhebber en heb zelf
een leuke collectie, ook van moderne kunst. Tekenend is dat ik de laatste
jaren vrijwel niets meer aanschaf. Ik vind er gewoon niks aan en het gaat
helemaal nergens meer over. De moderne kunst verkeert in een diepe crisis.
De meeste kunstenaars zijn echt de weg kwijt en doen maar wat, doen vooral
veel na van hetgeen we al zo vaak hebben gezien. Een boodschap hebben ze zelden,
ons iets laten zien van wat we niet willen of niet kunnen zien is er niet
meer bij en choqueren komt in hun woordenboek beslist niet meer voor.
Het is saai en voorspelbaar geworden en op zijn best vakkundig gemaakt. Ontroeren
zoals met dat prachtige Christusgelaat is kennelijk iets voor de oude doos
geworden. De zogenaamde kunstkenners, de kunstrecensenten in de media, hoor
je hier niet over. Zij vinden het allemaal even mooi en spannend.
De directeur van het Bonnefantenmuseum verdient het zijn gebouw eigenhandig
schoon te maken en wel iedere dag. Nog beter is het om hem gewoon op de keien
te smijten. Dit is een museum, een bourgondische, verzorgde stad als Maastricht
onwaardig!
Pim Fortuyn
Rotterdam 3 september 2000
Er is heel wat afgeneuzeld over het glazen plafond waartegen carrièrevrouwen
zouden botsen in hun strijd met de mannen om de hoogste posten in bedrijfsleven,
collectieve sector en politiek. Er is zelfs een heuse commissie van de SER,
die zich met deze onzin onledig moet houden. Inmiddels heeft onderzoek uitgewezen
dat dit plafond helemaal niet bestaat, dat er nauwelijks vrouwonvriendelijke
bedrijven zijn, maar ook dat met name vrouwen met een gezin hun prioriteiten
anders leggen.
Velen van hen vinden de baan belangrijk, maar het gezin net iets belangrijker
en hebben er dus niet alles voor over om de hoogste posities te bereiken.
Intussen heeft dit rare gedoe wel de nodige schade aangericht. Eenieder kent
ze, vrouwen die ver boven hun kunnen werken en deze positie nooit hadden bereikt
als zij een man waren geweest. Maar ja, veel mannen zijn graag politiek correct,
dus vooruit een vrouw, ook als deze niet beschikt over de kwaliteiten om de
betreffende post te vervullen.
Een mooi voorbeeld van een benoeming van een onbekwame vrouw op een hoge post
in de politiek is oma Borst van D66, vice-premier en minister van Volksgezondheid.
Deze omhoog gevallen dame bakt er nu al zes jaar werkelijk niets van. Over
ervaring beschikt zij inmiddels wel, want ze is zes aaneengesloten jaren minister
van Volksgezondheid en het is regelrechte ramp.
Elke visie ontbreekt, het zorgveld en de politiek weten beslist niet waar
deze mevrouw op afstevent met haar beleid. Elk beleid ontbreekt, ze doet maar
wat en wiegt mee op de waan van de dag. Haar departement is al die jaren een
chaos, wachtlijsten worden langer in plaats van korter, ondanks miljarden
extra geld voor de zorg daalt deze tot een bedenkelijk niveau. Elk particulier
ondernemersinitiatief in de zorg wordt door haar met weerzin begroet en dan
met veel mitsen en maren toch toegelaten, niet een echte stimulans voor de
beginnende zorgondernemer!
Hoe weinig gezag oma in het zorgveld heeft, moge blijken uit het optreden
van de vereniging van ziekenhuizen. Deze organisatie vraagt onbeschaamd nieuwe
miljarden om de wachtlijsten te doen verdwijnen, naast de honderden miljoenen
die ze daarvoor al hebben gekregen en die nauwelijks resultaat hebben geboekt.
Geeft oma de miljarden niet, dan mag zij, dat wil zeggen wij, stikken in haar
wachtlijsten. Van haar is echter niet te verwachten dat zij, na de schavuiten
over de knie te hebben gelegd, deze schaamteloze lieden subiet het gat van
de deur wijst. Dat wordt weer eindeloos overleg met slappe ministeriële knieën
en dan gaan ze weer naar huis met iets minder maar toch gauw een klein miljard
van onze belastinggelden en geloof maar niet dat de wachtlijsten dan verdwijnen.
De monopoloïde bedrijfstak heeft gewoon belang bij wachtlijsten, dat houdt
de spoeling lekker dun. Het enige dat echt helpt is geen geld meer geven en
keiharde concurrentie toe laten. Dat zal de reguliere instellingen dit arrogante
gedrag afleren en hen pressen een fatsoenlijk product af te leveren van hoog
kwalitatief niveau. Van oma is dit niet te verwachten, oud en der dagen zat
als zij is en bovenal onbekwaam. Onbekwaam als politiek leider van D66, als
lijsttrekker, als vice-premier (wie heeft haar ooit in die rol gezien?) en
tenslotte als minister van Volksgezondheid.
De vraag is echter hoe kan dit nu zo lang duren. Het antwoord is even simpel
als onthutsend. Mevrouw Borst is een vrouw, vandaar, en bovendien is ze lid
van een regeringspartij. Coalitiebelangen verhinderen het om het deze vrouw
lastig te maken, laat staan aan de dijk te zetten. Men koopt het zaakje liever
af door de zorgsector met nog wat miljarden te verblijden. De zorgsector is
evenwel structureel dood en dood ziek, dat is dus goed geld naar kwaad geld
gooien.
Maar wat geeft het, er is geld genoeg en is dat van u en mij, dus de PvdA
wil ons dat ten behoeve van deze oma, waar velen letterlijk doodziek van worden,
wel afhandig maken. Het is net als met een ziek bedrijf, meer geld levert
geen beter product op, integendeel! Men zal de zorgbedrijfstak eerst gezond
moeten maken en daarna kan er eventueel meer geld gegeven worden. In deze
volgorde en niet anders!
Pim Fortuyn
Rotterdam 10 september 2000
Nederland heeft, zeker in vergelijking met landen als Frankrijk, Engeland
en België, maar een heel klein beetje op zijn kop gestaan. Het protest van
de vrachtrijders en uiteraard de onvermijdelijke taxichauffeurs tegen de hoge
dieselprijzen verliep geheel in het kader van het roemruchte poldermodel.
Een beetje actie en veel overleggen, met name met de regering.
Het akkoord dat er nu ligt (ongeveer vijfhonderd miljoen gulden aan compensatiemaatregelen),
laat u en mij vrolijk in de kou staan en helpt de branche tijdelijk. En uiteraard
is de regering niet gezwicht voor de acties, stel je voor dat de straat regeert!
Na de al maar stijgende olieprijs en dus ook die voor benzine en diesel en
vanwege de koppelingen ook die van LPG en aardgas, liepen de beroepschauffeurs
in Europa hier tegen te hoop en kon het grote zwarte pieten beginnen. Het
was de schuld van de hoge koers van de dollar ten opzichte van de euro, de
olieprijs gaat wereldwijd in dollars, van de olie producerende landen verenigd
in de Opec en tenslotte van de oliemaatschappijen en van de regeringen die
de accijns op brandstof gelijk op laten gaan met de prijsstijging van de brandstof.
Behoudens van de oliemaatschappijen is het allemaal waar. De hoge koers van
de dollar maakt brandstof in de EU duur, de Opec houdt stelselmatig de productie
van olie krap en de regeringen incasseren met gulle hand de belachelijk hoge
accijns op benzine. Daarnaast is er in ons land nog een feitelijk kartel van
de grote oliemaatschappijen waardoor de brandstofprijs hier het hoogst is.
Aan de koers van de dollar valt weinig of niets te doen, aan het kartel van
grote oliemaatschappijen wel door nieuwe toetreders op de markt toe te laten
met name op het terrein van de distributie, bijvoorbeeld supermarkten en kleine
zelfstandige pomphouders niet gebonden zijn aan een merk. De Opec voert de
productie nu iets op en aan de brandstofaccijnzen valt natuurlijk heel veel
te doen. Die zijn in alle landen belachelijk hoog en te vergelijken met die
belachelijk hoge accijns op rookwaren.
In Nederland komt daar nog eens het kwartje van Kok bovenop. Een kwartje ingevoerd
ten tijde van het derde kabinet Lubbers toen Wim Kok (PvdA) nog minister van
Financiën was. Dat kwartje werd toen ingevoerd om het financieringstekort
van de overheid enigszins terug te dringen. Een toen al rare maatregel, omdat
hier gewoon een bepaalde groep werd uitgekozen ter bestrijding van een algemeen
probleem. Een belastingmaatregel had meer voor de hand gelegen, maar dit was
gemakkelijker en riep minder publieke weerstanden op.
Inmiddels is het financieringstekort omgeslagen in een overschot en begint
aanstaande dinsdag, op Prinsjesdag, het met miljarden over de balk smijten.
Het had zeer voor de hand gelegen om dit kwartje nu af te schaffen, maar Kok
wilde daarvan niet weten omdat toentertijd nooit zou zijn gezegd dat het om
een tijdelijke maatregel ging. Daarnaast zijn de regeringen van de EU van
mening dat de Opec alleen maar aangemoedigd zou worden de schaarste te continueren,
indien de accijns op brandstof omlaag gaat en dus zou de consument er niets
beter op worden en de overheid alleen maar armer. Dat gaat ervan uit dat het
rijke westen helemaal geen vuist kan maken naar de Opec en dat is natuurlijk
nonsense. De Opec-landen zijn op velerlei terreinen economisch zeer afhankelijke
van het rijke westen, dus zo moeilijk is dat niet .
Intussen trekt Kok zich niets aan van het parlement en de mensen in het land.
Hij gaat door met grossieren in arrogantie en ja u vindt het schitterend.
De man schijnt volgens de opiniepeilingen - en die vult u echt zelf in - razend
populair te zijn. Dus op naar nog vier jaar, moet u maar denken en dan komt
deze hoogmoedige vanzelf door eigen toedoen ten val!
Pim Fortuyn
Rotterdam 17 september 2000
De politiek is het spoor goed bijster. Het gesprek met de kiezer is volledig
verstomd. Politiek lijkt die kiezers ook niet meer te kunnen schelen. De grote
welvaart maakt het ook allemaal wat minder urgent. Iedereen kan zich over
het algemeen goed redden en laat de politiek de politiek. Dat neemt niet weg
dat de politiek nog steeds een belangrijke plaats inneemt in de samenleving.
Het gehele publieke domein en vele vormen van diensten in de collectieve sector
zijn vrijwel exclusief toevertrouwd aan de politiek en de daaraan gelieerde
ambtelijke diensten en uitvoeringsinstellingen. De burger heeft er dagelijks
mee te maken.
De ontevredenheid over de dienstverleningsproducten in de collectieve sector
is intussen groot. Of we het nu hebben over de politie, de spoorwegen, het
openbaar bestuur, het onderwijs of de gezondheidszorg, overal beantwoordt
het aanbod onvoldoende aan de vraag. De dienstverleners beseffen dat ook zelf
en stemmen met de voeten. Het is moeilijk om personeel te krijgen, het ziekteverzuim
is dikwijls hoog en de toestroom tot de WAO gestaag. Het is geen abrupte crisis,
maar meer een soort veenbrand die voortwoedt. De sterk vertechnocratiseerde
politiek reageert daar wel op met noodverbanden, maar verwoordt het crisisgevoel
en het gevoel van urgentie niet. Het is een vreemde gewaarwording, een bloeiende
economie en een verpieterende collectieve sector die geen grote politieke
emoties weten op te roepen. Dat hier iets wringt, werd onlangs duidelijk in
de grote verkiezingsoverwinning van Leefbaar Utrecht, die wellicht zijn vervolg
zal krijgen in een landelijke partij bij de kamerverkiezingen van 2002.
Het politieke establishment reageerde met een 'ze komen er nog wel achter
wat het betekent om te regeren'. De winst van Leefbaar Utrecht werd niet opgevat
als een teken dat er wellicht iets schort aan het gesprek met de mensen in
het land. Integendeel, Leefbaar Utrecht en al die andere plaatselijke leefbaarheidspartijen
worden in hun ogen geleid door populisten. En een populist is zo ongeveer
het ergste wat een politicus van de gevestigde orde kan zijn. Als een populist
verwoordt wat er onder een deel van de burgers leeft, dan zou je denken dat
hij een bijdrage levert aan een levendige politieke democratie en dus verwelkomd
moet worden. Maar nee, de populist wordt gezien als een bedreiging voor het
politieke debat in plaats van als een verlevendiging daarvan, laat staan dat
zijn bijdrage serieus wordt genomen.
In tal van columns heb ik aangestipt dat de belevingswereld van de politiek
steeds verder af komt te staan van die van de mensen in het land. Keer op
keer heb ik uitgelegd wat de oorzaken daarvan zijn. Het valt allemaal samen
te vatten in een tekort aan levende democratie: bestuurders, regeerders en
gekozenen verwerven geen direct mandaat van de kiezer. Regeerders en bestuurders
worden niet rechtstreeks gekozen, maar benoemd en het merendeel der volksvertegenwoordigers
verwerft zijn zetel op de slippen van de lijsttrekker. Bij het grote publiek
zijn de meesten niet bekend. Het publiek weet dan ook niet wat zij doen en
wat voor politieke standpunten zij innemen.
Voor de meeste volksvertegenwoordigers in gemeenteraden, provinciale staten
en parlement is het belangrijker de steun van de partijleiding te verwerven
dan die van de kiezer. Want de partijleiding bepaalt wie voor een nieuwe kans
in aanmerking komt of wordt benoemd op een mooie bestuurlijke functie. De
kiezer heeft daarover niets te zeggen. De partijleiding wordt vervolgens door
niemand meer gecontroleerd, aangezien de meeste partijen een zieltogend bestaan
leiden en de interne partijdemocratie hebben afgeschaft. Kortom, de burger
is op een hele grote afstand geplaatst en reageert met een flinke portie ongeïnteresseerdheid.
In de tweede helft van de jaren zestig van de vorige eeuw deed zich, zij het
onder andere omstandigheden, een soortgelijke crisis voor in de politiek.
D66 ontleende daar haar geboorte aan en de PvdA maakte er zich de woordvoerder
van. Het gevolg was verlevendiging van de politiek, grote publieke betrokkenheid
en polarisatie. En meer in het algemeen: de gevestigde politieke circuits
werden opengebroken. Zo goed en zo kwaad als het ging binnen de bestaande
politieke instituties werd een grotere mate van inspraak bereikt van geïnteresseerde
burgers. In de jaren tachtig kwam de terugslag, onder druk van een slepende
economische crisis. Inspraak werd opzij gezet om de staatsfinanciën op orde
te kunnen brengen. Strenge regeerakkoorden creëerden een feitelijk monisme
en de politiek verwerd tot een technocratische aangelegenheid met als voorlopig
hoogtepunt Paars, waarin de politieke tegenpolen, VVD en PvdA, samen regeren
in een coalitie van nationale eenheid.
Wat nu opbreekt, is dat in de jaren zeventig de politieke instituties niet
drastisch zijn hervormd, zodat regeerder, bestuurder en volksvertegenwoordiger
een rechtstreeks mandaat kregen van de kiezer. In tegenstelling tot de jaren
zestig en zeventig lijkt de politiek nu niet in staat om zich uit het isolement
te bevrijden en de dialoog met de kiezer te herstellen. Dat is een brisante
situatie. Het is denkbaar dat dit niet goed blijft gaan. De samenleving en
de economie democratiseren en individualiseren in een steeds hoger tempo.
Het publieke domein daarentegen ontdemocratiseert feitelijk in hetzelfde tempo.
Dat levert een onmogelijke spagaat op. Het zou al heel wat zijn als de gevestigde
politieke orde zich dit zou realiseren en de weg opent naar directe kiezersmandaten
voor volksvertegenwoordigers, regeerders en bestuurders.
Door Pim Fortuyn - Elsevier